artikel

Lof der Zotheid zoals Erasmus het bedoelde: de herwerking van Sandra Langereis

0

Desiderius Erasmus was een filosoof, schrijver en humanist uit de 16de eeuw. Zijn meest bekende weer is Lof der Zotheid, een satirische tekst die in 1511 voor het eerst verscheen, waarin de verpersoonlijking van de Zotheid een lofrede op zichzelf geeft. In deze vorm gaf Erasmus kritiek op de maatschappij.

Sandra Langereis herwerkte Erasmus’ Lof der Zotheid

Sandra Langereis, de historicus die vorig jaar een biografie van Erasmus uitbracht, herwerkte de tekst van Lof der Zotheid tot een eigentijdse hervertelling die toch nauw aansluit bij de tekst zoals Erasmus die bedoelde. 

Deze dubbeluitgave van een lees- en luisterboek doet je ervaren dat Erasmus de tekst bedoelde als theatervoorstelling

Deze tekst werd ingesproken door Jorn Heijdenrijk. In het boek vind je een QR-code waarmee je het audioboek kan downloaden. Je kan dus kiezen of je de tekst wilt lezen of ernaar wil luisteren, of beide tegelijk. Deze bijzondere dubbeluitgave laat lezers en luisteraars ervaren dat Erasmus zijn Lof der Zotheid schreef als een echte theatervoorstelling.

Ook voegde Sandra Langereis een toegankelijke inleiding toe die Erasmus’ satirische meesterwerk in een geheel nieuw daglicht plaatst.

Hieronder kan je een deel van de vertolking beluisteren en een deel van de inleiding lezen.

Erasmus, dwarsdenker

Vorig jaar bracht Langereis een biografie van Erasmus uit, Erasmus, dwarsdenker, die een indringend en ongekend compleet portret van Erasmus schetst. 

Erasmus verpersoonlijkt de overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijd. Zijn betekenis voor de literatuur- én wetenschapsgeschiedenis is immens. Erasmus’ duizenden brieven over onderwerpen als gewetensdwang en drukpersvrijheid hebben niets aan zeggingskracht ingeboet. Maar het grootste deel van Erasmus’ leven en werk bleef onderbelicht. Sandra Langereis was de eerste biograaf die zijn levensverhaal recht doet door zijn enorme briefwisseling op de voet te volgen en de wording van zijn complete literaire erfenis te beschrijven. Ze toont hem als een sprankelende auteur en als brutale bijbelwetenschapper die het net zo hevig aan de stok kreeg met inquisiteurs als met Luther.

Erasmus verpersoonlijkt de overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijd

Erasmus’ levensverhaal werpt licht op een bewogen tijdvak: een eeuw van felle humor en grof geweld, van religieus fanatisme en strijd voor intellectuele vrijheid. Deze rijke biografie maakt de actualiteit van geschiedenis invoelbaar.

Beluister een fragment van Lof der Zotheid, voorgedragen door Jorn Heijdenrijk

 

 

Lees hier een deel van de inleiding door Sandra Langereis

Erasmus’ Lof der Zotheid verschijnt in 1511 en blijkt vrijwel meteen ’s werelds allereerste megabestseller. Het is een denkbeeldige theatervoorstelling. Van een als vrouw verklede man met een dubbeltalent voor ernst en humor, die de mensheid de ongemakkelijke waarheid vertelt met een goeie grap. De tekst is geboren uit boosheid en frustratie – zoals alle satire die ertoe doet.

Erasmus schrijft zijn klapper de Lof der zotheid in Londen, in het huis van zijn beste vriend Thomas More, pal aan de oever van de Thames. Daar ligt More’s roeischuit dag en nacht klaar om de begenadigde schrijver uit Holland in een oogwenk naar de koninklijke paleizen aan de overkant te brengen, indien Hendrik viii zich eindelijk eens zou verwaardigen Erasmus op audiëntie te laten komen. Bij More logeert Erasmus dan al een paar jaar lang. Terwijl de rest van het huis gevuld is met de drukte die hoort bij de opvoeding van More’s drie dochters werkt Erasmus in een eigen gastenkamer hard aan zijn levensproject: de reconstructie van de bijbel zoals de bijbel oorspronkelijk is bedoeld. Hij is een veertigjarige nergensman die nog nooit een eigen huis heeft bewoond, die zwerft van land naar land, gaat waarheen de wind hem blaast, en die zijn rondreis in het Italië van de renaissance waar hij zijn in heel Europa bejubelde Adagia heeft uitgegeven voortijdig heeft afgebroken om snel terug te keren naar Engeland, waar de oude koning in 1509 plots is overleden en de jonge koning Hendrik VIII hem gouden bergen schijnt te beloven.

In Engeland voelt Erasmus zich op zijn gemak. Hij zou er het liefst voor altijd willen blijven wonen. Hij weet zich daar gewaardeerd door goede vrienden, verlost van de roddels van jaloerse thuisblijvers in zijn oude klooster in de lage landen, verschoond van de misprijzende commentaren op zijn werk van arrogante orthodoxe theologen annex inquisiteurs in Parijs die hem in zijn studietijd al hadden laten merken geen enkel tegengeluid te dulden, en veilig ver van het internationale oorlogsgeweld en ingewikkelde politieke gekonkel in Italië. Om in Engeland te kunnen blijven wonen moet Erasmus Hendrik VIII en diens koninklijke raadsheren voor zich innemen. Ook zijn Engelse vrienden lobbyen voor Erasmus aan het hof. Iedereen hoopt dat Hendrik de onvergelijkelijk ijverige schrijver uit Holland een kerkelijk ambt wil bezorgen. Maar er gebeurt niets. En dat terwijl de ene na de andere Engelsman die helemaal niks presteert maar zich aan het hof wel als kruiperige hielenlikker manifesteert de meest lucratieve kerkelijke ambten in de schoot geworpen krijgt van de koning. Na twee jaar is Erasmus het zat. Nog langer beleefd zijn mond houden en stilletjes afwachten tot hij misschien ook eens aan de beurt komt voor een goedbetaald kerkelijk ambt dat hem van een economische toekomst zou verzekeren in zijn Engelse lievelingsland lijkt Erasmus ondertussen niet alleen de meest frustrerende, maar ook de minst nuttige optie. En hij klimt in de pen om de wereld te laten zien wie er nu écht iets te melden heeft over waar het naartoe moet in de waanwijze kerk en in het dom en doods gemaakte geloof.

In het huis van Thomas More zwoegt Erasmus dan al twee jaar lang onafgebroken op zijn radicaal-historische bijbelonderzoek. Hij is geboeid door de brieven van apostel Paulus in het Nieuwe Testament. Paulus was een tot inkeer gekomen christenvervolger die claimde Christus met eigen ogen te hebben gezien toen hij op de derde dag na de kruisiging opstond uit de dood. Daarna trok Paulus rond als apostel om Christus’ woorden te prediken en stuurde hij vermanende brieven naar de door hem met moeite bekeerde geloofsgemeenschappen langs de kust van de Middellandse Zee. In die brieven, die door zijn vertrouwelingen luid en duidelijk moesten worden voorgelezen aan de weifelende gelovigen, formuleerde Paulus als allereerste christelijke auteur de grote thema’s van het christelijke geloof. Regels zijn er om mensen te dienen; mensen zijn geen dienaars van regels. Hooggeleerde godskennis is futiel; geloof is voldoende en verlost de simpelste ziel. Het gespierde taalgebruik van de apostel fascineert Erasmus. Paulus schreef zijn brieven niet in stille afzondering studieus aan een bureau, besefte Erasmus als kenner van de oerbijbel: de apostel improviseerde zijn krasse vermaningen, druk gesticulerend, op de tippen van zijn tenen staand, zijn levendige voordracht als een ervaren orator dicterend aan zijn assistenten. In de van virtuoze redenaarskunst getuigende boze brief aan de verdeelde gelovigen in de Griekse stad Korinthe, die tot Paulus’ onverholen ergernis onderling ruzie waren gaan maken over wie de boodschap van Christus het best kon uitleggen, grossierde de apostel in verbale omkeringen en talige tegenstellingen. Paulus oreerde in die brief over de ‘waanwijsheid’ van arrogante schriftgeleerden en de ‘schijndwaasheid’ van simpele zielen: mensen die geen ruzie maakten over de uitleg van Christus’ boodschap en simpelweg hoop bouwden op hun onberedeneerde godsvertrouwen. Briljant woordspel, dat zelfs de onwilligste toehoorders in Korinthe de oren deed spitsen voor de gevatte donderpreek van hun verontwaardigde apostel.

Erasmus was verrukt van die hyperbolische brief aan de Korinthen. Zelf ergerde hij zich sinds zijn Parijse studietijd groen en geel aan de schijngeleerdheid van ouderwetse scholastieke theologen, die niets wilden weten van de oerhistorie van de bijbel, maar die met hun vergezochte geredetwist over de logica van het geloof wel heer en meester waren op de conservatieve middeleeuwse universiteiten, waar ze als inquisiteurs ook nog eens keiharde oordelen mochten vellen over de christelijkheid van hun medemensen. Erasmus wilde met zijn eigen bijbelonderzoek laten zien dat een écht priesterlijk ingesteld man van de kerk ook heel anders denken kon. De simpele doop maakte alle mensen zonder voorbehoud tot christen, vond Erasmus. Hoe iemand exact dacht of zelfs in dubio stond over zijn geloof deed er helemaal niet toe: over gedachten en twijfels had geen ene mens te oordelen, daarover ging alleen God – en God was onbevattelijk barmhartig. Bij wijze van voorproef op deze ruimdenkende priesterlijke boodschap besloot Erasmus in het huis van More om Paulus’ lof op de onwerelds wijze dwaasheid van een simpel geloof in Christus nieuw leven in te blazen. Maar aangezien hij bij voorbaat al kon voorspellen dat zo’n lof op de zotheid hem vijandige reacties en censuurmaatregelen van gediplomeerde godgeleerden en inquisiteurs zou opleveren nam hij zich voor zijn publiek op een dwaalspoor te brengen door van zijn Lof der zotheid een satire te maken. Om op die manier vriend en vijand in één moeite door te bewijzen dat ook een overtuigd bijbellezer humor kon hebben. En dat zelfs in de heilige godgeleerdheid een goeie grap altijd beter werkte dan gortdroog gedram.

 

Benieuwd naar meer? Dat vind je in deze boeken:

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief