leesfragment

‘Mary’ van Anne Eekhout

0

Mary Shelley verblijft op haar veertiende bij een familie in Schotland, waar een innige vriendschap ontstaat met Isabella Baxter. Op een dag stuiten ze diep in het bos op een man die geen man is. Vier jaar later brengt Mary met haar geliefde Percy Shelley een bezoek aan haar vrienden John Polidori en Lord Byron, bij het Meer van Genève. ’s Avonds bij het haardvuur vertellen ze elkaar verhalen. Dan dient ook het monster uit het bos zich weer aan, en vanuit die gedachte ontstaat haar verhaal over het monster van Frankenstein. 

Ontdek hier de eerste pagina’s van Mary van Anne Eekhout.

Mei 1816
Cologny, Genève

– Heksenuur –

Dit is het uur. Iedere nacht sterft ze, haar dochter. Ze ontdekt het pas in de ochtend, hoewel ze haar ’s nachts heeft zien liggen, zo rustig, hoofd vol van slaap. Maar ze weet dat het in dit uur gebeurd moet zijn, het heksenuur, want ze wordt altijd wakker. Meestal is het kort; slaat ze het afgegleden laken om zich heen, duwt haar neus tegen Percy’s warme rug; hij slaapzucht, zij slaapt in. Maar soms, soms trekt het haar het bed uit. Ze weet niet precies wat. Ze wil niet en ze is moe, ze wil door met slapen, door met deze nacht, voorbij dit uur, maar ze weet het al, ze moet het voelen. Iedere minuut van dit uur moet branden tegen haar huid. Want dit is wat ze de wereld in bracht. En dit is wat zo vlug verdween.

De veranda houdt haar droog, haar overjas houdt haar warm, maar even verderop is de wereld zichzelf aan het vernietigen. Ze zijn er nu twee weken, in Genève, en al sinds ze hier zijn voeren storm en onweer vrijwel iedere dag een uitzinnig ritueel uit. Mary houdt ervan als het weerlicht aanhoudt, zich uitstrekt als een kat en zo een aantal seconden lang de hemel verlicht, hem lichtpaars kleurt, alsof het een doek is, een tentdak boven de aarde, de dingen eronder onecht maakt, tot een verhaal maakt en ze tegelijk meer betekenis geeft; haar blote voeten op de veranda, het onkruid tussen het gras, de wilg bij het water, de Jura, oprijzend aan de andere kant van het meer, de boot, schommelend in een kom van licht.

De andere kant op, heuvelopwaarts, brandt er een zwak licht bij Albe en John. Dat stelt gerust. Dat zij wakker wordt iedere nacht om drie uur, maar Albe ten minste zelfs dan nog niet slaapt. Hij houdt de wacht. Ongetwijfeld met zijn blik op het papier, waar zijn veer chaotisch danst, de wereld in schrijft wat in hem al leeft.

Ze draait en wiebelt op haar tenen. In het duister kon ze haar laarsjes niet vinden. Kleine William wordt gemakkelijk wakker – hoewel de donder hem niets doet – en haar stiefzus Claire slaapt eindelijk. En in haar eigen bed ook nog. Ze lijkt wel een klein kind, en Percy neemt haar bij de hand als een vader. Nee, niet als een vader. Beslist niet als een vader.

Bliksem knalt door de lucht en zoemt na; op het wateroppervlak, tussen de boomtoppen, op haar huid. Storm is hier anders dan in Engeland. Wakkerder. Levender. Echter. Alsof ze het licht zou kunnen aanraken, vasthouden, alsof het haar vasthoudt. Het geraas, het diep gerommel heeft iets lichamelijks, alsof het zo kan toetreden tot de levenden. Toegang kan krijgen tot haar borstkas, haar hart, haar bloed. Er lijkt nooit een eind te komen aan de reeks dagen waarin het nacht schijnt, de zon zich zelden laat zien, de tuin moeras is, de natuur verstomt en soms zeggen ze het weleens tegen elkaar: misschien is dit het eind van de wereld. Het laatste oordeel. Maar dan lachen ze. Want ieder van hen weet: god bestaat alleen in dromen en kinderversjes. Mary wrijft in haar handen. Kilte bijt in haar tenen. En soms, denkt ze, als je heel, heel bang bent.

Maar terug in bed kan ze weer niet slapen.
Maar terug in bed kan ze weer niet slapen. De kou heeft zich in haar lijf genesteld en niets – geen deken, geen gedachte aan een haardvuur, geen warme rug van Percy – kan haar meer warm krijgen.

Het komt door Claire. Ze is nauwelijks jonger dan zij en soms denkt Mary dat het Claire goed zou doen als ze haar meer als haar echte zus zou zien. Maar iedere dag wordt het moeilijker Claire te accepteren, laat staan te helpen, te troosten, te vermaken. De mannen lijken het minder irritant te vinden. Albe schaart het zelfs onder vrouwengedrag, wat dat ook mag betekenen. Zij staat toch ook niet midden in een gesprek op om zich snikkend op de sofa te werpen terwijl ze zegt dat er niets, nee echt niets aan de hand is? Geen vrouwengedrag. Clairegedrag. Het streelt Percy, dat weet ze wel. Het streelt hem als Claire hem om de nek valt, hem vraagt poëzie voor te lezen tot ze in slaap valt, als ze lacht om zijn grappen met haar hoofd ver achterover, bleke huid van haar kin tot ver, ver beneden, haar borsten die vragen om blikken, om aanraking, om áándacht. Claire kan niet bestaan zonder aandacht. Ze zou waarschijnlijk sterven als ze drie dagen lang genegeerd zou worden. Dat heeft ze van haar moeder, van Mary Jane, die aandachtsziekte. Mary denkt dat haar vader geen idee had hoe hysterisch, hoe ijdel, hoe bazig Mary Jane was, tot hij met haar trouwde en zij en haar dochter Claire bij hen kwamen wonen. Al sinds Mary wist, rationeel wist, dat ze geen moeder had, was dat de belichaming van verdriet. Alle verdriet zakte in precies die vorm, werd bekeken in die spiegel. Maar vanaf het moment dat haar vader hertrouwde was dat de schaal waarop werd gewogen: deze moeder of geen moeder? En altijd kwamen haar gedachten op hetzelfde neer: geen moeder. Of tenminste, te leven met de verhalen over haar eigen, dode moeder, met de beeltenis boven het bureau van haar vader, van de vrouw die voor zoveel mensen van belang was: zo slim en moedig, zo eigenzinnig in haar leven en overtuigingen. Ze was er niet meer, Mary had haar nooit gekend, maar ze was overal. En bovenal: ze was volmaakt. Ze zou nooit boos worden op Mary. Ze zou haar beslissingen nooit afkeuren. Mary zou zich nooit schamen voor haar moeder. En ze zou nooit bang hoeven zijn haar liefde te verliezen. Haar moeder zou altijd van haar houden zoals ze op haar sterfbed had gedaan: Mary als haar kleine poppetje in haar armen, de zuivere, complete, onbevangen liefde zou nooit de kans krijgen te bedaren of bemorst te worden met dagelijksheid. En zo was haar moeder in Mary’s hoofd. Eigenlijk de perfecte moeder. Ondanks en dankzij het feit dat ze niet meer bestond.

_

Een donderslag, Percy draait zich met een kreun om.
Een donderslag, Percy draait zich met een kreun om. Zijn knie prikt in Mary’s zij. In het maanlicht dat tussen de kier van de luiken schijnt kan ze zijn gezicht ontwaren. Haar hartstochtelijk mooie elf. Ze kent geen man die met zulke fijne trekken en doorschijnende huid, als een satijnvlinder, bijna als een meisje, zo’n aantrekkingskracht op haar heeft. En zij is zijn grote liefde. Dat weet ze heus, maar makkelijk is het allemaal niet. Dat zijn levensfilosofie niet helemaal de hare is, misschien wel in theorie, maar dan toch niet in de praktijk, stelt hun liefde keer op keer op de proef. Misschien is het nog te verdragen dat hij zo nu en dan een andere vrouw liefheeft. Misschien. Maar dat het hem niets doet, hij haar zelfs aanmoedigt het bed te delen met een andere man, striemt haar ziel. Tegelijk ziet ze hem kijken als ze met Albe praat over diens gedichten, of over haar vader. Dat zijn de momenten dat de jaloezie bij hem toeslaat, denkt ze, in zijn ogen een koele angst. De jaloezie die hij dan voelt heeft niets te maken met haar. Percy is niet bang dat ze Albe zal verkiezen boven hem. Hij is bang dat Albe háár verkiest boven hem. Dat de grote wilde poëet Lord Byron haar interessanter vindt dan Percy Shelley, die nog zoveel leren moet. Heeft hij wel genoeg talent? Zeggingskracht? Percy heeft zijn hoop gevestigd op Albe. Zou hij hem het licht kunnen wijzen? Zou Albe hem raad kunnen geven, zijn mentor, misschien zelfs zijn vriend kunnen worden? Heel soms, als Percy zo onzeker is – o, hij zegt het niet, hoor, maar ze ziet het aan hem; de flauwe hoop in zijn ogen, het kinderlijke ongeduld in zijn bewegingen –, dan vreest ze heel even dat ze niet van hem houdt.

Ze kust hem zacht op zijn wang. Hij kreunt weer. Hij draait. De knie in haar zij verdwijnt. En de sluimer komt, eindelijk, opzetten. Ze voelt hoe de armen van de slaap zich uitvouwen als vleugels, haar strak omwikkelen, beschut, niet akelig, en haar bewustzijn meenemen.

•••

Na de reis, die hem niet erg leek te bevallen, nou ja, kinderen zijn niet gemaakt om te reizen, lijkt William zich goed thuis te voelen in maison Chapuis. De kamers zijn groot en licht, hoge ramen die uitzicht bieden op de grote tuin, het meer, de Jura erachter. En op de regen, natuurlijk. Op de steengrijze lucht. Hij is nog te jong om rond te kruipen. Anders had ze hem ongetwijfeld heel de dag na moeten zitten door alle kamers, hem weghoudend bij de haard, bij boekenkasten, tafelpunten. Maar hij heeft net geleerd zich om te draaien, van zijn rug op zijn buik, en meer zal het voorlopig niet zijn. Haar Willmouse is vijf maanden oud en ze geniet iedere dag van hem. Toch kan ze de gedachte aan haar, haar eerste, niet loslaten. Als ze had geleefd, had ze hier rondgewaggeld. Korte, mollige beentjes, blote voetjes stap-stap van het haardkleed op de glanzende houten planken, over de drempel stap-stap, hobbelend in de gang, naar de trap, nee, dat mag niet, kom maar, terug aan de hand, goed zo. Kijk, daar is je broertje, aai hem maar.

‘Gaat het?’ Claire ploft naast Mary op de sofa. William, die net zijn ogen toedeed, opent ze weer. Claire kietelt hem onder zijn kin. ‘Je zit zo voor je uit te staren.’

Claire begrijpt, zelfs na al die jaren, niet dat Mary soms van de wereld is.
Mary knikt. Claire begrijpt, zelfs na al die jaren, niet dat Mary soms van de wereld is. Maar Claire is niet hetzelfde als zij, niet in bloed, niet in temperament en niet in empathie. Alleen, af en toe, in een gedeeld lot, in een onbedaarlijke lachbui wanneer Claires moeder en Mary’s vader vol spanning het huis in orde maken voor gasten. Zo kunnen alleen volwassenen zijn, denken ze, zien ze in elkaars ogen, zo worden wij nooit. Maar dat is lang geleden. Ze heeft ze al tijden niet gezien, haar vader en Mary Jane. Het is zo moeilijk nu, sinds ze met Percy is, sinds haar kleine meid.

‘Ik ben een beetje moe,’ zegt Mary. ‘Hoe was het bij Albe?’

‘O, goed,’ zegt Claire. Ze windt een haarlok om haar vinger. ‘Hij heeft ons uitgenodigd voor het eten. Crackers en bonen, ongetwijfeld.’

Albes eetgewoonten kunnen Claire niet bekoren. Die van Mary en Percy ook niet trouwens. Ze mist het vlees.

‘Je kunt ook niet gaan,’ zegt Mary. Ze heeft er direct spijt van.

‘Natuurlijk wel.’ Claire zet grote ogen op. ‘Albe wou dat ik kwam. Dat zei hij.’

Mary staat op, William is weer weggedommeld. Zijn mooie bleke snoet. Niet te bleek worden, Willmouse, fluistert ze in haar hoofd. Zonder nog iets te zeggen verlaat ze de kamer om William in zijn wieg te leggen. Slaap maar fijn. Straks word je weer wakker.

•••

‘Mary.’ Albe omhelst haar. Hij ruikt naar kamille en iets zoets, zijn stoppelbaard langs haar wang. ‘Fijn dat je bent gekomen. Ik wil je heel graag iets laten lezen.’

Mary ziet Percy’s onvermogen om zich bij hen aan te sluiten en zijn geërgerdheid over dit onvermogen in zijn korte glimlach. Hij volgt Claire naar de salon. Albe pakt een kandelaar van het dressoir en neemt Mary aan de hand mee door de hal naar een donker vertrek aan de achterzijde van het huis. Villa Diodati is een heel stuk groter dan hun huis, maar Chapuis ligt mooier, denkt ze. Albes huis is donkerder, omgeven door dicht bebladerde bomen, als eeuwige strenge wachters. Binnen heb je zelfs overdag nog kaarsen of een lamp nodig. De deurposten, de kozijnen en lambrisering, de talloze boekenkasten zijn van mahonie, de vloerkleden kamerbreed, in rood of blauw, met vrijwel even donkere patronen. Ook in Albes werkkamer is bruin de grondtoon. Het avondlicht valt tussen de slierten klimop die over de ramen kruipen. Albe zet de kandelaar op zijn bureau en schuift losse papieren bij elkaar.

‘Kom.’ Hij wenkt Mary vanachter zijn bureau. ‘Ik werk aan een nieuw deel van Childe Harold. Ik denk dat het goed wordt. Ik wil graag dat je het leest en zegt wat je vindt.’

Er is iets aan de manier waarop Albe het haar vraagt waardoor ze voelt dat het onnodig is om zich vereerd te voelen, omdat hij haar als zijn gelijke beschouwt. Tenminste, als criticus.

‘Graag,’ zegt ze dus. ‘Ik wil het graag lezen.’

Albe rolt de papieren op. ‘Het zijn kopieën. Maak gerust aantekeningen.’ Hij geeft ze haar. ‘Shelley mag ze ook lezen. Als hij zin heeft.’

Percy zal zeggen – tegen haar – dat hij ze niet wil lezen. Hij zal ze wel lezen.

‘Ik zou ook graag eens meer van jou lezen. Iets wat is ontstaan in jouw hoofd, niet erbuiten.'
‘Mary.’ Het kaarslicht valt in het lichte bruin van zijn ogen, maakt ze dieper. ‘Ik zou ook graag eens meer van jou lezen. Iets wat is ontstaan in jouw hoofd, niet erbuiten. Een echt verhaal, een gedicht.’

‘Misschien ben ik een schrijver zoals mijn ouders,’ zegt ze. ‘Kan ik alleen maar over echte dingen schrijven.’

‘Ik weet vrij zeker van niet.’ Albe glimlacht. ‘Is het verschil tussen echt en onecht dan zo groot?’

•••

Percy zit naast haar aan tafel. John, Albes vriend en lijfarts, aan haar andere zijde. Claire – natuurlijk – naast Percy én naast Albe, die haar de meeste tijd negeert. Soms, als hij flink wat wijn heeft gedronken, wat heeft gerookt, of gewoon in een goede bui is, praat Albe echt met Claire. Soms kust hij haar, verdwijnen ze een tijdje uit zicht. Op zulke momenten pro­beert Mary niet op Percy te letten, want ook al doet hij niets anders dan anders, ze ziet in al zijn bewegingen de onrust van een gecompliceerd soort verlies. Ze weet niet precies wat hij vreest te verliezen. Misschien lijkt het op wat zij vreest.

Sinds Percy haar de salon zag inkomen met Albe en de rol papieren in haar hand heeft hij zijn best gedaan om haar niet aan te kijken en zich met Claire bezig te houden. Dat is lastig, want als je Claire je aandacht geeft, laat ze niet meer los en raak je gemakkelijk verstrikt in roddels over bekenden in Londen en haar hartstochtelijke angst voor allerlei dingen waar ze als kind al panisch voor was en waar ze nooit overheen is gekomen: de duivel, heksen, patronen in het vuur, patronen in de wolken, fluisteringen die de wind meeneemt. Heel soms denkt ze dat Claire ervan geniet. Dat de troost de beloning is. De angst het allemaal waard.

‘Adeline heeft asperges gevonden op de markt,’ zegt Albe vreselijk opgewekt.

De asperges zijn goed gekruid maar vezelig. Ze moeten een beetje lachen. John grijnst naar Mary. Adeline kan voornamelijk goed vlees bereiden, had ze gezegd toen Albe haar als kokkin en huishoudster aannam. Gelukkig kan ze ook brood bakken en is er meer dan genoeg wijn. Albe schenkt telkens als een glas halfleeg is bij.

‘Hoe gaat het met William?’ Mary weet niet of het John echt interesseert, maar hij vraagt het haar vrijwel iedere dag.

‘O,’ roept Claire, ‘William is zo’n schatje. Hij lachte naar me vandaag.’

‘Welke man lacht nou niet naar jou?’

Van iedere andere man zou Mary zo’n opmer­king irritant hebben gevonden, niet van John.
Ze gelooft niet dat hij het meent, noch dat hij het schertsend bedoelt. Van iedere andere man zou Mary zo’n opmer­king irritant hebben gevonden, niet van John. John heeft een manier om mensen op hun gemak te stellen, hij weet precies wat hij moet zeggen, en op welke toon.

‘Hij is op tijd gaan slapen vandaag, goddank,’ zegt Mary. ‘We hebben een kindermeisje gevonden, Elise.’

‘Goed zo,’ zegt Albe.

‘We hebben er eigenlijk geen geld voor, maar goed.’ Percy neemt een grote slok wijn, kijkt haar niet aan.

‘Zie het als een investering in Mary’s toekomst,’ zegt John. ‘Hoe kan ze nou schrijven als er steeds een baby aandacht wil?’

Claire knikt gretig.

‘Niet zo zeuren, Shelley, je zit erbij als een ouwe vent. We zijn in Zwitserland, kijk eens om je heen!’ Albe gooit zijn armen de lucht in. ‘Je bent hier met je vrouw, met je kind. Met mij.’ Ze moeten lachen, ook Percy, maar Mary betwijfelt of Albe het bedoelde als grap.

‘Ik heb je vrouw iets te lezen gegeven. Het zou me een eer zijn als jij er ook naar wilt kijken.’

Het verschil in Percy’s ogen, zijn gezicht, zijn hele houding is onvoorstelbaar. Binnen een fractie van een seconde is alles in hem opgeklaard. Van een nukkige man is hij een verlangend, dankbaar jongetje geworden. Mary voelt zich opgelucht en, tegelijk, teleurgesteld. In Albe, in Percy of in zichzelf.

_

Na het eten gaan ze terug naar de salon, waar het vuur flink moet worden opgestookt. Ook deze avond onweert het. De eerste klap voelt alsof iemand Mary’s hart vastgrijpt.

‘Het ziet er niet goed uit,’ zegt John met een blik naar buiten.

Achter het raam kolkt de lucht in een herhaling van grijs naar donkerblauw naar zwart. Het laatste daglicht zal zo helemaal verdwenen zijn. De regen striemt tegen de ruiten als zweepslagen. Elise zal bij William blijven tot ze terug zijn. Het idee dat hij krijsend in zijn wieg ligt, niemand die hem hoort, zijn schreeuwen gestolen door de wind, doet haar borst verkrampen. Het zal nooit meer worden als toen, moet ze tegen zichzelf zeggen. Nu is er altijd iemand bij hem. Om te voorkomen dat hij heel plotseling en zacht verdwijnt.

Er wordt weer ingeschonken, maar dit keer is de wijn gemengd met laudanum, waarschuwt John.
Er wordt weer ingeschonken, maar dit keer is de wijn gemengd met laudanum, waarschuwt John. Hij is arts, dus ze vertrouwen hem in het bereiden van de drank. Mary weet dat Sam Coleridge, een goede vriend van haar vader, het vaak gebruikt, dat hij zweert bij het middel als hij schrijft, dus ze is betrekkelijk nieuwsgierig. Ze kan zich niet herinneren het ooit te hebben gekregen, hoewel ze vroeger toch regelmatig ziek was. De bittere smaak haalt een onbestemde herinnering in haar boven. Een gevoel eerder, als een droom; een hand die over zijden lakens naar haar toe glijdt. Percy en Albe zijn in een gesprek over elektriciteit verzeild geraakt. Percy zit naast haar, streelt gedachteloos haar arm, terwijl hij luistert naar Albe, die een verhaal vertelt over kikkers die door middel van galvanisme tot leven werden gebracht.

‘Levenskracht,’ herhaalt Percy en hij staart naar het vuur. ‘Dat is het bewijs, is het niet?’

‘Bewijs van wat?’ vraagt John.

‘Dat er geen god kan zijn. Als er een levenskracht is die de mens kan beheersen, is het onlogisch, zo niet onmogelijk dat er een god is.’

‘Wat een onzin,’ zegt John. ‘Dat is geen bewijs.’

‘Als er een god bestaat, zou die levenskracht, en de toe­wijzing ervan, alleen aan hem toebehoren, toch?’ Percy krijgt zijn tweede met laudanum versterkte wijn.

‘Nog steeds geen bewijs,’ zegt John. ‘Wat jij denkt dat god toebehoort is nog geen wetenschap.’

‘Luister naar mijn dokter,’ zegt Albe, ‘dokter Polidori weet álles.’

‘Ik weet helemaal niet alles,’ gaat John veel te serieus door, ‘maar ik weet wel wat bewijs is. Wijn?’ vraagt hij aan Mary en ze knikt, want ze voelt het laudanum binnenkomen en daarmee vergeet ze de smaak. Ze laat zich een stukje dieper in de kussens van de sofa zakken.

Claire hangt in een stoel naast de haard, half liggend, met wijd opengesperde ogen. Het is niet te zien of ze luistert. Af en toe flitst achter haar de bliksem en schrikt ze, alsof ze een schokje krijgt.

‘Claire maar niet meer,’ zegt John.

Hij gaat bij Mary’s voeten op het vloerkleed zitten, half tegen haar benen aan, en het lijkt een gebaar bijna, een vriendelijk, vriendschappelijk gebaar, dat haar plotseling ontroert.

‘Maar…’ Albe leunt voorover, ‘dat er geen bewijs is dat er geen god bestaat, wil niet zeggen dat er wel een god bestaat. Dus laten we voor de goede orde even aannemen dat er geen god bestaat.’

‘Wat ook zo is,’ mompelt Percy. Hij maakt de gespen van zijn laarzen los en trekt ze uit. Hij legt zijn benen op Mary’s schoot, zijn hoofd op de armleuning.

Sinds wanneer voelen we ons allemaal zo thuis?
Sinds wanneer voelen we ons allemaal zo thuis? denkt Mary. Ze voelt zich plots oud en ouderwets. Ze wil ook iets raars doen.

‘Hoe dan ook,’ gaat Albe verder terwijl hij een klein pijp­je uit de zak van zijn jasje haalt, ‘het idee dat mensen zelf levenskracht kunnen opwekken door middel van elektriciteit is heel interessant. Dat je dode materie tot leven kunt brengen. Stel je voor: je dode grootmoeder terug in leven.’ Hij lacht breed.

Maar Mary denkt niet aan grootmoeders. Of het nu gaat over de dood, over oorlog, over wijn of over de natuur, Mary’s brein weet altijd wel een weggetje te vinden dat naar haar kleine meisje leidt, naar haar eerste kind. En als ze zich afvraagt of ze wil dat dit ooit voorbijgaat, weet ze hier geen antwoord op.

Ze praten verder, de mannen, maar ze luistert niet meer. Ze kan niet meer luisteren. Ze heeft haar hand in het haar van John gelegd. Gedachten hebben geen logische volgorde meer, geen begin, geen eind, geen aanleiding of noodzaak. Ze bestaan gewoon zoals ze zijn: los en onzinnig, maar niettemin overdonderend. Het breken van glas, de jammerlijke schreeuw van iets onvoorstelbaars, een vis zo groot als een schip, maanlicht dat langs kieren naar binnen kruipt, een onuitsprekelijk angstwekkend hoofd, een slang, zo glibberig als gelei, die door haar vingers glipt. Uiteindelijk glipt alles door haar vingers. Want zo gaat het.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief