leesfragment

‘Meisje zonder leugens’ van Michael Robotham

Zij weet wie er liegt. Maar wie kent haar leugens?

Evie Cormac is een meisje zonder familie. Ze houdt haar identiteit al jarenlang geheim – alleen daardoor is ze veilig. Maar forensisch psycholoog Cyrus Haven is vastbesloten erachter te komen wie Evie is.
Intussen zijn machtige mensen op zoek naar Evie, de enige getuige van hun misdaden. Evies gave om te zien wanneer iemand liegt helpt Cyrus bij het oplossen van een onmogelijke zaak, maar hoe verder hij Evies verleden weet te ontrafelen, hoe meer hij haar blootstelt aan gevaar…

Lees hier alvast de eerste pagina’s van Meisje zonder leugens, de nieuwste thriller van Michael Robotham.

1

CYRUS

Mei 2020

Het eind van de lente. Een koude ochtend. Een houten bootje doemt op uit de mist en glijdt met elke ruk aan de roeispanen vooruit. De binnenhaven is zo glad dat elke rimpeling die zich verspreidt duidelijk zichtbaar is voordat hij tegen de boeg breekt.

De roeiboot glijdt langs de muur van grijze steen, langs trawlers en jachten, totdat hij een smal kiezelstrand bereikt. De eenzame roeier springt eruit en sleept de boot verder de steentjes op, waar hij dronken scheefzakt en er stuntelig uitziet, zo op het land. Weg is de elegantie.

De capuchon van een parka wordt naar achteren geschoven en een bos haar springt alle kanten op. Echt rood haar. Zo rood als vuur. Zo rood als de dageraad. Ze trekt een haarelastiekje van haar pols en bindt de haarlokken bijeen tot een staart die midden over haar rug naar beneden hangt.

Het raam van mijn kamer is beslagen door mijn adem. Ik trek mijn mouw over mijn vuist en veeg het vierkante ruitje droog om het beter te kunnen zien. Daar is ze dan eindelijk. Ik wacht al zes dagen. Ik heb over de trottoirs gewandeld, de vuurtoren bezocht en de menukaart van O’Neill’s Bar & Restaurant afgewerkt. Ik heb de ochtendkranten en drie afgeprijsde boeken gelezen en naar de plaatselijke alcoholisten geluisterd die me hun levensverhaal vertelden. Voornamelijk vissers, met handen zo knoestig als gemberwortels en ogen die ook als de zon niet schijnt half dichtgeknepen zijn tegen het felle licht.

Zich over de roeiboot buigend trekt ze aan een zeil, waaronder plastic kratten en kartonnen dozen blijken te staan. Ze gaat, zoals elke veertien dagen, boodschappen doen. Met een stapel dozen in haar armen loopt ze de trap vanaf het strand op en steekt de kinderkopjes over. Ik volg haar met mijn blik terwijl ze over de boulevard loopt, langs gesloten kiosken en toeristenwinkeltjes naar een supermarktje, waar binnen licht brandt. Ze stapt over een stapel kranten heen en klopt aan. Een man van middelbare leeftijd, met een rode neus en roze wangen, trekt een jaloezie omhoog en knikt herkennend. Hij draait de deur van het slot en wenkt haar naar binnen. Hij onderbreekt het gebaar even om de straat af te turen, misschien wel op zoek naar mij. Hij weet dat ik zit te wachten.

Ik trek snel een spijkerbroek, sweatshirt en schoenen aan en loop de trap van de pub af naar een zijingang. Buiten ruikt het naar drogend zeewier en houtrook; de heuvels in de verte hebben een oranje randje waar God de ovendeur heeft geopend en de kolen opgestookt voor een nieuwe dag.

De bel aan een metalen arm rinkelt.
De bel aan een metalen arm rinkelt. De winkelier en de vrouw draaien zich naar me om. Ze hebben allebei een dampende beker in hun hand, uit dezelfde bij elkaar passende set. Ze zet zich schrap, alsof ze wil vechten of vluchten, maar ze geeft niet aan de neiging toe. Ze ziet er anders uit dan op de foto’s. Kleiner. Haar gezicht is rood en geïrriteerd door de wind, haar handen zitten onder het eelt en haar linker duimnagel is zwart waar hij tussen twee harde voorwerpen ingeklemd heeft gezeten.

‘Sacha Hopewell?’ vraag ik.

Ze steekt haar hand in de zak van haar parka. Heel even zie ik een wapen voor me. Een vismes of een bus traangas.

‘Ik heet Cyrus Haven. Ik ben psycholoog. Ik heb u geschreven.’

‘Dat is hem,’ zegt de winkeleigenaar. ‘Degene die naar je vroeg. Zal ik Roddy op hem afsturen?’

Ik weet niet of Roddy een hond of een mens is.

Sacha wurmt zich langs me heen en pakt allerlei boodschappen van de schappen. Ze laadt een winkelkarretje vol met pakken rijst en bloem, blikken groenten en compote. Ik loop achter haar aan door het gangpad. Aardbeienjam. Houdbare melk. Pindakaas.

‘U hebt zeven jaar geleden een kind gevonden in een huis in NoordLonden. Ze had zich verstopt in een geheime kamer.’

‘U ziet me voor iemand anders aan,’ zegt ze.

Ik pak een foto uit de zak van mijn jack. ‘Dit bent u.’

Ze werpt een vluchtige blik op de foto en gaat verder met het inslaan van droge waren.

Op de foto staat een jonge agente in een zwarte legging en een donkere trui. Met een vies, verwilderd kind in haar armen loopt ze een ziekenhuis binnen. Het gezicht van het meisje wordt aan het oog onttrokken door wild haar vol klitten, en ze klemt zich als een koala aan een boom aan Sacha vast.

Ik pak nog een foto uit mijn zak.

‘Zo ziet ze er nu uit.’

Sacha blijft abrupt staan. Ze kan het niet helpen: ze kijkt naar de foto. Ze wil weten wat er van dat meisje is geworden: Engelengezicht. Het meisje in de kist. Toen een kind nog, nu een tiener. Op de foto zit ze op een betonnen bankje, gekleed in een gescheurde spijkerbroek en een baggy trui met een gat in een elleboog. Haar haar is langer en blond geverfd. Ze fronst eerder dan dat ze glimlacht naar de camera.

‘Ik heb er nog meer,’ zeg ik.

Sacha wendt haar blik af, reikt langs me heen en pakt macaroni uit het schap.

‘Ze heet Evie Cormac. Ze woont in een beveiligde jeugdinrichting.’
‘Ze heet Evie Cormac. Ze woont in een beveiligde jeugdinrichting.’

Ze pakt de stang van het winkelkarretje en loopt verder.

‘Ik zou naar de gevangenis kunnen gaan door u dit te vertellen. Haar identiteit en locatie mogen niet onthuld worden en er mogen geen foto’s van haar worden gemaakt.’

Ik ga pal voor haar staan. Ze loopt om me heen. Ik volg haar bewegingen. Het lijkt net alsof we in het gangpad aan het dansen zijn.

‘Evie heeft nooit gepraat over wat er in dat huis met haar is gebeurd. Daarom ben ik hier. Ik wil uw verhaal horen.’

Sacha wurmt zich langs me. ‘Lees de politieverslagen maar.’

‘Ik heb meer informatie nodig.’

Ze is bij de koelafdeling aangekomen, waar ze een vrieskist openschuift en erin begint te rommelen.

‘Hoe hebt u me gevonden?’ vraagt ze.

‘Dat was niet makkelijk.’

‘Hebben mijn ouders u geholpen?’

‘Ze maken zich zorgen om u.’

‘U hebt ze in gevaar gebracht.’

‘Hoezo?’

Sacha geeft geen antwoord. Ze zet haar karretje in de buurt van de kassa en haalt er nog een. De man met de rode neus staat niet langer bij de toonbank, maar ik hoor zijn voetstappen op de verdieping boven ons.

‘U kunt niet blijven weglopen,’ zeg ik.

‘Wie zegt dat ik wegloop?’

‘U verstopt zich. Ik wil u helpen.’

‘Dat kunt u niet.’

‘Laat me Evie dan helpen. Ze is anders. Bijzonder.’

Voetstappen op de trap. Er verschijnt nog een man in de deuropening achter in de supermarkt. Jonger. Sterker. Met ontbloot bovenlijf. Hij draagt een joggingbroek die zo laag op zijn heupen hangt dat ik een randje schaamhaar kan zien. Dit moet Roddy zijn.

‘Dat is hem,’ zegt de man met de rode neus. ‘Hij snuffelt al de hele week rond in het dorp.’

Roddy pakt een harpoengeweer met een handvat van polyamide en een harpoen van roestvrij staal achter de toonbank vandaan. Mijn eerste reactie is bijna om te gaan lachen omdat het wapen zo onnodig en misplaatst is.

‘Valt hij je lastig, Sacha?’
Roddy kijkt dreigend. ‘Valt hij je lastig, Sacha?’

‘Ik kan dit prima zelf af,’ antwoordt ze.

Roddy legt het harpoengeweer tegen zijn schouder als een soldaat tijdens een parade.

‘Is hij een ex van je?’

‘Nee.’

‘Moet ik hem van de kade gooien?’

‘Dat is nergens voor nodig.’

Roddy heeft duidelijk een oogje op Sacha. Kalverliefde. Hij kan niet aan haar tippen.

‘Ik trakteer u op ontbijt,’ zeg ik.

‘Ik kan heel goed mijn eigen ontbijt betalen,’ antwoordt ze.

‘Dat weet ik. Ik wilde u niet… Geef me een halfuur. Om u te overtuigen.’

Ze pakt tandpasta en mondwater uit het schap. ‘Als ik u vertel wat er is gebeurd, laat u me dan met rust?’

‘Ja.’

‘Geen telefoontjes. Geen brieven. Geen bezoekjes. En u valt mijn familie niet meer lastig.’

‘Afgesproken.’

Sacha laat haar boodschappen in de supermarkt staan en zegt tegen de eigenaar dat ze zo terug is.

‘Zal ik met je meegaan?’ vraagt Roddy, die aan zijn navel krabt.

‘Nee, dat hoeft niet.’

Het café ligt naast het postkantoor in hetzelfde brede uit bakstenen opgetrokken gebouw, dat uitkijkt op een brug en de getijdengeul. Er staan een tafel en stoelen op de stoep, onder een gestreepte luifel die versierd is met snoeren kerstverlichting. Het menu is met de hand op een krijtbord geschreven.

Een vrouw met een schort om zet omgedraaide stoelen weer op hun poten en stoft ze af.

‘De keuken gaat pas om zeven uur open,’ zegt ze met een Cornish accent. ‘Ik kan wel thee voor jullie zetten.’

‘Dank je wel,’ antwoordt Sacha, die een lange gecapitonneerde bank kiest, die uitkijkt op de deur, zodat ze de stoep en het parkeerterrein kan zien. Macht der gewoonte.

‘Ik ben hier alleen,’ zeg ik.

Ze kijkt me zwijgend aan.
Ze kijkt me zwijgend aan, zittend met haar knieën tegen elkaar en haar handen op haar schoot.

‘Het is een mooi dorpje,’ zeg ik, en ik werp een blik op de vissersboten en jachten. De eerste zonnestralen vallen op de toppen van de masten. ‘Hoelang woon je hier al?’

‘Dat is niet belangrijk,’ antwoordt ze. Ze steekt haar hand in haar zak en haalt er een tubetje lippenbalsem uit, waarvan ze wat op haar lippen smeert. ‘Laat me de foto’s eens zien.’

Ik haal nog vier foto’s tevoorschijn en schuif ze over de tafel. Op de foto’s staat Evie zoals ze nu is, bijna achttien.

‘Ze verft haar haar vaak,’ leg ik uit. ‘In verschillende kleuren.’

‘Haar ogen zijn niet veranderd,’ zegt Sacha, die met haar duim over Evies gezicht strijkt, alsof ze de contouren naloopt.

‘In de zomer heeft ze sproetjes,’ zeg ik. ‘Dat vindt ze vreselijk.’

‘Ik zou een moord doen voor haar wimpers.’

Sacha legt de foto’s naast elkaar en verandert de volgorde omdat ze die zo mooier vindt, of omdat ze een onuitgesproken ontwerp volgt. ‘Zijn haar ouders ooit gevonden?’

‘Nee.’

‘En DNA? Vermiste personen?’

‘Ze hebben over de hele wereld gezocht.’

‘Wat is er met haar gebeurd?’

‘Ze is onder bescherming van het gerecht gesteld en heeft een nieuwe naam gekregen omdat niemand wist wat haar echte naam was.’

‘Ik had echt verwacht dat er iemand voor haar zou komen.’

‘Daarom ben ik hier. Ik hoop dat Evie iets tegen je gezegd heeft – je een aanwijzing heeft gegeven.’

‘Dat is tijdverspilling.’

‘Maar jij hebt haar gevonden.’
‘Maar jij hebt haar gevonden.’

‘Meer ook niet.’

De volgende stilte duurt langer. Sacha stopt haar handen in haar zakken om het bewegen tegen te gaan.

‘Hoeveel weet je?’ vraagt ze.

‘Ik heb je verklaring gelezen. Die is twee pagina’s lang.’

De klapdeuren van de keuken gaan open en er worden twee potten thee gebracht. Sacha klapt het dekseltje open en haalt het theezakje op en neer.

‘Ben je in het huis geweest?’ vraagt ze.

‘Ja.’

‘En heb je de politieverslagen gelezen?’

Ik knik.

Sacha schenkt thee in haar kopje.

‘Ze hebben Terry Boland in de voorste slaapkamer boven gevonden. Aan een stoel gebonden. Met een prop in zijn mond. Hij was doodgemarteld. Er was zuur in zijn oren gegoten. Zijn oogleden waren weggebrand.’ Ze huivert. ‘Het was het omvangrijkste moordonderzoek in jaren in Noord-Londen. Ik was vrijwillig agente op het politiebureau van Barnet. De recherchekamer was op de eerste verdieping.

Boland was al twee maanden dood, daarom duurde het vrij lang voordat hij werd geïdentificeerd. Nadat ze een artist’s impression van zijn gezicht hadden vrijgegeven, belde zijn ex-vrouw de hotline. Iedereen was verbaasd toen de naam Boland opdook, want hij stelde maar weinig voor: hij stond één treetje boven een kruimeldief, met een waslijst aan geweldplegingen en inbraken. Iedereen had een link met de onderwereld verwacht.’

‘Was je betrokken bij het onderzoek?’

‘Hemel, nee. Een vrijwillige agent is een manusje-van-alles, die de rotklusjes opknapt en contact onderhoudt met de gemeenschap. Ik passeerde de rechercheurs van Moordzaken vaak op de trap en hoorde ze praten in de pub. Toen ze geen aanwijzingen konden vinden, begonnen ze te opperen dat Boland een drugsdealer was die de verkeerde mensen had opgelicht. De plaatselijke bevolking kon rustig slapen, want de slechteriken moordden elkaar wel uit.’

‘Wat vond jij daarvan?’

‘Ik werd niet betaald om een mening te hebben.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief