leesfragment

‘Meneer Wilder en ik’ van Jonathan Coe

0

In de zomer van 1977 vertrekt de naïeve jonge Calista op wereldreis. Bij toeval werkt ze daar voor de fameuze regisseur Billy Wilder. Terwijl Calista geniet van het avontuur, realiseert Wilder zich dat zijn carrière zo goed als voorbij is. Wanneer Calista hem volgt naar München voor het filmen van wat extra scènes, wordt ze deelgenoot van Wilders duistere familiegeschiedenis.
Meneer Wilder en ik is zowel een tedere coming-of-ageroman als een portret van een van de meest intrigerende mensen uit de filmwereld.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van het recentste boek van Jonathan Coe.

Londen

Zeven jaar geleden stond ik op een winterochtend op een roltrap. Het was een van de roltrappen waarmee je van de perrons van de Piccadilly Line op station Green Park op straatniveau komt. Als je ooit op een van die roltrappen hebt gestaan, weet je wel hoe lang ze zijn. Het duurt ongeveer een minuut om van beneden naar boven te komen, en voor een ongeduldig ingestelde vrouw als ik is een minuut stilstaan veel te lang. Hoewel ik die ochtend niet echt haast had, begon ik al gauw omhoog te lopen. Ik passeerde de stilstaande passagiers aan de rechterkant – met de gedachte ‘Ik mag dan bijna zestig zijn, maar ik kan het nog steeds, ik ben nog steeds fit’ – tot ik, op ongeveer driekwart van de weg omhoog, niet verder kon. Een jonge moeder stond aan de rechterkant en links van haar, hand in hand, stond haar dochter, een meisje van een jaar of zeven, acht. Ze had blond haar en droeg een rood regenjasje met capuchon waardoor ze een beetje leek op het meisje dat ver‑ drinkt in het begin van Don’t Look Now. (Ik associeer alles met films, ik kan er niets aan doen). Er was niet genoeg ruimte om me langs haar te wurmen, en bovendien wilde ik het schattige tafereel van verbondenheid tussen een moeder en haar kind niet verstoren. Dus wachtte ik tot ze boven aan de roltrap waren, en keek ik hoe het meisje zich klaarmaakte om eraf te springen. Zelfs van achteren zag ik hoe ze zich voorbereidde, haar ogen waren ongetwijfeld gefixeerd op de bewegende treden voor haar, de spieren in haar kleine ledematen gespannen en vervolgens, toen het moment was aangebroken, volgde de plotselinge krachtsexplosie bij de sprong en landde ze veilig en wel op terra firma, waarna ze, ongetwijfeld opgelucht en uitgelaten vanwege haar hoogstandje, twee

En waarschijnlijk door die huppelpasjes, meer dan door wat dan ook, sloeg mijn hart een keer over.
huppelpasjes maakte, nog steeds hand in hand met haar moeder die daardoor lichtelijk naar voren werd getrokken. En waarschijnlijk door die huppelpasjes, meer dan door wat dan ook, sloeg mijn hart een keer over, hapte ik even naar adem en keek ik vol verwondering en verlangen toe hoe de moeder en haar dochter in de richting van de poortjes liepen. Ik moest meteen aan mijn eigen dochters denken, Francesca en Ariane, die allang niet meer klein waren, en hoe voor hen, toen ze zeven of acht waren, simpel‑ weg lopen soms niet genoeg was, het voelde vermoedelijk te gewoontjes en te saai om de diepe vreugde van het bewegen tot uiting te brengen, hun pas ontdekte besef van hun plek in de fysieke wereld, waardoor ook zij soms op een willekeurig moment opeens begonnen te huppelen of te springen, waarbij ze mij meetrokken, elk aan een hand, en soms begon ik ook te huppelen, om ze bij te houden en te laten zien dat ik net als zij kon genieten van de wereld, een genot dat mijn middelbare leeftijd nog niet uit me had gezogen.

Al die gedachten schoten door me heen terwijl ik keek hoe de moeder en haar dochter naar de poortjes liepen, en ze zwollen aan en versmolten tot een onverwacht en overweldigend gevoel van verlangen en verlies, waardoor alle kracht uit me vloeide en ik naar adem snakte. Ik stapte uit de eindeloze mensenstroom en probeerde weer op adem te komen met mijn hand op mijn borst tot ik weer in staat was om in die stroom mee te gaan, om door te gaan met het leven, ik hield mijn openbaarvervoerkaart tegen de kaartlezer, liep door het poortje en daarna richting Piccadilly in het bleke ochtendlicht.

Ik liep heel langzaam over Piccadilly en dacht terug aan wat ik zojuist had gezien en wat voor gevoelens dat had opgeroepen. Morgen zou Ariane, de oudste van de tweeling (vijfenveertig minuten) eindelijk het huis uitgaan en naar de andere kant van de wereld vliegen. Ik zou haar naar Heathrow brengen, haar uitzwaaien bij de ingang van de vertrekhal terwijl ik deed alsof ik blij voor haar was vanwege de geweldige kansen die haar in Sydney wachtten. Daarna hadden mijn man en ik alleen Fran nog maar, die de afgelopen weken plotsklaps en schokkend de overgang had gemaakt van kind naar probleem‑ geval, een probleem dat ons allebei perplex had doen staan en dat de komende tijd ongetwijfeld zou blijven doen, tot we een uitweg hadden gevonden uit de ellende die ze over zichzelf had afgeroepen. Maar vooralsnog was daar nog geen sprake van.

De taak die ik me had gesteld voor mijn komst naar Piccadilly was al snel volbracht. Ik ging naar binnen bij Fortnum & Mason om een afscheidscadeautje voor Ariane te kopen en al snel had ik gevonden wat ik zocht: thee. Ze was dol op thee – voor haar was het de smaak van thuis – en ik vond het al‑ tijd leuk om het voor haar te zetten. Ik kocht een doosje met zes verschillende smaken, inclusief een zilveren theepotje met zeef, en probeerde me een voorstelling te maken van haar in een kale studentenkamer in Sydney terwijl ze vanuit deze theepot thee in haar mok met de Union Jack erop schonk, een slokje nam en in gedachten meegevoerd werd naar onze keu‑ ken thuis, met haar ellebogen op de oude, grenen tafel, terwijl haar haar glansde in het lage zonlicht dat door de takken van de appelboom in de winterse tuin scheen.

Misschien zou ze er troost uit putten.
Misschien zou ze er troost uit putten. Of misschien (waarschijnlijker, en zelfs beter) zou ze helemaal geen behoefte heb‑ ben aan troost.

Het was de eerste week van januari 2013, die verwarrende tijd waarin de festiviteiten rond kerst voorbij zijn, maar de wereld nog niet helemaal is teruggekeerd naar het normale ritme. Omdat ik zin had om iets routinematigs te doen, iets alledaags, besloot ik om een kop koffie te gaan drinken in de bar van het BAFTA-complex. Misschien kwam ik een bekende tegen. Het kon geen kwaad om een praatje te maken, roddels en algemeenheden uit te wisselen.

De bar was zo goed als verlaten. De troosteloze sfeer van een voorbije kerst hing nog in de lucht. Ik herkende maar een van de aanwezigen, hij zat alleen aan een tweepersoons tafeltje bij de grote ramen met uitzicht op straat. Mark Arrowsmith. Niet de eerste die ik zou hebben uitgekozen om even gezellig bij te praten. Maar ik kon niet kieskeurig zijn. Het zou Mark worden. Ik liep naar zijn tafeltje en wachtte tot hij opkeek uit zijn MacBook.

‘Calista,’ zei hij. ‘Lieverd! Wat een leuke verrassing.’

‘Mag ik?’

‘Natuurlijk.’ Hij klapte zijn MacBook dicht en schoof wat papieren opzij om plaats te maken voor de cappuccino die ik al aan de bar had gekocht.

‘Sorry voor al deze rommel,’ zei hij. ‘Volgende week heb ik eindelijk een afspraak bij Film4. Ze hebben me gevraagd om met een budget te komen, dus kennelijk worden ze eindelijk serieus.’ Hij maakte een stapeltje van de laatste papieren en schoof ze in een plastic mapje.

Mark zal destijds eind zestig zijn geweest. Hoewel hij aller‑ minst even goedgebouwd was, had hij iets van Burt Lancaster in Local Hero. (Zoals ik al zei, alles en iedereen doet me aan een film denken.) Hij had dromerige ogen – die had hij tenminste tot een jaar of tien geleden – maar nu had hij een doffe, ver‑ slagen blik. Mark probeerde al vijfentwintig jaar of langer om dezelfde film aan de man te brengen. Ergens tegen het eind van de jaren tachtig had hij de filmrechten proberen te ver‑ werven van een roman van Kingsley Amis – een naam die in die tijd nog een zeker cachet had. Het had een levensvatbaar plan geleken en hij had al een bekende regisseur en zo’n drie of vier populaire acteurs enthousiast gekregen. Maar om de een of andere reden was het laatste stukje van de financiering spaak gelopen, en vervolgens had de regisseur andere werkzaamheden gevonden, gevolgd door twee van de acteurs, en een van de overigen was intussen niet zo populair meer, en

Voordat hij wist wat er gebeurde was het project in een kwalijke reuk komen te staan.
voordat hij wist wat er gebeurde was het project in een kwalijke reuk komen te staan, iets wat iedereen in de gaten had, behalve Mark. Als producent had hij al een aantal redelijk succesvolle producties op zijn naam – een hoofdfilm en een eenmalige dramaproductie voor BBC 2 – maar sindsdien had hij niets meer gemaakt en zijn queeste om die stomme bewerking van Kingsley Amis van de grond te krijgen was een obsessie voor hem geworden. Hij was een onderdeel van het meubilair geworden in de BAFTA-bar, waar hij altijd in zijn eentje aan een tweepersoons tafeltje zat met zijn MacBook, wachtend op een bespreking met iemand die al dan niet de vijftiende versie van het scenario had gelezen en die al dan niet iemand kende die voor een hedgefonds werkte dat aan het eind van het boekjaar nog wat geld had liggen en die er niets beters mee te doen wist dan het in de verfilming van een matige roman te steken van iemand over wie met geen woord meer wordt gerept en die intussen zo uit de mode was dat je net zo goed kon proberen om een verfilming van de Gouden Gids op het witte doek te krijgen. Maar Mark hield stug vol, hoewel zijn snor inmiddels wit was geworden en een vaag waas van teleurstelling zijn blik vertroebelde.

Het gekke was dat hij ook een huis in Zuid-Frankrijk bezat, en hij had twee kinderen uit zijn tweede huwelijk die op een internaat zaten, maar niemand wist waar zijn geld vandaan kwam. Maar dat was een gang van zaken die ik vaak had gezien bij Engelsen, en ik ging ervan uit dat hij afkomstig was uit een gegoede, oude familie die over ruime hoeveelheden geld beschikte en zeer bedreven was in het oppotten ervan. Het weerhield me er in elk geval van om al te veel medelijden met hem te hebben. Iets anders waardoor ik geen medelijden met hem had, was het besef dat ik zelf ook al zo’n tien jaar geen serieus stuk werk had geleverd, dus ik had niet bepaald recht van spreken.

‘Heb je veel gewerkt?’ vroeg Mark op de man af, iets waar ik niet op zat te wachten.

‘Niet echt,’ erkende ik. ‘Heb je – gezien?’

Ik noemde de naam van een Engelse film die een paar maanden eerder een bescheiden succesje had geboekt in de bioscoop.

‘Zeker,’ zei Mark. ‘Was jij dat? Ik dacht eerder aan – ‘

Hij noemde de naam van een jonge, Engelse componist van filmmuziek en muziek voor streamingdiensten wiens ster rijzende was.

‘Een deel was van hem. In theorie was ik alleen maar de arrangeur. Herinner je je dat fragmentje op marimba, dat bij elke scène in de auto te horen was?’

Ik zong de eenvoudige melodie voor.
Ik zong de eenvoudige melodie voor.

‘Natuurlijk,’ zei Mark. ‘Daarmee stond of viel alles. Dat is wat iedereen zich herinnert.’

‘Dat was ik.’

‘En toch kreeg hij de Oscarnominatie.’ Mark schudde zijn hoofd, zoals altijd misnoegd over de gang van zaken in de wereld. ‘Je barst van het talent, Cal. Wil jij de muziek voor mijn film schrijven? Zeg ja. Hij is geknipt voor je.’

Natuurlijk zei ik ja, maar ik nam het aanbod niet serieus. Het was alsof Mark me beloofde om mijn hypotheek af te betalen als hij de loterij won. Maakt niet uit. Het was een aardig, welgemeend gebaar, en het was niet zijn schuld dat hij waarschijnlijk de rest van zijn beperkte werkzame leven zou slijten met zijn tot mislukken gedoemde project.

‘Dame Judi heeft interesse, weet je,’ zei hij, alsof hij mijn ge‑ dachten kon lezen en me ervan wilde overtuigen dat hij geen verdwaasde gek was.

‘Ik dacht dat ze al met iets bezig was,’ zei ik, en ik zocht in mijn geheugen naar een gesprek dat we vermoedelijk decennia geleden over exact ditzelfde onderwerp al hadden gehad.

‘Ze was met iets bezig, en toen weer niet, en nu is ze weer met iets bezig,’ legde hij uit. ‘Maar nu speelt ze de grootmoe‑ der, niet de moeder.’

Logisch, dacht ik. In het hoofd van Mark bleef de cast van de film min of meer hetzelfde, ze schoven alleen een generatie op. Als de film ooit het levenslicht zou zien, zou de ooit zo sappige jonge hoofdrolspeler eindigen als opa, terwijl die zich in een rolstoel over de set voortbewoog.

‘En daarnaast,’ zei ik een tikje te verdedigend omdat ik niet wilde dat hij dacht dat ik thuis duimen zat te draaien in afwachting van een telefoontje (hoewel dat wel zo was), ‘ben ik voor mezelf wat muziek aan het schrijven.’

‘Voor concert?’ vroeg hij.

‘Zoiets. Het is filmgerelateerd, maar niet specifiek voor een film. Het is een kleine suite, voor kamerorkest. Ik noem het Billy.’ En in reactie op zijn vragende blik voegde ik eraan toe: ‘Zoals in Wilder.’

‘Wat een goed idee. Ik wist niet dat je een fan van hem was.’

‘Ik ben weg van zijn films. Wie niet?’
‘Ik ben weg van zijn films. Wie niet?’

‘Natuurlijk. Eigenlijk onvoorstelbaar, als je erop terugkijkt. Het ene na het andere meesterwerk. Ik bedoel, hoe krijg je dat voor elkaar in dit vak? Double Indemnity – meesterwerk. Sunset Boulevard – meesterwerk. Hij bleef maar doorgaan. Some Like it Hot, The Apartment…’

‘En daarna?’ vroeg ik.

Mark fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ik ken geen… Heeft hij daarna nog veel films gemaakt?’

‘Natuurlijk. Een stuk of tien.’

Mark pijnigde zijn hersens om zich iets te herinneren. ‘Was er een bij over Sherlock Holmes…?’

‘Heb je Fedora gezien?’

Mark schudde zijn hoofd. ‘Volgens mij niet. En zo ja, dan ben ik het vergeten.’

‘Ik niet,’ zei ik, ‘omdat ik erbij was toen hij werd gedraaid.’

Hij zette grote ogen op. ‘Serieus?’ Hij fronste opnieuw zijn wenkbrauwen en mompelde, ‘Fedora, Fedora… Waar ging hij over?’

Ik vrees dat ik het niet kon laten om te zeggen: ‘Hij ging over van alles. Maar je zou kunnen zeggen dat hij vooral ging… hij ging vooral over een producent op leeftijd die een film pro‑ beerde te maken die volledig uit de tijd was.’

Daarmee leek het gesprek beëindigd. Niet lang daarna pak‑ te Mark zijn spullen bij elkaar en vertrok. Door het raam zag ik hem Piccadilly oversteken en in noordelijke richting naar Re‑ gent Street lopen. De lucht betrok en het begon te regenen.

*

Ik ben een tegenstrijdig mens.
Ik ben een tegenstrijdig mens, ik zal de eerste zijn om dat toe te geven. Onze laatste avondmaaltijd samen als gezin van vier personen was uiterst gezellig en aangenaam, maar dat was precies waarom ik in mineurstemming verviel. Dit zal er een hele tijd niet meer van komen, dacht ik na afloop terwijl ik de vaatwasser inruimde. De meiden waren naar hun slaapkamers boven gegaan, om te doen wat ze daar dan ook maar deden. Ik besloot om ter afleiding een film te kijken. We stonden aan het begin van het filmprijzenseizoen en als BAFTA-stemmers had‑ den Geoffrey en ik een stuk of dertig dvd’s waar we ons door‑ heen moesten werken. We begonnen met een Amerikaanse actiefilm met een overdonderende soundtrack waarin het geluid van explosies, geweervuur en autobotsingen wedijverde met de bombastische filmmuziek. Na zo’n tien minuten lag Geoffrey vast in slaap op de bank en snurkte hij zo hard dat dat zelfs het kabaal van de film overstemde. Ik keek de film uit zonder de minste interesse of betrokkenheid. Alles verliep volledig volgens het geijkte stramien en ik verbaasde me over de hoeveelheid tijd, energie en geld die waren gestoken in iets wat over een paar maanden vergeten zou zijn (en vergeten door het publiek zodra ze de bioscoop uit liepen). Ik ging verder met een Engelse comedy over twee kranige oudere vrouwen die een roadtrip naar Zuid-Frankrijk maakten en in allerlei vreemde perikelen belandden. Het geheel was luchtig en inspirerend bedoeld, maar het vervulde mij met een gevoel van diepe, existentiële wanhoop. Elke keer als er iets grappigs stond te gebeuren, porde de componist ons tussen de ribben door de strijkers pizzicato te laten spelen. (In de jaren vijftig en zestig zou een fagot ons tussen de ribben hebben gepord.) Na een halfuur capriolen van de twee schattige pensionada’s kon ik ze allebei wel wurgen. Ik zette de tv uit en liep naar de keuken, somberder dan ooit.

In dit soort hopeloze situaties is er maar één ding dat me troost biedt. Ik heb altijd minstens drie soorten brie in huis voor noodsituaties. Andere mensen drinken om te vergeten; ik eet brie. Op dat moment lag er een goede Coulommiers in de koelkast – strikt genomen geen echte brie, maar goed genoeg – en een superieur, maar massa-geproduceerd supermarkt‑ merk. Maar dit was geen moment voor compromissen: deze avond volstond alleen een eersteklas Brie de Meaux Fermier.

Natuurlijk had de brie een paar uur op kamertemperatuur moeten liggen, maar daar was nu geen tijd voor. Ik lepelde een flinke kwak uit het doosje en smeerde het op een cracker. Het vrijkomen van die verfijnde aroma’s van noten en paddenstoel op mijn tong was verrukkelijk. De textuur was stevig en tegelijk roomzacht. Puur genot. Ik nam nog een beetje, toen nog wat meer, en voordat ik het in de gaten had, had ik in tien minuten de helft verorberd.

‘O jee,’ zei Geoffrey. Hij was wakker geworden en keek naar me vanuit de deuropening. ‘Was het zo erg?’

‘Je zult nooit weten,’ zei ik met mijn mond halfvol, ‘hoeveel troost een goede brie kan bieden. Jij bent een kaasbarbaar.’

Geoffrey hield wel van cheddar en Red Leicester, op z’n tijd. Hij had geen flauw idee wat echte kaas was.

Hij ging tegenover me zitten en schonk een glaasje Laphroiag voor zichzelf in.

‘Het komt allemaal heus wel goed,’ zei hij.
‘Het komt allemaal heus wel goed,’ zei hij.

Ik smeerde kaas op de volgende cracker en werkte hem in twee happen naar binnen.

‘Hoezo komt het allemaal wel goed?’ vroeg ik.

‘Gewoon vanzelf. Het leven gaat door.’

Ik dacht na over zijn antwoord en besloot dat het wel erg kort door de bocht was.

‘Onze dochters zijn volwassen,’ ging hij verder.

‘Dat is toch iets geweldigs? Ze zijn uitgegroeid tot twee mooie jonge vrouwen.’

‘Dat is niet het enige,’ reageerde ik nukkig.

‘Wat dan?’

‘Viel je niets op aan de muziek in die films?’

‘Niet echt.’

‘Nee, jij deed het enige verstandige, je viel in slaap.’

‘Wat was er dan mee?’

‘Dat was geen muziek, het was gewoon… geluid. Geschreven op de automatische piloot. Geen enkele melodie, geen enkel nieuw idee… En zo willen de mensen het tegenwoordig. Wat ik schrijf, willen ze niet. Godsamme, ik ben al vijftien jaar niet meer gevraagd om ergens muziek voor te schrijven.’

‘De filmindustrie is niet meer wat hij geweest is, dat weet iedereen. En trouwens, je hebt nu tijd om andere dingen te doen.’

‘Andere dingen? Zoals?’

‘Ik dacht dat je een nieuw stuk muziek wilde componeren. Je Billy Wilder-stuk.’

Dat was natuurlijk waar, maar het was niet genoeg.

‘Wat moet er van me worden, Geoff ?’ zei ik en pakte zijn beide handen. ‘Er zijn twee dingen die ik goed kan. Twee dingen die me een doel in dit leven geven. Ik ben een goede componist en ik ben een goede moeder. Muziek componeren en kinderen grootbrengen. Dat zijn de dingen die ik doe. En nu krijg ik eigenlijk te horen dat er naar geen van die twee vaardigheden nog vraag is. Op beide fronten ben ik uitgerangeerd. Kaput. En ik ben pas zevenenvijftig! Zevenenvijftig, meer niet.’ Ik pakte het whiskyglas en nam een slok. Een grote fout. Whisky en brie gaan totaal niet samen. ‘Wat moet er van me worden?’ herhaalde ik.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief