nieuws

‘Midwinter’ van Suzanne Vermeer

Alice was 21 jaar oud toen ze voor het laatst op wintersport ging. Wat destijds echter begon als een heerlijke vakantie, liep uit op een drama. En het was allemaal haar schuld.
Acht jaar later besluit ze mee te gaan met een vriendengroep die de beroemde Grand Tour de Trois Vallées willen skiën. In eerste instantie lijkt de trip een succes, maar wanneer het weer slechter wordt, lopen de onderlinge spanningen op en wordt de groep geconfronteerd met hun ergste nachtmerrie…

Lees hier de eerste drie hoofdstukken van de nieuwste winterthriller van Suzanne Vermeer!

1

Uit: Dagboek van een fotograaf

Ik houd van fotograferen. Het staren in de zoeker, speurend naar het perfecte plaatje. Inzoomen, uitzoomen, scherpstellen en de sluitersnelheid aanpassen. Net zo lang totdat ik heb gevonden wat ik zoek. Mijn vinger op de ontspanknop, klaar om af te drukken. Als een scherpschutter adem ik in en houd mijn adem vast. Mijn lichaam volmaakt stil. Op dat moment waan ik me een soort god. In staat om iemands leven stil te zetten, het tafereel in mijn zoeker voor eeuwig te bevriezen. Ach, laat ik ophouden met algemeenheden. Het gaat me tenslotte alleen om jou. Het is me altijd om jou gegaan, vanaf de eerste dag dat ik je zag. Als ik je fotografeer zonder dat je er erg in hebt, dan voel ik me een dief. Ik steel momenten van je, maar ik beloof je dat ik ze eens aan je teruggeef. Een collage in een mooi album met zo’n harde kaft die tegen een stootje kan. Kleurig papiertje eromheen en een zoen van de meester. De dag dat je er klaar voor bent, zal zich vanzelf aan me openbaren.

Ik denk niet dat er iemand is die je beter kent dan ik. Je stemmingen, je gezichtsuitdrukkingen, ik heb ze in de loop der jaren allemaal ontelbare keren vastgelegd. Het valt me op dat je er de laatste tijd moe uitziet. Dat de eenzaamheid waar je jezelf toe veroordeeld hebt je steeds meer parten speelt. Misschien is het tijd dat ik me ermee ga bemoeien? Je een beetje in de goede richting stuur? Zonder mij zul je nooit gelukkig worden. Dat zul je moeten gaan inzien. Het is de eerste stap naar een ander leven. Het leven dat je verdient en dat je jezelf ontzegt om de verkeerde redenen. Ik weet hoe het echt zit, maar dat kan ik je nu nog niet vertellen. Misschien wel nooit, de tijd zal het leren. Eerst maar eens zorgen dat ik dichter in je buurt kom. Dat je je ogen opent en me gaat zien. Er heeft zich onverwachts een gelegenheid voorgedaan die te mooi is om te negeren. De eerste stap van samen alleen naar alleen samen is gezet. Inzoomen, scherpstellen, een beetje meer licht en… daar is die klik tussen jou en mij.

2

‘Ik heb de droom weer gehad.’

Ze spreekt de woorden nauwelijks verstaanbaar uit terwijl ze haar handen, die krampachtig verstrengeld in haar schoot liggen, bestudeert.

‘Schaam je je daarvoor?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Ik weet het niet. Moet dat?’

‘Vind je zelf dat dat moet?’

‘Pff, kun je misschien ook gewoon eens antwoord geven in plaats van alleen maar tegenvragen te stellen? Jij bent toch de deskundige?’ Met haar wijs- en middelvingers masseert ze haar slapen.

Jet Beyvoets, sinds een paar maanden haar psycholoog, negeert het kribbige antwoord. ‘Hoofdpijn?’ vraagt ze belangstellend.

‘Ja, ontzettend. Dat houdt altijd de hele dag aan als ik weer zo’n helse nacht heb gehad.’ Voor het eerst kijkt ze Jet even aan, maar al snel slaat ze haar donkere ogen, met wimpers die plakkerig zijn van de mascara, weer neer.

‘Heb je iets ingenomen?’
‘Heb je iets ingenomen?’

‘Nee, ik hou niet van pillen.’

Jet begint te lachen. ‘Een arts die niet van pillen houdt. Maak je het jezelf nu niet onnodig moeilijk?’

‘Misschien, maar ik heb zo mijn principes. Ik schrijf liever pillen voor dan dat ik ze zelf neem. Ik zie op mijn werk dagelijks allerlei medicijnen voorbijkomen, het ene met nog ergere bijwerkingen dan het andere. Als het niet strikt nodig is, wil ik mijn lijf dat niet aandoen.’

‘Kom op, Alice, we hebben het hier over een simpel paracetamolletje, niet over een alfa- of bètablokker. Maar goed, aan jou de keuze.’ Jet werpt een blik op de klok die aan de lichtgeel gestucte muur achter Alice hangt. ‘Laten we weer teruggaan naar de kern, want we dwalen af. We hebben nog drie kwartier en je weet dat tijd de beperkende factor is hier. Wil je me de droom nogmaals vertellen?’

‘Alweer? Jij kunt hem inmiddels zelf ook wel dromen.’ Ze stoot een zenuwachtig lachje uit.

‘Door er veel over te praten gaat de lading eraf. Geloof me, dat geeft verlichting zonder vervelende medicinale bijwerkingen.’ Jet knipoogt erbij.

‘Oké.’ Ze zucht en strijkt een losgeraakte pluk bruin haar achter haar oor. ‘Als jij denkt dat het helpt.’

‘Dat denk ik niet alleen, dat weet ik zeker.’

Ze schuift wat heen en weer op de met zachte paarse stof beklede zitkubus die bedoeld is om een ontspannen, informele sfeer te creëren. Jet zit schuin tegenover haar op een blauwe variant. Verderop in de ruimte staan nog een groene, een oranje, een gele en een rode kubus. De eerste keer dat ze de behandelruimte binnenstapte, met haar kriskras verspreide kleurige zitkussens en zitzakken, had ze zo haar twijfels gehad. Het contrast met de steriele ziekenhuiskamers waar ze zelf dagelijks in werkte, kon niet groter zijn. Toen ze vervolgens zelf haar ‘zitkleur’ moest kiezen en ook nog de plaats waar ze het ding in de ruimte neerzette, was ze het liefst linea recta naar huis gegaan. Jet had haar aarzeling gezien en haar aangespoord om zichzelf ‘een plek in de ruimte’ te geven, en daarna een plek voor Jet te kiezen. Met tegenzin had ze voor zichzelf een zitplaats in de hoek tegen de muur gekozen, bij de verwarming – een warme en veilige plek die haar zenuwen voor het consult met ‘de zielenknijper’ enigszins deed bedaren. Jet zat schuin tegenover haar, op zo’n anderhalve meter afstand.

Het geschuif met de zitkubussen had haar een beetje het gevoel van controle teruggegeven dat bij het binnengaan van de praktijk was verdampt. Zij was in charge en hoefde geen dingen te doen die ze echt niet wilde of waar ze zich niet senang bij voelde. Inmiddels heeft Jets filosofie haar ook echt weten te overtuigen en zou ze haar eigen behandelkamer ook graag eens een goede metamorfose geven. Weg met die ongemakkelijke harde stoelen, die steriele witte muren, dat bureau met de zoemende computer die de afstand tussen haar en haar patiënten letterlijk en figuurlijk onnodig groot maakt. Ze heeft het een keer aangekaart bij het afdelingshoofd, professor Vonk, maar werd compleet weggehoond.

‘Zullen we dan ook maar meteen een corner met gratis snacks, koffie en frisdrank op de poli plaatsen?’ De cynische ondertoon in Vonks stem viel niet te missen. ‘We zijn een ziekenhuis, Alice, geen snackbar of loungebar. We willen niet dat de mensen het gezellig bij ons gaan vinden en langer blijven dan strikt noodzakelijk is, toch? Dat zou heel slecht zijn voor het zorgplafond.’

Daarna was hij snuivend weggelopen en ze had het niet aangedurfd er nogmaals over te beginnen. Vonk doet zijn achternaam duidelijk geen eer aan, want warmte is bij hem ver te zoeken. Hoe zo’n harteloze man ooit professor in de cardiologie heeft kunnen worden, is haar een raadsel.

Ze schrikt op uit haar gedachten.
Ze schrikt op uit haar gedachten als ze Jets vingers zachtjes op haar knieën voelt tikken. ‘Blijf je erbij? Je was even heel ver weg.’

Alice lacht onzeker.

‘Ik blijf rustig doortikken terwijl jij je droom vertelt. Je weet waarom ik dat doe, hè?’

‘Ja, om te zorgen dat ik niet te ver wegzak in mijn trauma en het contact met het “nu” verlies. Jouw handen zorgen ervoor dat ik met beide benen op de grond blijf.’

‘Het zorgt er ook voor dat de afleiding van het getik een gedeelte van je werkgeheugen inneemt. Daardoor blijft er minder ruimte over om de nare emoties rond je trauma in volle hevigheid te herbeleven.’

Ze knikt.

‘Goed, probeer dan nu in gedachten terug te gaan naar je droom. Je lag in bed, je deed je ogen dicht en toen? Zijn er beelden of gedachten die meteen oppoppen?’

Alice slaat haar armen voor haar borst en begint zachtjes te trillen als ze de droombeelden van die nacht weer op haar netvlies ziet. Ze zijn net zo erg als de echte beelden van de vreselijke dag die acht jaar geleden haar leven veranderde. Ze begint te vertellen en algauw vlechten droom en werkelijkheid zich in elkaar tot de nachtmerrie waar ze tot op de dag van vandaag nog niet uit is ontwaakt. De spieren in haar middenrif trillen, de behandelkamer vervaagt en verandert in een ruimte vol met sneeuw. Overal dat vreselijke witte poeder waar ze tot die bewuste dag zo gek op was. Ze krijgt het koud, begint te klappertanden en te rillen. De temperatuur is ijzig, zelfs de verwarming in haar rug kan daar niets aan veranderen. Haar ademhaling wordt oppervlakkig en voor haar ogen verschijnt een afgrond. Ze merkt dat Jet steeds harder en sneller op haar knieën tikt, terwijl haar kalme stem blijft zeggen dat ze ‘erbij’ moet blijven, dat ze veilig is en dat ze het hartstikke goed doet. Die laatste woorden brengen haar weer bij de les en ineens komt een enorme woede in haar naar boven.

‘Als ik het allemaal zo goed doe, waarom zit ik hier dan? Vraag Noah maar hoe goed ik het heb gedaan!’

Ze schreeuwt het uit, springt van haar zitkussen en wankelt bij Jet vandaan. De psycholoog volgt haar bewegingen nauwgezet, maar grijpt niet in. Alice strompelt naar het midden van de ruimte en begint zó ongecontroleerd te huilen dat haar benen het begeven. Midden in de behandelkamer zakt ze op de grond. Ze is zo moe dat het lijkt alsof ze nooit meer op kan staan. Ze krult zich op in de foetushouding. Jet doet nog steeds niks en laat haar huilen totdat ze geen tranen meer overheeft. Een bevrijdende leegte valt als een deken over haar heen, kapselt haar in, en voor het eerst in lange tijd ervaart ze een beetje rust. Haar ademhaling wordt dieper en bereikt haar buik. Jet staat op en gaat gehurkt achter haar zitten. Ze legt een warme hand op haar hoofd, dat bijna uit elkaar knalt. De spieren in haar nek ontspannen langzaam maar zeker en het gebonk wordt zachter. Als het een acceptabel niveau heeft bereikt, komt ze met hulp van Jet overeind. Het lukt haar niet om een geeuw te onderdrukken.

‘Vermoeiend, hè?’ Jet wrijft bemoedigend over haar schouder. ‘Je hebt het fantastisch gedaan. Dit is de eerste keer dat je hebt gehuild, een heel mooie doorbraak waar we op verder kunnen. Je hebt nog een lange weg te gaan, maar je komt er wel. Je moet zelf het meeste werk doen, maar ik ben er om je te helpen.’

‘Ik dacht altijd dat psychologen er waren om dingen op te lossen.’
‘Ik dacht altijd dat psychologen er waren om dingen op te lossen.’

‘Dat is een misvatting die we graag in stand houden om mensen over de drempel van onze praktijk te helpen,’ zegt Jet lachend. ‘De waarheid is dat mensen hier keihard zelf aan de bak moeten om hun problemen op te lossen en dat wij slechts de schep aangeven om de rotzooi op te ruimen.’

‘Mooie beeldspraak.’ Er verschijnt een voorzichtig lachje op het gezicht van Alice, gevolgd door een tweede geeuw.

‘Kom, naar huis jij. Eten, warm douchen en met een kruik je bed in. Je hebt een nachtje slaap in te halen.’

‘Ik denk dat ik dat inderdaad maar eens ga doen.’ Alice trekt haar dikke oranjerode parka aan en knoopt haar fijngebreide beige sjaal losjes om haar nek. Voordat ze haar handschoenen aantrekt, geeft ze Jet een hand. ‘Dank je wel. Voor alles.’

‘Tot volgende week, Alice. Ik wens je een droomloze nacht toe.’

Jet houdt de deur voor haar open en Alice stapt met tegenzin naar buiten. Weer terug de ‘gewone’ wereld in. De kou is als een klap in haar gezicht en het is precies de wakeupcall die ze nodig heeft voordat ze in de auto stapt.

3

‘Ik ben ingeloot! Eindelijk!’

Jubelend springt Alice door de kamer en vliegt Olga gillend om de hals. Haar verbaasde huisgenote weet zich na enige tijd met moeite uit de enthousiaste wurggreep los te wurmen en kijkt Alice met grote ogen aan.

‘Dat meen je niet? Echt? Daar moet op gedronken worden!’ Ze rent naar de keuken en komt terug met twee limonadeglazen en een fles prikwijn die de naam prosecco niet mag dragen. Vakkundig ontkurkt ze de fles zonder een druppel te verspillen en giet de glazen vol.

‘Proost!’ gilt Alice.

Met een harde tik ketsen de glazen tegen elkaar en dan nemen ze allebei een flinke slok. Alice voelt haar kaken samentrekken van het zure bocht en aan het verwrongen gezicht van haar vriendin te zien ervaart zij hetzelfde.

Olga draait het glas rond in haar hand. ‘Eens komt er een tijd dat we echte champagne kunnen betalen.’ Alice grinnikt. ‘En die drinken we dan uit kristallen glazen.’

‘Als je dan tenminste nog tijd hebt voor een glaasje met een oude vriendin.’ Olga geeft haar een speels duwtje.

‘Natuurlijk. Geef me één goede reden waarom dat niet zo zou zijn.’
‘Natuurlijk. Geef me één goede reden waarom dat niet zo zou zijn.’

‘Ik kan er wel meer dan één bedenken. Wat dacht je van “artsen werken tachtig uur in de week”, of “artsen mogen niet drinken als ze dienst hebben”, of…’

‘Ja, ja, hou maar op. Bij dezen beloof ik je plechtig dat ik altijd tijd maak of vind om met mijn beste vriendin een glaasje te drinken. Wat er ín dat glaasje zit, laat ik even in het midden.’

‘Zolang het maar niet lijkt op dit bocht. Je zou er een maagzweer van krijgen.’

‘Die ik dan wel weer zou kunnen behandelen.’

‘Ja, hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik het zie zitten. Altijd handig, zo’n dokter in da house. Zal Ilse ook wel prettig vinden.’

‘Hoe is het met haar?’

‘De gebruikelijke ups-and-downs maar altijd vrolijk en positief. Je kent haar.’

‘Ik heb zo’n bewondering voor hoe ze in het leven staat. Zij staat eigenlijk aan de basis van mijn wens om dokter te worden.’ ‘

O, echt? Dat heb je nooit verteld.’

‘Ik wist niet of Ilse dat als een compliment op zou vatten of juist niet. Ik weet dat ze er een hekel aan heeft om als zielig te worden gezien en dat ze het liefst normaal behandeld wil worden, en dat snap ik maar al te goed. Ze is ook niet zielig, ze is juist extreem stoer. Hartziekte of niet.’

‘Ja, dat is ze, hè? Ik ben ook zo trots op mijn zusje. Ze is echt een enorme doorzetter.’

‘En ik heb daar altijd een voorbeeld aan genomen. Niet opgeven, maar doorgaan. Daarom heb ik me ook gewoon opnieuw ingeschreven, et voilà, met resultaat!’

‘De hoeveelste poging was dit nou?’

‘De derde. De aanhouder wint, en dat geldt voor mij én voor Ilse.’

Olga’s gezicht krijgt een trieste uitdrukking.

‘Wat is er, maak je je zorgen?’

‘Soms. Ze heeft het gewoon erg zwaar en ik zie dat het haar grote moeite kost om in de pas te blijven met haar leeftijdsgenoten.’

‘Ze is een knokker, hè, dat weet je. Die laat zich door niets en niemand tegenhouden.’

‘Ja, maar ik ben bang dat ze roofbouw op haar lichaam pleegt door continu zo op haar tenen te lopen, en dat dat onherstelbare schade oplevert. Ik bedoel, het is niet een of ander virusje dat vanzelf wel weer overgaat. Af en toe zou ik haar wel in haar kamer willen opsluiten.’

‘Maar zou ze daar gelukkig van worden?’
‘Maar zou ze daar gelukkig van worden? Nee toch zeker? Leven met de handrem erop is niets voor haar, ik denk dat ze liever wat korter leeft en alles eruit haalt dan dat ze zich inhoudt voor een paar jaar extra.’

‘Dat denk ik ook, of eigenlijk weet ik het wel zeker, maar het idee dat ik haar misschien ga verliezen maakt me zo verdrietig.’ Olga’s stem wordt dik en er rolt een traan over haar wang, die ze geërgerd met de rug van haar hand wegwrijft.

‘Ilse is niet gek, hoor. Haar kennende denkt ze goed na over de risico’s die ze neemt. Ik denk dat je haar daar een beetje in moet vertrouwen.’

‘Ik weet zeker dat jij de beste dokter van Nederland wordt, Alice. Nu al trots op je. Maar je moet me één ding beloven: dat we elkaar niet uit het oog verliezen als de mallemolen van het leven ons in de toekomst opslokt. Ik ben bang om Ilse te verliezen, maar ik zou het niet verdragen als ik jou ook kwijtraak.’

‘Natuurlijk blijven we elkaar altijd zien. Er is niets wat tussen ons in komt. Geen studie, geen andere woonplaats, geen drukke baan.’

‘Geen man?’ ‘

Ook geen man. Noah vindt het net als ik heel belangrijk om naast een relatie ook vriendschappen te onderhouden. Daar hebben we elkaar vanaf het begin vrij in gelaten en dat zal in de toekomst niet veranderen. Hij gaat regelmatig op stap met Jurre en Loek, net zoals ik op pad ga met jou en Yasmijn.’

Speaking of, daar zul je haar hebben.’

‘Zijn jullie over me aan het roddelen?’ Yasmijn komt hijgend en met een rood hoofd de gezamenlijke woonkamer binnen. Haar rossige krullen staan alle kanten uit en vormen een schril contrast met Olga’s steiler-dan-steile hoogblonde haar.

‘We zouden niet durven. Hier, neem een slok, we hebben wat te vieren. Alice is ingeloot!’

‘Wat goed!’

Olga geeft haar glas aan Yasmijn, die gretig een paar slokken neemt zonder een vies gezicht te trekken. Daarna houdt ze haar glas omhoog. ‘Vul nog maar een keer bij.’

‘Serieus? Vergeleken met dit spul smaakt een citroen nog zoet.’

‘Valt best mee, toch?’

‘Yasmijns smaakpapillen zijn zo dood als een pier omdat ze altijd zoveel rode pepers in haar eten doet,’ zegt Alice grinnikend.

‘Dat moet haast wel, ja.’

Olga pakt de fles en giet een flinke scheut in Yasmijns glas.
Olga pakt de fles en giet een flinke scheut in Yasmijns glas. Ook die heeft ze in een mum van tijd achterovergetikt. Yasmijn loopt naar Alice toe en slaat een arm om haar heen. ‘Jij gaat het dus heel druk krijgen de rest van je leven. Dan moeten we nog maar even flink van je genieten, nietwaar, Ootje?’

Olga’s gezicht begint te stralen. ‘Dokters under construction hebben toch ook kerstvakantie?’

‘Het eerste studiejaar in elk geval,’ beaamt Alice.

‘Vertel op, Ootje, wat heb je voor wilde plannen?’ vraagt Yasmijn gretig.

‘Wat zouden jullie ervan vinden als we een weekje gaan skiën in Val Thorens?’

‘Ja, en dan nemen we Noah en zijn vrienden ook mee,’ roept Yasmijn enthousiast. ‘Huren we een busje om erheen te rijden.’

Yasmijn heeft de laatste tijd niet onder stoelen of banken gestoken dat ze een oogje heeft op Noahs huisgenoot Loek en ze ziet duidelijk een kans op toenadering.

‘Ik bedoelde eigenlijk een week met zijn drietjes, Yasmijn Pellens,’ sputtert Olga nog wat tegen, maar ze gooit al snel de handdoek in de ring als ze ziet dat het twee tegen één is.

‘Ik ga het straks meteen voorleggen aan Noah. Hij neemt me mee naar de pizzeria om te vieren dat ik ben ingeloot.’ Alice kijkt op haar horloge. ‘Shit, ik heb nog maar een halfuur om me om te kleden en op te tutten.’

‘Ik doe je haar wel,’ biedt Yasmijn aan.

‘En ik je make-up,’ valt Olga haar bij. Met z’n drieën rennen ze naar Alice’ slaapkamer.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief