leesfragment

‘Mindful moorden’ van Karsten Dusse

0

Het huwelijk van misdaadadvocaat Björn Diemel wankelt. Zijn vrouw staat erop dat hij een mindfulness-seminar volgt om zijn leven beter in balans te krijgen. Wanneer een van Björns cliënten, een zware en overduidelijk schuldige crimineel, voor problemen begint te zorgen besluit Björn heel kalm om hem uit de weg te ruimen, perfect volgens de mindfulnessprincipes zoals hij die inmiddels kent… 

Lees hier het eerste hoofstuk van Mindful moorden, de bestseller van de Duitse auteur Karsten Dusse!

1 Mindfulness

‘Als je voor een deur staat te wachten, sta je voor een deur te wachten. Als je ruzie hebt met je vrouw, heb je ruzie met je vrouw. Dat is mindfulness. Als je voor een deur staat te wachten en je gebruikt die tijd om in gedachten verder te ruziën met je vrouw, dan is dat geen mindfulness. Dat is alleen maar dom.’

Joschka Breitner
Onthaasten op de inhaalstrook –
Mindfulness voor managers

Laat ik even vooropstellen: ik ben niet gewelddadig aangelegd. Integendeel. Zo ben ik bijvoorbeeld van mijn levensdagen nog nooit betrokken geweest bij een vechtpartij. En pas op mijn tweeënveertigste heb ik voor het eerst iemand vermoord. In mijn huidige werkomgeving is dat aan de late kant. Eerlijkheidshalve moet ik daar wel bij vermelden dat ik een week later al op een half dozijn zat.

Dat klinkt trouwens wel erg negatief. Wat ik heb gedaan, deed ik met de beste bedoelingen. Het was het logische gevolg van mijn keuze om meer mindful door het leven te gaan. Om werk en gezinsleven meer met elkaar in evenwicht te brengen.

Mijn eerste kennismaking met mindfulness was je reinste stress. Katharina, mijn vrouw, wilde mij dwingen om me meer te ontspannen. Ze wilde dat ik aan mijn beperkte veerkracht zou werken, aan mijn gebrek aan betrouwbaarheid, mijn verwrongen prioriteiten. Om ons huwelijk nog een kans te geven.

Ze wilde de evenwichtige, ambitieuze, idealistische jongeman weer terug op wie ze tien jaar geleden verliefd was geworden. Als ik tegen haar zou hebben gezegd dat ik graag haar lichaam terug wilde waar ik tien jaar geleden verliefd op was geworden, dan zou ons huwelijk ter plekke voorbij zijn geweest. En terecht natuurlijk. Op het lichaam van een vrouw mag de tijd sporen achterlaten, op de ziel van een man kennelijk niet. En dus ging niet mijn vrouw met haar lichaam naar de plastisch chirurg, maar ging ik met mijn ziel naar mindfulnesstraining.

Voor zover ik wist was mindfulness gewoon het zoveelste slappe aftreksel van de esoterische thee die elk decennium opnieuw wordt opgewarmd om onder een nieuwe naam weer aan de man te worden gebracht. Mindfulness was zoiets als autogene training zonder erbij te hoeven gaan liggen. Yoga zonder je in bochten te wringen. Meditatie zonder kleermakerszit. Of, zoals het in het artikel in Manager stond dat mijn vrouw op een dag demonstratief op de ontbijttafel legde: ‘Mindfulness is de waardevrije en liefdevolle waarneming van het ogenblik’. Een definitie die ik al net zo contourloos vond als van die kiezelstenen die op het strand geheel zinloos op elkaar worden gestapeld door mensen die zo ultiem ontspannen zijn dat het aan belangeloosheid grenst.

Of ik ooit met die mindfulness zou hebben meegedaan als het alleen maar om ons was gegaan, om mijn vrouw en mij? Ik weet het niet. Maar we hebben een dochtertje, Emily, en voor haar zou ik me van Sodom naar Gomorra laten sturen als er in een van die steden nog een kans was geweest voor ons als gezin.

Zo kwam het dus dat ik op een donderdagavond in januari een afspraak had met mijn nieuwe mindfulnesscoach.
Zo kwam het dus dat ik op een donderdagavond in januari een afspraak had met mijn nieuwe mindfulnesscoach. Toen ik aan de zware houten deur van zijn ‘praktijk’ aanbelde om het onder meer over mijn tijdmanagement te hebben, was ik al vijfentwintig minuten te laat.

De praktijkruimten bevonden zich op de begane grond van een volledig gerenoveerd oud pand in een chique buurt in onze stad. Ik had zijn flyer zien liggen in de wellnessruimte van een vijfsterrenhotel. Zijn tarieven kende ik van het internet. Iemand die mensen een hele bom duiten aftroggelt om hun wat meer gelatenheid bij te brengen, zou er vast geen probleem mee hebben om bij een betalende laatkomer de tijd vrolijk weg te mediteren.

Dacht ik. Maar nadat ik had aangebeld gebeurde er aanvankelijk helemaal niets.

Tot aan het moment dat die ontspanningsgoeroe weigerde de deur open te doen, was ik eigenlijk heel gelaten geweest, want de reden voor mijn te laat komen was heel inzichtelijk.

Ik ben strafrechtadvocaat en had nog laat in de middag naar het politiebureau gemoeten vanwege de verlenging van een voorlopige hechtenis. Een medewerker van Dragan Sergowicz, mijn voornaamste cliënt, was die middag in een juwelierszaak aangetroffen, waar hij een verlovingsring had willen uitzoeken. In plaats van geld had hij een geladen pistool bij zich. Toen de getoonde ringen hem niet bevielen, sloeg hij de juwelier met het wapen tegen de slaap. Aangezien de juwelier tegen die tijd het stille alarm al had ingeschakeld, trof de politie bij aankomst een op de vloer liggende juwelier aan en een man die bij het zien van twee op hem gerichte machinepistolen geen enkele weerstand bood.

Ze namen hem mee naar het politiebureau en informeerden zowel mij als de rechter-commissaris.

In mijn jonge jaren als idealistisch rechtenstudent zou ik het meer dan terecht hebben gevonden als zo’n aso tot aan de behandeling van de strafzaak in voorlopige hechtenis was gebleven om vervolgens voor een paar jaar in de bak te verdwijnen. Met mijn jarenlange ervaring als strafpleiter voor aso’s had ik de malloot binnen twee uur weer op vrije voeten.

Ik was dus niet zomaar te laat gekomen, ik was succesvol te laat gekomen.
Ik was dus niet zomaar te laat gekomen, ik was succesvol te laat gekomen. En als die ontspanningsklojo niet de hele rest van het uur vol zou gaan zitten zeiken, zou ik hem ook kunnen vertellen waarom ik zo succesvol was.

De jongeman met een voorliefde voor gewapend inkopen doen was vijfentwintig jaar oud en woonde nog bij zijn ouders. Hij had geen strafblad vanwege geweldsdelicten, alleen vanwege drugsdelicten. Er was geen sprake van vlucht- of herhalingsgevaar. Bovendien deelde hij de algemene maatschappelijke waarden rondom huwelijk en gezin. Daarom was hij tenslotte bij de juwelier geweest: middels het vervreemden van een ring had hij uitdrukking willen geven aan zijn bereidheid tot het stichten van een gezin.

Voor de juwelier in het ziekenhuis en de patrouillerende agent was het ongetwijfeld moeilijk te vatten dat iemand die een geweldsdelict had begaan nog diezelfde avond weer omringd door zijn vrienden met opgeheven middelvinger de staat kon bespotten. Ook mijn vrouw had op dit punt soms ronduit moeite met mijn werk. Maar het was niet mijn taak om ons rechtssysteem aan andere mensen uit te leggen. Mijn werk bestond uit het volgens alle regelen der kunst gebruiken van dit systeem. Ik verdiende mijn geld door iets goeds te doen voor slechte mensen. Punt uit. En dat werk beheerste ik tot in de puntjes. Ik was een uitmuntend strafpleiter. Werkzaam bij een van de meest gerenommeerde advocatenkantoren van de stad. Vierentwintig uur per dag inzetbaar.

Dat gaf stress, logisch. En het was niet altijd in evenwicht te brengen met ons gezinsleven.

Daarom stond ik daar ook voor die deur van dat mindfulle type. Dat mij niet binnenliet. Ik begon de spanning te voelen in mijn nek.

Maar mijn werkstress werd ruim gecompenseerd: auto van de zaak, maatpakken, dure horloges. Vroeger had ik nooit veel om statussymbolen gegeven. Maar als je als advocaat de georganiseerde misdaad vertegenwoordigt, dan moet je statussymbolen hebben. Alleen al omdat je zelf het statussymbool van je cliënt bent.

Ik kreeg een groot kantoor, een designbureau en een maandsalaris van vijf cijfers voor mijn gezin: mijn prachtige dochter, mijn geweldige vrouw en mij.

Een huis waarin een pracht van een kind woonde dat ik vanwege mijn werktijden nooit zag.
Oké, een hoog viercijferig bedrag daarvan ging op aan de hypotheek van ons huis. Een huis waarin een pracht van een kind woonde dat ik vanwege mijn werktijden nooit zag. Bij een liefhebbende moeder met wie ik, als ik haar al eens zag, alleen nog maar ruziemaakte. Ik omdat ik geïrriteerd was vanwege mijn werk, waar ik mijn vrouw niets over kon vertellen omdat ze de pest had aan mijn werk, en zij omdat ze de hele dag alleen op het kind moest passen en daarvoor haar serieuze baan als afdelingshoofd bij een verzekeringsmaatschappij had opgegeven. Als je de liefde tussen ons wilde vergelijken met een teer plantje, dan hadden we dat bij het verpotten naar de grote familiepot duidelijk onvoldoende verzorgd. Het ging ons kortom zoals het zoveel succesvolle jonge gezinnen gaat: klote.

Om werk en gezin te kunnen verenigen, en omdat ik van ons tweeën de enige was die over beide beschikte, had mijn vrouw mij uitverkoren om aan mezelf te gaan werken. Ze stuurde me naar de mindfulnesscoach. Die niet opendeed. Idioot. De spanning in mijn nek begon zich bij elke beweging van mijn hoofd kenbaar te maken middels zacht krakende geluiden.

Ik belde opnieuw aan. De zware houten deur was kennelijk pas in de beits gezet. Zo rook ze in elk geval.

Eindelijk ging de deur open. De man in de deuropening stond erbij alsof hij de hele tijd achter die deur op de loer had gestaan en op die tweede bel had gewacht. Hij was een paar jaar ouder dan ik, zo begin vijftig.

‘We hadden een afspraak om acht uur,’ zei hij. Meteen draaide hij zich om en liep zonder nog een woord de kale gang in. Ik liep achter hem aan een spaarzaam gemeubileerd kantoor met indirecte verlichting in.

De man maakte een ascetische indruk. Geen grammetje vet aan zijn pezige lijf. Zo’n type bij wie een subcutaan ingespoten slagroomtaart nog geen sporen achterlaat. Zijn uiterlijk was verzorgd. Hij droeg een stonewashed spijkerbroek, een grofgebreid wollen vest over een eenvoudig wit katoenen overhemd en pantoffels aan zijn blote voeten. Geen horloge, geen sieraden.

Een groter contrast was ondenkbaar. Ik droeg mijn donkerblauwe maatpak, wit overhemd met manchetknopen, blauw-zilveren stropdas met dasspeld bezet met diamanten, Breitling-horloge, trouwring, zwarte sokken, schoenen van Budapest. Het aantal kledingstukken dat ik meer aanhad dan hij overtrof het aantal meubelstukken in zijn spreekkamer. Twee stoelen, een tafel, een boekenplank en een bijzettafeltje met dranken.

Ik wilde het liefst meteen weer weg, alleen al vanwege het feit dat hij me niet eens had begroet.
‘Ja, sorry. Druk op de weg.’ Ik wilde het liefst meteen weer weg, alleen al vanwege het feit dat hij me niet eens had begroet. Als ik behoefte had aan verwijten vanwege een beroepsmatig opgelopen vertraging, dan kon ik die gratis en voor niks van mijn vrouw krijgen. Maar als Katharina erachter zou komen dat ik niet alleen te laat bij mijn mindfulnesscursus was komen opdagen, maar er ook meteen beledigd weer vandoor was gegaan, zou ik minstens twee ontspanningscoaches nodig hebben om het hoofd te bieden aan de stress die dat zou opleveren.

‘Ik moest op het laatste moment nog naar het politiebureau voor de verlenging van een voorlopige hechtenis. Diefstal met geweld. Daarom kon ik niet zomaar…’ Waarom zat ik nou eigenlijk de hele tijd te praten? Hij was hier toch zeker de heer des huizes? Hoorde hij me niet een stoel aan te bieden? Of op zijn minst iets te zeggen? Maar hij keek me alleen maar aan. Ongeveer zoals mijn dochter kijkt als ze in het bos een kever ziet. En zoals de kever instinctief meteen van schrik verstart als hij door een onbekende soort wordt geobserveerd, begon ik dwangmatig te praten.

‘We zouden het gewoon een beetje versneld kunnen doen… voor hetzelfde geld,’ probeerde ik mijn mislukte openingszet recht te buigen.

‘Een weg wordt niet korter als je gaat rennen,’ luidde het antwoord.

Op de koffiemokken van mijn secretaresse had ik wel diepzinnigere spreuken gelezen. En deze werd niet eens gecompenseerd door een kop goede koffie. Geen goed begin.

‘Gaat u toch zitten. Wilt u een kop thee?’

Eindelijk. Ik nam plaats in een van de stoelen die eruitzagen alsof ze in de jaren zeventig een designprijs hadden gewonnen. Ze bestonden in feite uit een enkele chromen buis bespannen met een zitting van bruin ribfluweel. De stoel zat opvallend lekker.

‘Hebt u ook een espresso?’

‘Is groene thee goed?’

Mijn espressoverzoek negerend begon hij al in te schenken uit een glazen kan. Aan het melkachtig uitgeslagen glas kon je zien dat die al jarenlang dagelijks in gebruik was.

‘Alstublieft. Lauw.’

‘Goed, om eerlijk te zijn weet ik niet of ik hier nou eigenlijk wel juist ben...’
‘Goed, om eerlijk te zijn weet ik niet of ik hier nou eigenlijk wel juist ben…’ zei ik, terwijl ik houvast zocht aan mijn theekopje. Ik had gehoopt dat hij me in de rede zou vallen. Dat gebeurde niet. Mijn gestamel bleef onafgemaakt in de ruimte hangen en stuitte daar op de open blik van de man tegenover mij. Pas toen vaststond dat ik niet meer verder zou spreken, nam ook hij een slok thee.

‘Ik ken u inmiddels dertig minuten en ik denk dat u hier heel wat nuttigs kunt leren.’

‘U kunt mij nog helemaal geen dertig minuten kennen. Ik ben hier pas amper drie minuten,’ merkte ik scherpzinnig op.

‘Maar u had hier al dertig minuten kunnen zijn. De eerste circa vijfentwintig minuten hebt u kennelijk met iets heel anders doorgebracht. Daarna stond u drie minuten lang voor de deur te overwegen of u nog een keer zou aanbellen. Klopt dat?’ antwoordde hij op provocerend milde toon.

‘Eh…’

‘En nadat u eindelijk had besloten om nog een keer aan te bellen, ben ik in de drie minuten die u nu inmiddels in mijn kamer bent te weten gekomen dat u afspraken waarbij het bij wijze van uitzondering niet om u gaat niet als bindend beschouwt, dat u uw prioriteiten uitsluitend op grond van uiterlijke omstandigheden stelt, dat u meent zich tegenover een volslagen vreemde te moeten rechtvaardigen, dat u niet tegen zwijgen kunt, dat u een situatie die afwijkt van de norm zoals u die gewend bent niet intuïtief kunt vatten en dat u volledig gevangenzit in uw gewoonten. Hoe voelt u zich?’

Wow. Die vent had gelijk.

‘Als u nou precies om al die redenen niet met mij naar bed wilt, dan voel ik me echt helemaal thuis,’ liet ik me ontvallen.

De coach verslikte zich in zijn groene thee, begon te hoesten en vervolgens hartelijk te lachen. Toen hij was uitgehoest en -gelachen stak hij me zijn hand toe.

‘Joschka Breitner. Fijn dat u hier bent.’

‘Björn Diemel, aangenaam.’

Het ijs was gebroken.

‘Vertel eens, waarom bent u hier?’
‘Vertel eens, waarom bent u hier?’ wilde Joschka Breitner weten.

Ik dacht even na. Er schoten me duizend redenen tegelijk te binnen, en tegelijk geen enkele. Ik bedacht dat je tegenover een mindfulnesstrainer een zekere mate van openheid aan de dag moet leggen. En na zijn lachbui vond ik de heer Breitner ook best sympathiek. Maar dat wilde nog niet zeggen dat ik bereid was om zomaar intieme details uit mijn privéleven ten beste te geven. De heer Breitner merkte mijn innerlijke gezwalk op.

‘Noem gewoon vijf dingen die te maken hebben met het feit dat u hier bent.’

Ik haalde diep adem en stak van wal.

‘Er zitten te weinig uren in een dag, ik kan me niet ontspannen, ik ben gestrest, mijn vrouw werkt op mijn zenuwen, ik zie mijn kind nooit en ik mis haar. En als ik al eens tijd heb voor mijn kind, dan ben ik in gedachten de hele tijd ergens anders. Mijn vrouw vindt mijn baan maar niks, op mijn werk vinden ze mij maar niks…’

‘U kunt niet tellen.’

‘Pardon?’

‘Negen van de vijf dingen die u noemt zijn klassieke symptomen van overbelasting. Kunt u een situatie schilderen waarin u die voelt?’

Ik hoefde er niet lang over na te denken wanneer ik me voor het laatst overbelast had gevoeld en schetste hem de door mij als uiterst stressvol ervaren situatie zojuist voor de voordeur. Inclusief de achtbaanrit die mijn gedachten daarbij hadden gemaakt.

Hij knikte. ‘Zoals ik al zei, ik denk dat het aanleren van mindfulness heel nuttig voor u kan zijn.’

‘Goed, vooruit dan.’

‘Hebt u enig idee wat mindfulness is?’

‘Ik neem aan dat ik dat in de komende uren tegen een flinke vergoeding wel te weten kom.’

‘U bent het al gratis en voor niks te weten gekomen toen u net voor de deur stond,’ zei hij mild.

‘Toen was ik er waarschijnlijk niet helemaal bij met mijn hoofd.

‘Dat is precies het punt: u hebt circa drie minuten lang voor de deur gestaan, overwegend of u nog een keer zou aanbellen. Hoeveel van die honderdtachtig seconden zat u in gedachten elders?’

‘Een stuk of honderdzesenzeventig, ben ik bang.’

‘En waar zat u met uw gedachten?’
‘En waar zat u met uw gedachten?’

‘In de juwelierszaak, op het politiebureau, op kantoor, bij mijn cliënt, bij mijn dochter, bij de ruzie met mijn vrouw.’

‘In gedachten hebt u zich dus in hooguit drie minuten tijd op zes verschillende plaatsen opgehouden. Verbonden met alle door die plaatsen opgeroepen emoties. Heeft het u iets opgeleverd?’

‘Nee, ik…’

‘Waarom hebt u dat dan gedaan?’ vroeg hij oprecht belangstellend.

‘Dat gebeurde gewoon.’

Als een cliënt van mij zoiets in de rechtbank zou hebben gezegd, dan had ik hem verboden om zijn mond nog een keer open te doen.

‘Mindfulness komt er eenvoudig gezegd op neer dat zoiets u niet gebeurt.’

‘Aha. Kunt u dat misschien wat preciezer uitleggen?’

‘Het is heel simpel. Als je voor een deur staat te wachten, sta je voor een deur te wachten. Als je ruzie hebt met je vrouw, heb je ruzie met je vrouw. Dat is mindfulness. Als je voor een deur staat te wachten en je gebruikt die tijd om in gedachten verder te ruziën met je vrouw, dan is dat geen mindfulness. Dat is alleen maar dom.’

‘En hoe staat een mens dan mindful voor een deur?’

‘Door er gewoon te staan. U doet drie minuten lang niets. U stelt vast dat u daar staat en dat uw wereld niet in chaos verzinkt als u daar gewoon alleen maar staat. Integendeel. Als u het moment verder niet beoordeelt, kan het ook niet iets negatiefs hebben. U neemt de natuurlijke dingen waar. Uw ademhaling, de geur van de pas gebeitste deur, de wind in uw haar, uzelf. En als u zichzelf daarbij liefdevol waarneemt, dan bent u na die drie minuten van alle stress bevrijd.’

‘Ik had niet eens een tweede keer hoeven aanbellen?’

‘U had de eerste keer niet hoeven aanbellen. Zonder enige intentie voor de deur gaan staan is meer dan genoeg.’

Ik had het gevoel dat ik met dat basisprincipe wel wat kon beginnen. In elk geval was de spanning uit mijn nek verdwenen. Dat de heer Breitner mij slechts enkele minuten later mijn mantra voor mijn eerste moord zou onthullen, besefte ik overigens pas weken later.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief