leesfragment

‘Mitra’ van Kaweh Modiri

Na de executie van haar dochter Mitra, in 1981 in Iran, is Haleh naar Nederland gevlucht. Haar leven wordt ruw verstoord wanneer ze het bericht krijgt dat de vrouw die ze verantwoordelijk houdt voor de dood van haar dochter, in Nederland is. Omdat ze de waarheid wil weten, besluit Haleh contact met haar te zoeken. De vrouw blijkt te zijn gevlucht. Hoe nauwer Haleh betrokken raakt bij hun levens, hoe meer ze heen en weer wordt geslingerd tussen twijfels over de ware identiteit van de vrouw en haar eigen wraakgevoelens.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van Mitra, een indringend verhaal van een moeder en een verloren dochter van Kaweh Modiri.

NEDERLAND

Als Haleh zich zou laten leiden door haar emoties, dan zouden er onophoudelijk bosbranden woeden, tsunami’s razen, vliegtuigen neerstorten en benzinestations ontploffen. Op tweeënzeventigjarige leeftijd is ze nog even onberekenbaar als toen ze een tiener was en in de straten van Teheran speelde. Ze heeft zich aangeleerd om de plotselinge opwellingen de kop in te drukken, ‘erdoorheen te ademen’, zoals Sylvie, haar personal trainer, het zegt. Ze ademt door alles heen, en toch kan ze de gloeiende kolen voelen in haar onderbuik.

Ze komt eerder dan afgesproken aan bij Archibald in Bussum, een fusionrestaurant met een fenomenale selectie aan jonge, Portugese wijnen uit de Algarve. Zo introduceerde Rob het aan haar. Het is hun plek voor speciale gelegenheden, die hij er zelf bij bedenkt. Zoals de viering van hun eerste zes maanden, de eerste keer dat ze samen naar de film gingen, hun eerste wandeling langs de Loosdrechtse plassen, of de dag dat ze voor het eerst samen op reis gingen naar het Zwarte Woud, waar Haleh die week een lezing hield aan de Universiteit van Freiburg. Met de verbetenheid van een belastinginspecteur houdt hij alles bij. Ze hebben een verstandhouding die tot op heden functioneert, zonder franje, maar ook zonder schadelijke bijwerkingen. Eens in de paar weken brengen ze een avond met elkaar door, vervangt hij een lamp bij haar thuis die ze zelf ook had kunnen vervangen, bespreken ze onrechtmatigheden die hij, immer ijverig, is tegengekomen toen hij op pad was voor zijn werk. Zijn eigenaardige observaties, die een weerspiegeling zijn van zijn innerlijke dillema’s, amuseren haar. Hij is iemand die zich immer wenst uit te spreken tegen misstanden die zich vlak voor zijn neus afspelen, ook wanneer dat niet raadzaam is. De zaken die Rob ter sprake brengt betreffen veelal jongeren uit andere windstreken, met andere kleuren en talen, maar, correct als hij is, zorgt hij er altijd voor dat minstens drie van zijn tien voorbeelden eigen teelt asocialen betreft. ’s Nachts in bed legt hij zijn hand teder op haar schouder of streelt hij haar haren zachtjes tot ze in slaap valt, maar wanneer ze in de ochtend wakker wordt, voelt zijn hand zwaar als die van een vreemde. Tijdens het ontbijt kijkt ze hem aan met een veelzeggende blik die hem onverbiddelijk duidelijk maakt dat het tijd is om te gaan. Hij neemt zijn hoed en jas van de kapstok, laat zijn hoofd zakken en zegt haar vanuit de deuropening gedag. Dat is de stand van hun verstandhouding, en als hij niet de behoefte had gevoeld daar verandering in te brengen, had ze het best nog een hele poos kunnen verdragen. Maar de laatste tijd probeert hij haar toe te eigenen op een manier die haar helemaal niet bevalt. Het lijkt alsof hij de schoenen wil vullen van een echtgenoot. Het is al meer dan vijftig jaar geleden dat ze scheidde – een paar jaar voordat de man werd vermoord, waardoor ze feitelijk geen weduwe is – en toen al wist ze dat ze niet voor het huwelijk in de wieg is gelegd. Het is niet dat de vonk plotseling is uitgedoofd. Ze moet in alle eerlijkheid toegeven dat ze nooit de vlinders in haar buik voelde die andere mensen beschrijven wanneer ze verliefd zijn. Een keer, toen ze als jonge vrouw op de avondschool in Teheran zat om daarna sociologie te kunnen gaan studeren, had ze een jonge man leren kennen op wie ze misschien wel verliefd had kunnen worden. Misschien. Wie zal het zeggen? Het leidde tot niets, en er is inmiddels vijftig jaar verstreken.

Toen ze Rob eerder vandaag aan de telefoon sprak was hij in opperbeste stemming.
Toen ze Rob eerder vandaag aan de telefoon sprak was hij in opperbeste stemming. ‘Ik heb onze vaste tafel geboekt. Trek iets feestelijks aan als je wilt, iets kleurrijks. Dat past bij het thema van de avond.’

‘Thema van de avond?’

Hij had haar vraag beantwoord met een geheimzinnige lach. ‘Geen vragen stellen liefje, laat je verrassen.’ Ze draagt nooit kleurrijke kleding, hooguit een sjaal met een print, en ze houdt niet van verrassingen. Maar ze hield haar bedenkingen voor zich. Je moet onverwacht met slecht nieuws uit de hoek komen, in de dierentuin, een museum, of tijdens een verre vakantie met je omgeboekte retourticket al op zak. Als ze haar twijfel over wat er komen ging nu al zou laten doorschemeren, zou dat hem de tijd geven om zijn gedachten te ordenen en gepantserd voor de dag te komen.

De serveerster neemt Halehs jas aan en wijst haar naar hun vaste tafel, vlak onder de foto van Beatrix, Claus en Willem-Alexander als jonge jongen van zeventien. Als we de eigenaar mogen geloven, wordt het restaurant al generatieslang bezocht door leden van de koninklijke familie. ‘1986’ staat er met potlood onder geschreven. Het jaar dat ze naar Nederland kwam. Ze eigende zich de taal toe en stortte zich op alle vrijwilligersfuncties die maar in haar dag pasten; ze fungeerde als noodtolk bij dokters en advocaten, ondersteunde verschillende culturele initiatieven in het tijdelijke pension, en dwong iedereen te luisteren naar wat de lieve mensen van Vluchtelingenwerk te zeggen hadden.

Haar blik valt op een meisje dat aan de bar zit. Ze is twintig, eenentwintig jaar oud en heeft zwarte haren tot op haar schouders, een bleek gezicht met volle, ferme bogen als wenkbrauwen. Bruine, vurige Midden-Oosterse ogen. Ze glimlacht droevig wanneer ze Haleh ziet. Die kan haar ogen niet van het meisje afhouden. In haar dromen ziet ze haar regelmatig. Altijd jong, alsof de tijd heeft stilgestaan. Ze glimlacht altijd vragend, net als het meisje aan de bar. Is ze een landgenoot? Verklaart dat de gelijkenis? Een ander zou hebben gefronst, of weggekeken van Halehs gestaar. Maar zij niet. Ze poseert roerloos, ze weet wat er komen gaat.

Een dame neemt plaats aan de tafel naast Haleh. Ze is in gesprek met de serveerster. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze. ‘Ik was hier vorige maand met mijn man, en toen hebben we heel lang gekletst. Jorien, heet je toch?’ Ze heeft bloeddoorlopen ogen en uitgedunde krullen die haar hoofdhuid niet geheel bedekken. ‘Jorijn, heet ik. Ik weet het nog wel, geloof ik.’

‘Deze keer is hij niet mee.’ Ze maakt een droevig gezicht. ‘Hij ligt in het ziekenhuis. Hij kan niet meer zelfstandig ademen. We waren aan het golfen, en toen ineens, hij klapte in elkaar. Longen.’ Ze klopt zich tegen de borst. ‘In het ziekenhuis met kunstmatige beademing.’ De serveerster geeft de vrouw houterig klopjes op haar schouder. ‘We zullen goed voor u zorgen.’

De vrouw keert zich naar Haleh. ‘We komen hier elk jaar. Mijn man wil een boerderij kopen in deze omgeving en hem zelf opknappen, maar ik zeg vandaag tegen hem, ik zeg, daar kunnen we beter mee wachten, denk je niet?’ Ze lacht hardop. ‘Eerst maar eens normaal ademen jij, en niet doodgaan.’ Ze lacht nerveus. Dan plots weer ernstig: ‘Ik ben heel ongerust. Het is niet fijn. Bah! Ziekte. Ik hoop dat het je niet overkomt.’ Erdoorheen ademen, denkt Haleh. Erdoorheen ademen.

De serveerster vraagt haar wat ze wil drinken.
De serveerster vraagt haar wat ze wil drinken. ‘De vinho verde,’ zegt de vrouw, en dan tegen Haleh: ‘Ze hebben zulke geweldige wijn hier. Kun je nergens anders krijgen. Weet je dat maar twintig procent van alle Portugese wijn wordt geëxporteerd? Dat heb ik me in de Algarve door een knappe Portugees laten vertellen. De eigenaar importeert ze zelf.’

Het meisje aan de bar groet een man met een gezicht als een begrafenisondernemer. Ze geven elkaar een afstandelijke hand. Het meisje kijkt sip. De man kijkt op zijn horloge, en dan weer naar haar. Hij schudt zijn hoofd somber, alsof de tijd verstreken is en het wonder is uitgebleven. Wie is hij? Wat wil hij van haar? Ze wil op het meisje afstappen en haar vragen wat er is gebeurd, waarom ze zo bedroefd is. Maar ze durft de magische wand niet te breken, bang dat het meisje dan voorgoed zal verdwijnen.

Klokslag zeven uur arriveert Rob, stipt als altijd. Hij draagt een donkergroen jagersjasje, een gleufhoed, en een kaki broek. Hij geeft zijn hoed af en grijnst breed. Zijn krachteloze grijze krullen heeft hij trots naar achteren gekamd, een spitse neus en helderblauwe ogen. Hij beent met grote stappen op Haleh af. ‘Dag schat. Ik ben toch niet te laat?’

Schat. Het is niet lang geleden dat hij haar voor het eerst zo noemde, heel terloops, toen ze aan tafel zaten. Als hij goed naar haar had gekeken was het ook de laatste keer geweest. Het klonk niet goed. Te intiem. Een woord dat niet op z’n plaats was in hun verstandhouding. Maar omdat ze er niets van zei, bleef hij het aan haar opdringen, soms op momenten dat zelfs de sentimenteelste van alle tortelduiven het niet zou gebruiken, zoals die keer dat ze zijn nieuwe Tesla op de hellingbaan van de parkeergarage tegen de muur reed en een diepe kras maakte vanaf de koplamp tot aan de achterklep. ‘Schat,’ zei hij alleen maar, en hij bleef kalm zitten tot het geluid van schurend metaal niet meer nagalmde. Als verzekeringsinspecteur met meer dan dertig jaar werkervaring bij een van de grootste maatschappijen van het land is hij een man met een dekking tegen elk ongeluk dat hem mogelijk wacht, en dat geeft hem een zekere bovenmenselijke zelfverzekerdheid, alsof hij onaantastbaar is. Hij roept de serveerster meteen bij zich. ‘We willen de nieuwe quinta dos vales, die vanmiddag is binnengekomen, heb ik me laten vertellen.’

‘Dat klopt,’ zegt de serveerster. ‘U bent goed op de hoogte. Fles water erbij?’ Ze maakt zich uit de voeten.

‘Ik was op werkbezoek in Amsterdam,’ begint Rob, ‘een afgebrand pand van een schoenenimporteur. Ik dacht milieubewust te zijn en nam de trein en tram. Op de weg terug zie ik een jongeman, ik durf niet te zeggen waar hij vandaan komt, hij stapt in en checkt in met zijn kaart, loopt vervolgens naar de volgende paal in de tram, en checkt buiten het oog van de conducteur meteen weer uit! Ik denk, wat krijgen we nou? Gaat die slimmerik op de tram zonder te betalen voor de rit? Ik loop naar hem toe en zeg: “Beste jongen, dat doen we hier niet, zwartrijden. Zou je zo vriendelijk willen zijn netjes in te checken zoals iedereen?” Ik vroeg het heel kalm, maar met autoriteit, terwijl ik met mijn blik ook de aandacht van de conducteur zocht. Pakt die snotneus me bij mijn kraag. Zegt dat ik me met mijn eigen zaken moet bemoeien, en moet ophoepelen, terug naar mijn dorp. Dat hij anders mijn paraplu in mijn achterste steekt en hem net zo lang openen dichtklapt tot ik kakel als een kip!’ Hij houdt zijn hand voor zijn mond en kijkt haar met gespeelde verontwaardiging aan. ‘De vulgariteiten die ik naar me toe geslingerd kreeg. En weet je wat ik nog het ergste vind? Niemand die er iets van zegt! Zelfs de conducteur zat er maar bij en keek ernaar, het kon haar werkelijk niet boeien. Alsof ik het er zelf naar had gemaakt! Ik ben bij de volgende halte uitgestapt, uit protest, en ben naar het station gelopen. Ik zal nog wel een officiële klacht indienen. Zo makkelijk komen ze niet van me af. Maar genoeg daarover.’

De serveerster vraagt haar wat ze wil drinken.
Hij pakt haar beide handen vast. ‘We hebben iets te vieren!’

‘Wat dan?’ vraagt ze. Al die vieringen, waar zijn ze goed voor? Troosteloze kaarsjes op grootmoeders verjaardagstaart.

‘Eerst de wijn,’ lacht Rob, terwijl de serveerster inschenkt.

Hij proeft voor en smakt tevreden. Hij wacht tot de serveerster is vertrokken en heft zijn glas. ‘Op ons.’

Ze ziet het prangende ongeduld in zijn ogen en weet dat er onheil op komst is. Ze neemt een teug. Hij draait het wijnglas in het licht en bekijkt de kleur met een voldane uitdrukking. ‘Kijk nou toch,’ zegt hij bewonderend. ‘Bijna even complex als mijn meid.’ Zijn meid. Hij is een paar jaar jonger dan Haleh, maar hij spreekt soms als een dove opa die tijdens het kerstdiner over de oorlog vertelt. Hij vervolgt goedlachs: ‘Ik weet dat je het er niet graag over hebt, maar je pensioen staat voor de deur.’

Ze schudt driftig met haar hoofd. ‘Ik ga niet met pensioen, ik stop met college geven. Ik moet er niet aan denken te stoppen met werken. Dat zou voor niemand wenselijk zijn.’

‘Ik weet dat je aan een publicatie werkt, en er zullen er ongetwijfeld nog vele volgen. Noem het geen pensioen als je wilt, maar je zult plotseling veel vrijheid hebben, toch? Ik bedoel, je kunt je werk ook ergens anders doen?’

Ze bekijkt hem met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Wat insinueer je?’

‘Ha!’ lacht hij luid. ‘Zit je op hete kolen?’

‘Uiteraard.’

‘Ongeduldig als altijd. Daar hou ik van. Je tolereert geen tijdsverkwanseling en lapzwanserij. Je zou een goede minister-president zijn.’

‘Dat betwijfel ik.’

‘Waarom niet? Je leeftijd? Ach, dat zegt niets.

‘Dank daarvoor, maar ik bedoelde niet mijn leeftijd.’

‘Aha, je temperament. Ja, dat zou een probleem kunnen zijn. Maar daarom moet je iemand hebben die je, hoe zullen we het zeggen, in balans houdt. Iemand die jouw golvende bewegingen haarfijn aanvoelt en met je meedeint.’

Ze grinnikt. ‘En die iemand ben jij?’

Zijn ogen lichten op van blijdschap. ‘Meen je dat?’
Zijn ogen lichten op van blijdschap. ‘Meen je dat?’

‘Nee, ik stel een vraag. Ik vraag je of je jezelf ziet als een soort onderminister die me in bedwang houdt, of, hoe noem je het, met me meedeint?’

‘O nee, beslist niet!’ zegt hij driftig hoofdschuddend. ‘Jou in bedwang houden is niet het oogmerk, bovendien schier onmogelijk. Ik bedoel meer, een partner, iemand die je kent, en alles doet om jou te laten schitteren.’

‘Hebben we het nog over het minister-presidentschap?’

Hij lacht schuchter. ‘Neen. Dat was slechts een inleiding.’

De serveerster komt de bestelling opnemen.

‘Wil jij de kreeftenbisque?’ vraagt hij. Haleh knikt. ‘En voor mij de rouleau van tonijn als voorgerecht, en, wat was het ook alweer?’ Hij pakt het menu erbij.

Het meisje aan de bar heeft haar gezicht weggedraaid van de begrafenisondernemer en kijkt smekend om zich heen. Heel even vangen haar ogen die van Haleh, een prangende blik van mijlenver, doch haarscherp. De tijd verstilt.

‘Wat zal ik vandaag eens nemen?’ vraagt Rob, nog altijd verzonken in het menu.

‘De kalfsoester?’ springt de serveerster gretig bij.

‘Ja, inderdaad,’ reageert Rob enigszins verrast, alsof hij zelf nog niet doorheeft dat hij altijd hetzelfde bestelt. De serveerster noteert de bestelling en vertrekt.

‘Vond je dat niet brutaal?’

Haleh haalt haar schouders op. ‘Je sprak net nog je lofzang uit over ongeduld.’

‘Dat is waar, maar dit is een geheel andere situatie. Deze jongedame wilde niet eens wachten tot ik mijn keuze had gemaakt.’

‘Omdat ze al wist wat je wilde.’
‘Omdat ze al wist wat je wilde.’

‘Dat doet er niet toe. Ik had kunnen zeggen: “Hetzelfde als altijd”.’

‘Precies. Maar dat deed je niet.’

‘Nee, omdat ik nog even in alle rust naar de kaart wilde kijken.’

‘Dus jij vindt dat als je al die keren dat je hier bent geweest hetzelfde hebt besteld, de bediening niet mag aannemen dat je dat nu ook wilt?’

‘Inderdaad. Misschien dat ik als stamgast van een of andere bruine kroeg het wel op prijs zou stellen als mijn glaasje reeds wordt volgeschonken zodra ik lallend door de klapdeuren kom. Maar ik ben geen stamgast, en dit is geen kroeg.’

‘Ben je in gevecht met de routinematigheid van je eigen leven, Rob?’

‘Allicht, en ik wens er niet mee te worden bespot. Dat brengt me terug bij het onderwerp.’

‘Eindelijk. Waar hadden we het precies over?’

‘Nou, wat ik probeer te zeggen is…’ Hij kijkt naar het plafond en denkt heel even na. ‘In tegenstelling tot jou, ben ik niet meer zo gedreven als ik ooit was. Om heel eerlijk te zijn, ik denk dat ik het nooit was. Werk was voor mij altijd secundair, ik deed het omdat het nu eenmaal moet, nietwaar? Maar sinds de dood van Truusje heb ik me heel vaak afgevraagd waarom, want voor het geld hoefde het niet. Ik heb de maatschappij tientallen miljoenen bespaard door mijn liefdeloosheid en lethargie, en ben daar rijkelijk voor beloond.’ Hij laat een veelbetekenende stilte vallen.

De regels van hun ontmoetingen zijn altijd glashelder geweest. Geheel vrijblijvend, zoals het peperdure Perzische kleed dat de tapijtenhandelaar onder haar arm had gestoken om op zicht mee te nemen, zonder enig bewijs van transactie. ‘Probeert u het maar, als het u niet bevalt mag u het terugbrengen!’ had hij vol vertrouwen gezegd. Voor Rob geldt hetzelfde, als hij haar niet meer bevalt zal ze hem retourneren in een al gefrankeerd pakketje. Hun samenzijn is niet iets waar een toekomstperspectief aan kleeft. Het is niet vitaal en urgent genoeg om een diepgaande bevraging te verduren.

‘Rob…’ wil ze hem onderbreken.

‘Nee, laat me uitpraten alsjeblieft.’
‘Nee, laat me uitpraten alsjeblieft. Als ik het niet zeg, zal ik mezelf dat voor de rest van mijn leven kwalijk nemen.’ Wat moet ze daar nog tegen inbrengen?

‘Ik dacht, waarom gaan we de wereld niet verkennen? Ik bedoel niet alleen reizen, maar echt ergens anders wonen. Een warm oord. Cambodja, Panama, of Uruguay? We kunnen een wijngaard beginnen, citroen- en mandarijnbomen planten, wandelingen maken over zoutvlaktes. Zou je dat niet fantastisch lijken? We hebben allebei geen kinderen, en binnenkort geen vaste baan. We hebben allebei voldoende financiële middelen. Wat houdt ons tegen?’

Het meisje aan de bar komt overeind, de begrafenisondernemer blijft vlak voor haar staan en spreekt haar driftig toe. Haleh wil horen waar ze het over hebben. Maar Rob praat maar door, verwacht nog antwoorden.

‘Waar zou jij graag willen dat we gaan wonen?’

Ze kijkt naar de homp brood en de boter op tafel, dan weer naar Rob. ‘Ik wil dat we nergens gaan wonen,’ zegt ze kil. Hij leunt achterover. Er volgt een stilte.

‘Ben je boos?’ stamelt hij.

‘Ja! Natuurlijk ben ik boos. Je kunt toch niet zomaar voorstellen om samen te emigreren? Als ik met iemand wilde samenwonen, denk je dan niet dat ik dat had gedaan toen ik veertig was? Of vijftig? Of vooruit, zestig! Denk je dat er in al die jaren niemand was die wel wilde?’

Hij slikt. ‘Ik veronderstelde dat het vanwege je carrière was, dat je er gewoon geen tijd voor had, en dat je nu misschien wel… Want waarom zou je anders geen partner hebben? Iemand die van je houdt, iemand die je verafgoodt, je aanbidt, iemand als ik?’

‘Omdat ik dat niet wil, Rob. Omdat ik er geen behoefte aan heb!’

Heel even is hij stil. Teleurstelling druipt van zijn gezicht. Het meisje aan de bar komt overeind en pakt haar regenjas van de kruk.

‘Het hoeft niet,’ stamelt hij, ‘het was alleen een idee.’

‘Het spijt me,’ zegt Haleh, en ze komt overeind.

Hij kijkt haar verbouwereerd aan. ‘Waar ga je heen?’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief