leesfragment

‘Moeders’ van Chris Power

Moeders  wordt bevolkt door de rustelozen: ze lopen, rennen, reizen, doen wat dan ook om maar niet stil te staan. Het zijn moeders, dochters, geliefden en families die proberen te vluchten van dat ene allesbepalende moment dat hen hun hele leven achtervolgt: een gemiste kans, een onverwerkt trauma, een knagende ongelijkheid. Chris Power beschrijft fijnzinnig de ontoereikende manieren waarop wij mensen daarmee proberen om te gaan.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van de verhalenbundel Moeders.

De zomer van 1976

Ik heb nagedacht over mijn moeder en de zomer waarin ik loog over Nisse Hofmann. Het was al zes lange weken bloedheet; je kon de hele dag buiten zijn zonder een briesje te voelen. Ik zou in september elf worden, maar de hete dagen verstreken zo traag dat ik het gevoel had dat mijn verjaardag nooit zou komen. De berk op het grasveld bij ons appartementenblok stond stil als een schildwacht; geen tak bewoog. De schors verstofte en de bladeren hingen slap als vodden. Overdag, als er geen mens op straat was, leek het alsof de wereld was blijven stilstaan.

Overdag leek het alsof de wereld was blijven stilstaan.
Mama en ik waren dat voorjaar vanuit Stockholm verhuisd naar dit nieuwe complex buiten de stad. Alles was brandschoon en eenvormig, tot de berk op het grasveld bij elk blok aan toe. Iedereen wilde er wonen, maar mama’s vriendje, Anders, kende iemand bij de woningcorporatie. Het was Anders die had gezegd dat we weg moesten uit onze oude woning, die klein en vervallen was. Dit was pas leven, zei hij: met veel bewegingsruimte en groen om je heen. Het kwam pas later bij me op dat het oude appartement hem niet aanstond omdat mama daar had gewoond met mijn vader. En met mij, maar papa was al lang geleden gestorven en ik was toen te jong om me er iets van te herinneren. ‘Hij was gezond en toen werd hij ziek en toen ging hij dood,’ had mama uitgelegd. ‘Zomaar,’ zei ze, en ze sloeg haar handen tegen elkaar alsof ze er meel van afklopte. Nadat we naar het nieuwe huis waren verhuisd, weg van de geest van mijn vader, probeerde Anders me zijn kleine meisje te noemen, maar hij probeerde het niet lang.

Ons gebouw was lang en rechthoekig en spectaculair wit. Het had vier verdiepingen en vier trappenhuizen: A, B, C en D. We woonden in 4B, op de tweede verdieping. Er hing een grote wereldkaart aan de muur van mijn slaapkamer en in de la van mijn nachtkastje lag een vel stickers, rode en blauwe. De rode stickers waren voor de landen waar ik was geweest en de blauwe stickers waren voor landen die ik wilde bezoeken. De enige landen met rode stickers waren Denemarken en Zweden. Soms verwijderde ik de sticker van Zweden, want het had iets van valsspelen, maar vroeg of laat plakte ik hem altijd weer terug. Het aantal blauwe stickers groeide in de loop van de tijd: Frankrijk, Ierland, Rusland, Spanje, Brazilië, Amerika, Joegoslavië. Ik koos landen omdat de klank van hun naam me beviel of omdat ik er op tv iets over had gezien of omdat ik over ze had gelezen in de reisgids van mijn moeder; een dikke paperback die ik soms op mijn schoot hees om urenlang te lezen. Sommige landen, zoals Japan, had ik gekozen omdat ik de vorm leuk vond.

Nisse Hofmann woonde ook op de tweede verdieping, een trappenhuis verderop. Hij was ongeveer net zo oud als ik en had ook geen vader. Onze appartementen grensden aan elkaar en zelfs onze slaapkamers lagen pal naast elkaar. Soms zag ik hem bij het raam, dan stond hij stickers op het glas te plakken. Van buitenaf zag je alleen de witte achterkanten, maar ik zag aan de vormen dat het soldaten en vliegtuigen en auto’s waren. Soms kwam ik ’s nachts mijn bed uit en dan legde ik mijn oor tegen de muur in een poging om hem te horen.

Soms kwam ik ’s nachts mijn bed uit en dan legde ik mijn oor tegen de muur in een poging om hem te horen.
Nisses moeder was de mooiste vrouw die ik ooit had gezien. Ze had witblond haar en was zo knap dat ze er wreed uitzag. Ik begreep niet hoe iemand zoals zij kon bestaan in zo’n saaie plek als ons appartementenblok. Met die gedachte leek ze zelf ook te worstelen. Ik heb haar nooit blij zien kijken, maar dat ging niet ten koste van haar schoonheid. Mijn moeder was op haar manier ook knap, maar de zorgen die ze zich altijd leek te maken over allerlei zaken manifesteerden zich in de rimpels op haar gezicht en dan zag je niets anders meer. Ik kijk niet graag in de spiegel, maar als ik dat toch doe, is het haar gezicht dat me aanstaart. Behalve dat ik nu veel ouder ben dan zij ooit is geworden.

Als ik mevrouw Hofmann met mannen zag, vroeg ik me af of ze net zo erg waren als Anders, of misschien nog erger. ’s Nachts vroeg ik me weleens af of Nisse zijn oor ooit op dezelfde plek tegen de muur legde als ik, met slechts een paar centimeter tussen ons in. Ik zag zijn blonde haar opgloeien in zijn donkere kamer.

Niet dat ik Nisse aardig vond. Hij rende als een beest rond de appartementenblokken, vertrapte bloemen en sloeg bomen. Soms weekte hij een klompje droge aarde om dan van de modder plakken te maken, die hij naar andere jongens gooide. Hij rende achter meisjes aan met zijn zwarte, glibberige handen voor zich uitgestrekt. Ik bleef bij die spelletjes uit de buurt. Ik speelde weleens met andere kinderen die in het complex woonden, maar nooit met Nisse.

Op een dag zag ik een groepje van zeven of acht kinderen over iets gebogen staan op de hoek van ons blok. Ze stonden en knielden in een bloembed en waren gefascineerd door iets wat ik niet kon zien. Ik was nieuwsgierig en probeerde over hun ruggen te kijken naar wat ze zo interessant vonden. ‘Wat is het?’ vroeg ik, omdat ze zo dicht tegen elkaar aan stonden dat ik het niet kon zien.
Net op dat moment stond Nisse op uit het midden van het groepje, waar ik hem niet had gezien. Iedereen deinsde terug. ‘O, dit,’ zei hij terwijl hij zich omdraaide, en ik zag iets kleins en wazigs snel op me afkomen. Ik stak automatisch mijn hand uit om het te vangen: een dode muis. Ik had hem maar een moment in mijn handen voordat ik hem op de grond gooide. Ik sidderde van de koude, stijve compactheid van de muis. De vacht was stekelig en plakkerig van de modder. Het gevoel bleef aan mijn handen kleven. Iedereen om me heen lachte.

‘Vies ding!’ schreeuwde ik tegen Nisse.

Ik weet nog dat ik glimlachte toen ik, heel zacht, Nisse hoorde huilen.
Ik rende huilend naar mijn appartement en vertelde, nadat ze had vastgesteld dat ik geen verwondingen had opgelopen, aan mijn moeder wat er was gebeurd. ‘Oké,’ zei ze, en ze verliet het appartement. Ik liep naar het raam en zag dat ze uit onze deur kwam en naar het volgende trappenhuis liep. Die avond hoefde ik niet mijn oor tegen de muur te leggen. Ik kon mevrouw Hofmann duidelijk tegen Nisse horen schreeuwen, al kon ik die hese, barse stem niet rijmen met haar schoonheid. Het was alsof er in hun appartement een andere vrouw was die alleen verscheen als er iemand moest worden gestraft. Later, lang nadat het schreeuwen was opgehouden, ging ik rechtop in bed zitten en duwde mijn oor tegen de koele muur. Ik weet nog dat ik glimlachte toen ik, heel zacht, Nisse hoorde huilen.

 

Het was alsof ik in het hart van een enorme wijzerplaat zat
Mama werkte op kantoor in een fabriek in de buurt en Anders reed elke dag in zijn bejaarde Saab naar Stockholm voor zijn werk, dat iets te maken had met het telefoonnetwerk van de stad. Toen ik hem er eens naar vroeg, zei hij dat het te ingewikkeld was voor kleine meisjes. Ik was in de vakanties vaak alleen, maar dat vond ik niet erg. Als ik maar boeken had, verveelde ik me nooit. Overdag zat ik vaak te lezen in de gevlekte schaduw van de berk en bewoog ik me rond de stam naarmate de schaduw over het grasveld bewoog. Het was alsof ik in het hart van een enorme wijzerplaat zat, terwijl de schaduw van de boom eerst over ons blok viel en daarna over de belendende blokken. Een paar dagen nadat hij de dode muis naar me had gegooid, rende Nisse langs me heen. Hij deed alsof hij me niet zag, maar ik zag aan de beweging van zijn ogen dat hij me van opzij bekeek. Ik kon zulke dingen veel beter verhullen dan hij. Hij maakte harde geluiden en dook op de grond – hij bestormde groepjes schutters met machinegeweren en stortte zich op granaten – maar na een poosje vond hij zijn spel niet meer interessant en werd hij stil. Ik ging op in mijn boek. Toen ik weer opkeek, zag ik hem tot mijn verbazing nog steeds staan. Hij staarde naar ons gebouw.

‘Wat krijg ik van je als ik deze door het middelste raam kan gooien?’ vroeg hij, terwijl hij een rode appel liet zien waar al een hap uit was genomen. Hij keek naar de ramen bij de galerij, die die zomer dag en nacht openstonden om nog iets van luchtcirculatie op gang te brengen in het gebouw. ‘Dat is het raam van mijn appartement,’ zei ik.

‘Weet ik. We zijn buren.’

Mijn gezicht begon te gloeien toen hij dat zei. Ik had niet gedacht dat het idee bij Nisse zou opkomen. Bij niemand eigenlijk, behalve bij mij. Misschien legde hij inderdaad net als ik zijn oor tegen de muur, dacht ik. Misschien hadden we echt op hetzelfde moment geprobeerd elkaar te horen. ‘Dat lukt je niet,’ zei ik.

‘Heus wel.’ ‘Oké, laat maar zien dan.’

Ik besefte dat ik macht over hem had. Die gedachte vond ik spannend.
‘Maar wat krijg ik dan van je?’ vroeg Nisse. Hij probeerde uitdagend te klinken, maar er zat iets zeurderigs in zijn stem. Ik besefte dat ik macht over hem had. Die gedachte vond ik spannend.

‘Laat eerst maar eens zien dat je het kan,’ zei ik nonchalant.

‘Dan zien we wel verder.’

Nisse keek op naar het raam. Hij deed een paar stappen achteruit en liet de appel in zijn hand een paar keer op en neer gaan. Terwijl hij zijn rechterhand naar achteren bracht, hield hij de linker voor zich uit, wijzend op zijn doelwit. Hij gooide de appel hard en die vloog door het raam alsof hij aan een draadje naar binnen was getrokken. Met een flauw geluid raakte de appel iets. Nisse draaide zich grijnzend om. Ik grijnsde ook.

‘Ik zei het toch. Wat krijg ik van je?’ Ik legde mijn boek naast me op de grond en stond op. ‘Kom hier,’ zei ik.

Nisse liep op me af en ik voelde ondanks de hitte een rimpeling van kippenvel op mijn huid. Hij kwam voor me staan. We waren even groot.

‘Doe je ogen dicht,’ zei ik.

‘Waarom?’

‘Doe je ogen dicht, dan krijg je je beloning.’

Nisse sloot zijn ogen en ik legde mijn handen op zijn schouders. Hij schrok een beetje van mijn aanraking.

Het was alsof je op een hete dag de koude zee in rende.
‘Hou je ogen dicht,’ zei ik. Hij kneep ze nog harder dicht. Ik bracht mijn lippen naar de zijne. Ik sloot ook mijn ogen en voelde een golf van iets door me heen gaan. Het was alsof je op een hete dag de koude zee in rende.

We bleven een paar seconden zo staan, kalm als de boom boven ons. Toen trok Nisse zich terug. Hij leek geschokt. Hij wilde iets zeggen, maar bracht alleen een geluid voort. Hij veegde zijn hand langs zijn mond en duwde me weg. Ik viel achterover op het droge gras. Hij rende weg en verdween om de hoek van het gebouw.

Ik huilde niet. Ik denk dat ik dat niet eens wilde. Ik staarde met een vreemd verdoofd gevoel naar de haveloze bladeren die boven me hingen. Ik pakte mijn boek en liep de trap op naar het appartement. De appel had de muur van de galerij geraakt vlak naast onze voordeur en was uit elkaar gebarsten. Op de muur was een vlek zichtbaar, als geworpen verf. Kleine stukjes vruchtvlees waren blijven plakken en op de grond gespat. Ze kleurden door de hitte al bruin. Ik stapte eroverheen, liep naar binnen en ging meteen naar mijn kamer, waar ik op bed ging liggen.

Ik hoorde Anders roepen zodra hij zag wat Nisse had gedaan. ‘Vandalen!’ schreeuwde hij. Hij stormde met woedende ogen mijn kamer binnen en vroeg wat ik wist over ‘die walgelijke troep bij onze voordeur’. Ik zei dat ik de hele middag had geslapen, dat ik er niets van wist. Tot mijn verbazing geloofde hij me.

Wil je graag verder lezen? Moeders  bestel je hier:

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief