leesfragment

‘Nacht in Parijs’ van E.O. Chirovici

De indrukwekkende opvolger van Boek der spiegels van E.O. Chirovici is er! Nacht in Parijs is een intrigerend mysterie over geheugen, motieven en hoe weinig we eigenlijk over onszelf weten. Ontdek hier de eerste pagina’s!

Proloog

Parijs, oktober 1976

Terminal 1 van de Parijse luchthaven Charles de Gaulle had de vorm van een octopus: talloze armen bestaande uit corridors en aanbouwen strekten zich uit vanaf het centrale lichaam en verbonden de dienstverleningsruimten met de andere voorzieningen. Het was er futuristisch, overvol en rumoerig, en toen de jongeman de kolossale entreehal binnenkwam, voelde hij een bijna onweerstaanbare drang om rechtsomkeert te maken en ervandoor te gaan.

De avond ervoor had hij zijn ticket gekocht, bij een bureau in de buurt van de Rue de Rome. Zijn vlucht ging pas over vier uur, dus hij zou heel wat tijd moeten doorbrengen in deze ruimte waar de lucht met de minuut dunner werd.

Hij pakte zijn tas op en liep naar de eerste verdieping, op zoek naar een plek om te zitten. De beveiliging was aangescherpt sinds juni, toen een vlucht van Air France was gekaapt door terroristen en gedwongen was naar Oeganda te vliegen, met tweehonderdachtenveertig passagiers aan boord. Overal waren patrouilles, waarvan de agenten waren uitgerust alsof ze in een postapocalyptische film speelden. Hij probeerde niet de fout te maken naar hen te kijken, wat hun aandacht zou hebben getrokken.

Hij vond een vrij tafeltje in een koffietentje aan het eind van de promenade, bestelde een dubbele espresso en zette zijn tas onder zijn stoel.
Hij vond een vrij tafeltje in een koffietentje aan het eind van de promenade, bestelde een dubbele espresso en zette zijn tas onder zijn stoel. Door de ramen kon hij sombere regenwolken langs de schemerende hemel zien drijven, en vliegtuigen die voor de hangars waren opgesteld, met onderhoudsploegen en bussen vol passagiers krioelend ertussen. Op een kleine transistorradio vlakbij klonk zachtjes ‘Killing Me Softly’ van Roberta Flack – alsof het lot hem bespotte.

Hij was vastbesloten geweest om niet te veel na te denken over wat er twee nachten geleden was gebeurd, in elk geval niet totdat hij terug was in de VS. Het was mogelijk dat haar ouders al alarm hadden geslagen, en dat de autoriteiten al op de uitkijk stonden. In dat geval zou hij een van de voornaamste verdachten zijn, en zou de politie er alles aan doen om te verhinderen dat hij het land verliet.  Hij moest het land uit zien te komen, veilig thuis zien te komen – wat klonk dat woord heerlijk, dacht hij bij zichzelf: thuis – en kijken hoe goed het plan dat hij in werking had gezet zou uitpakken.

Elke keer dat dat idee in zijn gedachten opkwam, voelde het aan als een stomp in zijn maag.
Het ging niet alleen om het juridische probleem. De gedachte dat hij haar nooit meer zou zien was onverdraaglijk. Elke keer dat dat idee in zijn gedachten opkwam, voelde het aan als een stomp in zijn maag. Hij was altijd bang geweest voor het onomkeerbare, voor daden die nooit meer hersteld konden worden, ongeacht of hijzelf of iemand anders er verantwoordelijk voor was.

Toen hij zes was, had hij een goudvis cadeau gekregen, in een kom met de vorm van een halve voetbal. Na ongeveer een maand was hij een paar dagen lang vergeten hem eten te geven of het water te verversen, of allebei, en was de vis gestorven. Op een ochtend trof hij hem bewegingloos aan, aan de oppervlakte drijvend als een klein glinsterend juweel. Zijn moeder had tegen hem gezegd dat goudvissen van die soort misschien te gevoelig waren en dat hij het toch niet zou hebben overleefd, maar hij geloofde haar niet. Hij wist dat het zijn schuld was geweest, zelfs al had niemand hem erom berispt. En hoeveel spijt hij ook had, er was niets meer aan te doen.

Hij nam net een slok van zijn koffie toen een lange, bezwete man vroeg of hij aan het tafeltje mocht gaan zitten. Hij schrok en morste bijna, maar knikte om aan te geven dat de andere stoel vrij was. De man bestelde een cappuccino en twee croissants, die hij naar binnen begon te schrokken zodra de serveerster ze had gebracht.

‘Dit is de eerste keer dat ik op deze nieuwe luchthaven ben,’ bekende de man. Hij veegde de kruimels van tafel en maakte een zwaaiende beweging met zijn hand. ‘Ik vind dat ze goed werk hebben geleverd, u niet?’

Hij sprak Frans met een vreemd accent, waarbij hij de r rollend uitsprak en medeklinkers inslikte. De jongeman mompelde iets instemmends. Hij veegde zijn mond af met een servet, en realiseerde zich meteen dat dat afvegen van zijn mond de afgelopen dagen een soort dwangmatige handeling was geworden, alsof hij probeerde de vlekken te verwijderen van het…

‘Bloed,’ zei de man.

‘Wat?’ flapte hij eruit en hij staarde hem aan.

‘Volgens mij zit er een bloedvlekje op uw jasje,’ legde de man uit.

‘Ik heb verstand van dat soort dingen. Ik ben arts.’

De jongeman probeerde de plek te vinden waar de man het over had, maar dat lukte niet; het was ergens bij zijn schouder, en hij zou zijn jasje uit moeten trekken om het te kunnen zien.

‘Misschien heb ik me gesneden bij het scheren,’ zei hij. Plotseling voelde hij zijn keel droog worden en het zweet langs zijn rug lopen.

‘Vreemd. Ik zie nergens een snee op uw gezicht. Bent u Engelsman?’

‘Nee, Amerikaan. Ik moest maar eens gaan. Het was aangenaam kennis met u te maken, het beste.’

De man keek hem verbaasd aan en mompelde iets terug, maar hij was al opgestaan en weggeglipt tussen de groepen mensen die naar de winkeletalages keken. Aan het andere eind van de promenade waren een paar toiletten, en hij ging een hokje binnen en deed de deur op slot. De sterke geur van luchtverfrisser maakte hem misselijk en hij wist maar net de espresso binnen te houden die nu in zijn keel omhoogkwam. Hij haalde zijn paspoort uit zijn zak, sloeg het open en keek naar de foto, terwijl hij probeerde zich zijn eigen gezicht voor de geest te halen. Het is oké, zei hij tegen zichzelf, alles is oké. Ik hoef het alleen maar nog een uur of twee uit zien te houden en dan maken dat ik hier wegkom.

Niemand zal er ooit achter komen.

Niemand zal er ooit achter komen. Hij verliet het hokje en bekeek zijn spiegelbeeld terwijl hij zijn handen waste. Hij zag de bloedvlek die de man aan het tafeltje had opgemerkt; hij was zo groot als een dubbeltje. Hij trok zijn jasje uit, maakte een papieren handdoekje nat met zeepwater en begon erover te wrijven. Het handdoekje werd langzaam dof, vuil roze.

Twee uur later liep hij naar de balie, checkte zijn tas in, ging toen omhoog naar de vierde verdieping en liep vastberaden naar de paspoortcontrole. Terwijl hij in de rij stond te wachten, haalde hij een zakdoekje uit zijn zak en veegde zijn lippen af. Hij voelde nog steeds de brandende gewaarwording ervan toen hij de douanebeambte bereikte en door de sleuf in het glazen paneel zijn paspoort overhandigde.

New York, elf maanden geleden

‘Dames en heren, goedenavond. Mijn naam is James Cobb, en zoals sommigen van u waarschijnlijk al weten, heb ik me de afgelopen jaren in mijn onderzoek gericht op zogenoemde veranderde bewustzijnstoestanden; in het bijzonder hypnose. We zijn vanavond in de gelegenheid om hier samen te zijn dankzij de ruimhartige uitnodiging aan mij gedaan door de J.L. Bridgewater Foundation, die ik hierbij nogmaals wil bedanken.

Ik ga het niet hebben over mijn recente boek, dat hetzelfde onderwerp behandelt en waarvan ik hoop dat u het interessant leesvoer zult vinden, maar over de wegen die ik heb bewandeld om tot mijn conclusies te komen.

Zijn er ook rechercheurs, forensisch experts of openbare aanklagers onder het publiek? Ik zie een paar opgestoken handen. Ik ben ervan overtuigd dat ieder van u maar al te graag dagen- en nachtenlang onderzoek, honderden procedures, urenlange ondervragingen en laboratoriumwerk zou willen inruilen voor één hypnosesessie waarbij u de proefpersoon, die in trance is gebracht, één vraag kunt stellen: “Hebt u het gedaan?”

Maar zo werken de dingen niet.
Maar zo werken de dingen niet. In werkelijkheid hebben we geen garantie dat als een persoon eenmaal onder hypnose is, hij of zij de volledige waarheid en niets dan de waarheid zal vertellen, en dat ten minste twee essentiële aspecten van het communicatieproces echt volledig zijn geelimineerd: dissimulatie en fantasie.

Om diezelfde redenen wordt de leugendetector, die aanvankelijk door onderzoekers als een wonder werd verwelkomd, in de rechtszaal alleen als indirect bewijs geaccepteerd, en dan alleen nog maar in sommige gevallen, terwijl het in andere gevallen zelfs helemaal niet toelaatbaar is.

In de jaren tachtig waren er psychiaters die een slaatje sloegen uit het onthullen van zogenaamde gevallen van satanisch ritueel misbruik van kinderen, misbruik dat aan het licht zou zijn gekomen tijdens hypnosesessies waaraan de slachtoffers, nadat ze de volwassen leeftijd hadden bereikt, waren blootgesteld. Tegenwoordig weten we dat er destijds vele levens zijn verpest op basis van fantasieën als gevolg van de manipulatie van de deelnemers door hun zogenaamd objectieve onderzoekers. In trance onthulden de proefpersonen geen werkelijke herínneringen, maar reageerden ze zoals ze dachten dat de hypnotiseur het wilde.

Mijn onderzoek heeft daarentegen bevestigd dat als proefpersonen eenmaal onder hypnose zijn, hun wilskracht ingrijpend wordt verminderd en hun vrije wil vrijwel volledig wordt tenietgedaan. Dit is de reden waarom personen in trance in staat zijn dingen te doen die ze normaal gesproken zouden weigeren als de hypnotiseur het ze zou vragen.

Laat me u nu alstublieft een eenvoudige demonstratie geven. U moet antwoord geven op twee vragen, eerst de een, dan de ander, zo snel als u kunt. Oké, bent u er klaar voor? Goed, in de Bijbel staat het verhaal over een hoge toren, de Toren van…? Precies: Babel. Door wie werd Kaïn gedood?

Uw antwoord was Abel, hoewel ik ervan overtuigd ben dat u net zo goed weet als ik dat in de Bijbel staat dat het andersom was: Kaïn doodde Abel en vluchtte naar het land Nod, ten oosten van Eden. Waarom gaf u het verkeerde antwoord? De verklaring is niet zo eenvoudig als u misschien op het eerste gezicht geneigd zou zijn te denken.

Natuurlijk, het is duidelijk dat er een sterke associatie bestaat tussen “Babel” en “Abel”. Maar waarom had het zo’n sterk effect op u, zo sterk dat het u afleidde van het antwoord waarvan u wist dat het juist was? We moeten in aanmerking nemen dat ík het was die de vraag stelde, hier op het podium, en dat u mij, zonder enige bewijsgrond, superieure kennis toekent. In zo’n situatie vindt er een overdracht van verantwoordelijkheid plaats, die vooral zichtbaar is in gevallen van gewapend conflict, wanneer grote mensenmassa’s hun leiders volgen, ongeacht of hun bevelen voor een aanzienlijk aantal van hen de dood tot gevolg zouden kunnen hebben. U als publiek kent de persoon op dit podium automatisch vaardigheden toe die die van uzelf te boven gaan, en in zulke omstandigheden neemt de beïnvloedbaarheid toe.

Of stel u voor dat u in het Amazoneregenwoud bent en dat u door iemand naar een schuilplaats wordt gegidst.
Of stel u voor dat u in het Amazoneregenwoud bent en dat u door iemand naar een schuilplaats wordt gegidst. De overdracht van verantwoordelijkheid en geloofwaardigheid aan de gids is bijna volledig, omdat u zich in een vijandige en potentieel gevaarlijke omgeving bevindt, zodat uw leven bedreigd zou kunnen worden.

Ik heb u deze voorbeelden gegeven om u te laten zien hoe het werkt tijdens hypnose. De verantwoordelijkheid die de proefpersoon overdraagt aan de onderzoeker is veel groter dan in zogenaamd normale omstandigheden. Het mentale domein waar de proefpersoon doorheen wordt gegidst, is hem volkomen vreemd, maar dezelfde proefpersoon gaat ervan uit dat de onderzoeker een veel beter begrip heeft van die mentale ruimte. En ik zal u verklappen dat dit vaak niets meer is dan dat: een aanname.

Dan is er nog de kwestie van de relativiteit van wat we in brede zin “de werkelijkheid” noemen. We “weten” dat een proefpersoon, een voorwerp, een persoon echt zijn omdat we via onze zintuigen informatie verzamelen die ons, nadat ze door onze hersenen is verwerkt, tot deze conclusie brengt. Ja, het auditorium waarin u zit bestaat, de persoon die tegen u praat en de powerpointprojectie bestaan. Al die dingen zijn echt, toch? Dat weten we omdat we ze kunnen zien, horen en ervaren.

En dus weten we dat wat we ervaren “echt” is.
En dus weten we dat wat we ervaren “echt” is. Maar een proefpersoon onder de invloed van een krachtig middel zoals LSD weet, ziet en ervaart een volkomen andere “werkelijkheid”, die net zo overtuigend is voor hem als dit auditorium op dit moment voor ons is. Er is slechts de tussenkomst van een minuscule verandering in de complexe chemie van ons brein nodig om ons ons gelukkig te laten voelen of ons in een depressie te storten, om ons heel rustig te laten zijn of extreem gewelddadig, apathisch of geagiteerd, creatief of saai, ongeacht de “objectieve” werkelijkheid om ons heen en ongeacht het verleden en de opgedane kennis en informatie, die onze schijnbaar onwankelbare overtuigingen, meningen en gedragingen heeft vormgegeven.

En daardoor vroeg ik me af: wat voor soort werkelijkheid beschrijft een proefpersoon in een toestand van hypnose? De werkelijkheid van dat unieke en niet voor herhaling vatbare moment, de zogenaamde “objectieve” werkelijkheid? De “subjectieve” werkelijkheid zoals die wordt voorgesteld door de onderzoeker? De werkelijkheid gesmeed door overtuigingen en opvattingen die in de loop van een mensenleven zijn opgedaan, de werkelijkheid die we transcendent zouden kunnen noemen en die niet het resultaat is van de gebruikelijke cognitieve processen? Communiceert de proefpersoon wat hij gelooft, wat hij ziet, of alleen maar datgene waarvan hij intuïtief aanvoelt dat zijn mentale gids, de therapeut, wil dat hij het communiceert?

Laten we nu overgaan tot het tweede deel van onze bijeenkomst, waarin ik vragen uit het publiek zal beantwoorden. Ik heb met de organisatoren afgesproken dat het aantal vragen tot vijf beperkt zal blijven, gezien de tijdslimiet. Ik hoop dat degenen onder u die een vraag willen stellen hun namen al hebben opgeschreven op de lijst bij de ingang. Aan het eind zal er een boeksigneersessie plaatsvinden bij die tafel. Dank u voor uw tijd en het was me een grote eer en een groot voorrecht om hier vandaag te zijn.’

Die avond, na de lezing, was ik van plan geweest om samen met Randolph Jackson, een vriend van me, en Brenda Reuben, mijn agent, uit eten te gaan.
Die avond, na de lezing, was ik van plan geweest om samen met Randolph Jackson, een vriend van me, en Brenda Reuben, mijn agent, uit eten te gaan. Maar Brenda was snipverkouden en Randolph was er net achter gekomen dat hij de volgende ochtend in Atlantic City moest zijn, dus vertrok hij gehaast. Ik zei tegen Brenda dat ze naar huis moest gaan en onder de wol moest kruipen, en ging naar buiten.

Ik was op zoek naar een taxi toen een lange, slanke man met de uitstraling van een militair op me afkwam. Hij zag eruit alsof hij in de zestig was en hij had een potloodsnor, zo’n snor die in de mode was geweest bij rokkenjagers in de jaren dertig. Hij had een donker pak aan met een bijpassende regenjas en stelde zich voor als Joshua Fleischer.

In de regel vermijd ik contact met mensen uit het publiek na een boeksigneersessie of een lezing. Degenen die naar me toe komen zijn vaak vermoeiend en het is altijd moeilijk om van hen af te komen. Soms sturen ze me na zulke ontmoetingen lange brieven of e-mails waarin ze me waarschuwen dat al mijn geld en roem me niet zullen behoeden voor het hellevuur.

Hij zei: ‘Ik wil u graag uitnodigen met mij uit eten te gaan, dokter Cobb.

We stonden voor de boekwinkel, en de wind blies in vlagen en tilde de zoom van zijn geopende jas op.
We stonden voor de boekwinkel, en de wind blies in vlagen en tilde de zoom van zijn geopende jas op. Onder zijn arm had hij een exemplaar van mijn boek, dat hij tegen zich aan klemde alsof hij bang was het te verliezen.

‘Dank u, maar ik heb al plannen gemaakt,’ antwoordde ik en ik begon de trap af te lopen.

Hij legde zachtjes zijn hand op mijn schouder.

‘U wordt na dit soort evenementen waarschijnlijk door allerlei mafkezen aangeklampt, maar ik verzeker u dat ik niet zo iemand ben. Ik heb alle reden om te geloven dat u zeer geïnteresseerd zult zijn in wat ik u te zeggen heb. Ik ken uw werk heel goed en ik weet waar ik het over heb. Ik heb uw boek een maand geleden gelezen, net nadat het uitkwam, en ik wist dat u de persoon was naar wie ik op zoek was.’

Ik bedankte hem nogmaals, maar sloeg evengoed zijn uitnodiging af. Hij drong niet aan, maar bleef wel naast me staan wachten tot een voorbijrijdende taxi zich verwaardigde te stoppen.

‘Ik zal u een e-mail sturen,’ waarschuwde hij. ‘Zorgt u er alstublieft voor dat die niet in de spammap terechtkomt. Het is heel belangrijk, dat zult u zien.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief