nieuws

‘Nachtboot naar Tanger’ van Kevin Barry

Wachten op Godot met twee uitgerangeerde gangsters – de Ierse meesterverteller Kevin Barry slaat weer toe!

Het is al laat in het Spaanse havenstadje Algeciras, wanneer twee verlopen Ierse gangsters staan te wachten op de veerboot uit Tanger. Een geliefde is verloren, een dochter wordt vermist, hun levens zijn aan diggelen. Of kan er nog iets aan gedaan worden?
Nachtboot naar  Tanger  is een roman over een wereld waarin seks, de dood, drugs en geweld de boventoon voeren, maar waarin het mysterie van de liefde tegelijk overwint. 

Ontdek hier de eerste pagina’s van Nachtboot naar Tanger, vanaf 12 september te vinden in de (online) boekhandel.

1 De meisjes en de honden

In de haven van Algeciras, oktober 2018

Wat zou je denken, Charlie, is er een eind in zicht?

Ik zou denken dat je dat zelf ook wel weet, Maurice.

Twee Ieren, sombere verschijningen in het bedompte licht van de terminal, ze maken gebaren van rampspoed en berusting – gebaren waarvoor ze in de wieg zijn gelegd, en die hun makkelijk afgaan.

Het is avond in de oude haven van het Spaanse Algeciras.

O, en een veel akeliger plek laat zich nauwelijks indenken.
O, en een veel akeliger plek laat zich nauwelijks indenken – je zou willen dat je ogen in je achterhoofd had.

Er hangt daar iets spookachtigs in de lucht, iets sinisters. De hele terminal riekt naar vermoeide lijven, en naar angst.

Er hangen rafelige restanten van aanplakbiljetten – de vermisten.

Er hangen mededelingen van de douane – de narcotraficante.

Een blinde baadt in het nachtzweet en kleppert met zijn gebit, als een vette ratelslang, in een poging zijn loterijbriefjes aan de man te brengen – hij maakt de sfeer er niet beter op.

De Ieren kijken onaangedaan naar de gezichten die aan hen voorbijtrekken in een wervelend waas van de zeven verstrooiingen – liefde, smart, pijn, sentimentaliteit, hebzucht, lust, doodsverlangen.

Boven hun hoofden, te bereiken met een roltrap, sist en rinkelt een café, vol leven, vol verwachting.

Er is een loket met een bordje waar INFORMACIÓN op staat – zeg het eens. Eronder steekt een smalle, afhangende balie naar voren, alsof hij zelf iets te vragen heeft.

Maurice Hearne en Charlie Redmond zitten op een bankje een paar meter ten westen van het loket. Ze zijn ergens begin vijftig. De jaren glijden inmiddels heen als golven bij afgaand tij. Weer van jaren her heeft zich vastgezet in hun koppen, hun harde kaaklijnen, hun chaotische monden. Maar ze hebben nog steeds – nog net – iets losbandigs over zich.

Nu, synchroon, draaien ze hun gezicht naar het loket waar INFORMACIÓN op staat.

Zou jij daar nog ’s even naartoe willen wippen, Charlie, even een babbeltje maken? Eens vragen hoe het zit met de volgende boot die verwacht wordt?

Ja, maar diezelfde vent zit er nog. Die met dat verbitterde smoelwerk. Dat is geen prater, Moss.

Zijn uitstraling is er een van schaamteloze dreiging.
Probeer het eens, Charlie.

Charlie Redmond verheft zich van het bankje in een opeenstapeling van zuchten. Hij ontvouwt zijn lange ledematen. Hij nadert het loket. Hij is lam en sleept zijn rechterpoot geroutineerd achter zich aan, met een zachte, vegende beweging. Hij werpt zijn ellebogen op de balie. Zijn uitstraling is er een van schaamteloze dreiging. Hij draagt de grimas van een straatjongen. In zijn Spaans klinkt het accent door van de noordelijke wijken van Cork.

Hola y buenos noches, zegt hij. Hij wacht een paar lange seconden, kijkt over zijn schouder, roept terug naar Maurice.

Geen reactie, Moss. Nog steeds dat verbitterde smoelwerk.

Maurice schudt treurig het hoofd.

Ik haat fucking onnozelheid, zegt hij.

Charlie probeert het nog eens.

Hola? Pardon? Ik wil iets weten over de volgende boot die binnenkomt, de boot uit Tanger. Of… die vertrekt.

Een landerige stilte; een gebaar.

Charlie kijkt achterom naar zijn maat en imiteert het schouderophalen van de informaciónista.

Meer zit er niet in, Maurice.

Je moet ook habla Inglés zeggen, Charlie.

Maar Charlie werpt zijn handen in de lucht en schuifelt terug naar het bankje.

Met een gezicht als een verzuurd huwelijk, zegt Maurice.
Habla me reet, zegt hij. Het enige wat hij doet is z’n schouders ophalen en me aanstaren.

Met een gezicht als een verzuurd huwelijk, zegt Maurice.

Hij draait zich abrupt om en krijst naar het loket –

Trek ’s een andere bek, man!

– en grijnst dan komiek.

De vlotte, scheve glimlach van Maurice Hearne laat zich met enige regelmaat zien. Zijn linkeroog is vlekkerig en doods, het andere merkwaardig behekst, alsof er een overvloed aan leven in zit, voor het evenwicht. Hij draagt een sjofel pak, een zwart overhemd met de bovenste knoopjes los, witte sportschoenen en hoog op het achterhoofd een bolhoedje. Een dude, ooit, zeker, maar die tijd is geweest.

Die heb je even goed op z’n nummer gezet, Maurice. Dat zal ’m leren.

Charlie Redmond? Zijn gezicht heeft op een of andere manier iets antieks, een speelman aan een middeleeuws hof, zo een die voor je op zijn luit zou tokkelen. In een hol dat geurt naar duizendschoon. Vurige, overspelige ogen en ook weer een sjofel pak, maar parmantige schoenen in een naar roestbruin neigend oranje, van die suède bordeelsluipers, benevens een elegante groene ribfluwelen stropdas. Verder: maagproblemen, wallen onder de ogen als pas gedolven graven, en een getroebleerde ziel.

Op de grond, tussen hen in, ligt een weekendtas – een afgetrapte Adidas-tas.

Al die jaren dat wij hier nou al komen, Charlie…

Ik weet het.

Je zou toch denken dat we dat taaltje weleens onder de knie hadden.

Wij zijn geen studiehoofden, Maurice.

Wij zijn geen studiehoofden, Maurice.
Vertel mij wat. Maurice Hearne, dat arme ventje uit Togher, helemaal achter in de klas, dat op de jassen mag passen.

Het benen puntje van de snuit van Charlie begint te trillen, hij bespeurt een verandering in de lucht.

Policía, zegt hij.

Waarzo?

Kijk je wel? Daar.

Godverdomme, ik schijt in m’n broek. Kijk jij ’s wat onschuldiger, Charlie.

Weet je wat, Moss? Ik zou me niet te veel voorstellen van je kansen achter de tralies in Algeciras. Snap je? Jij in een gemengde cel?

Ik ben veel te mooi voor een gemengde cel, Charlie. Ik zou binnen een halfuur iemands vrouwtje zijn. Kom eens in de cel, Pedro, je eten wordt koud.

De policía gaat weer op in de menigte.

De menigte wordt met de seconde talrijker.

Niemand weet wat er vannacht komt of gaat over de Straat van Gibraltar – er zijn geschillen aan gene zijde; het broeit in Tanger, en niet voor het eerst.

Dit zou weleens een lange zit kunnen worden, Maurice.

Tot de drieëntwintigste blijven ze zitten waar ze zitten. Het is nog geen middernacht.

Ja, maar welk eind van de drieëntwintigste? Gaan ze om vijf over twaalf? Of om vijf voor twaalf morgenavond? Dan is het nog altijd de fucking drieëntwintigste. Misschien moeten we hier wel een hele dag zitten wachten.

Misschien moeten we hier wel een hele dag zitten wachten.
Door de hoge ramen een poging tot uitzicht op het complexe licht in de haven van Algeciras. De helle gloed van de booglampen, de verontreinigende stoffen die in de lucht hangen en de breking door de hitte die de late oktoberzon heeft achtergelaten maken de atmosfeer dik en rokerig, waardoor de nachtelijke gloed een levend iets lijkt – compact, en zwaar genoeg voor de geesten die hij boven ons laat hangen.

De intercom begint te sputteren – een kolkende stroom Spaanse medeklinkers, in dat felle Andalusische idioom – en de mannen storen zich er vreselijk aan.

De mededeling klinkt hoe langer hoe gejaagder en ingewikkelder – denk: het randje van hysterie – en aangezien de taal hun ontgaat staan de mannen voor één groot raadsel dat alleen maar hun woede wekt.

Eindelijk begint de mededeling weg te sterven, om uiteindelijk stil te vallen. Ze kijken elkaar aan.

Daar worden we niet veel wijzer van, wat jij, Maurice?

Nee, Charlie. Niet echt.

Maurice Hearne verheft zich van het bankje en rekt zich uit tot zijn volle lengte. Hij luistert zorgelijk naar het kraken van zijn gewrichten – godallemachtig. Hij betast de knobbels van zijn ruggengraat, die aan een hagedis doen denken.

Alle tranen van Jezus in Getsemane, zegt hij.

Hij tuurt zwartgallig naar de hoge ramen en werpt dan een vragende blik op zijn oude vriend; Charlie Redmond stemt in met een vermoeide zucht.

Uit de Adidas-tas halen de mannen stapels geprinte flyers. Elke flyer toont de beeltenis van een meisje van een jaar of twintig. Het meisje is Dilly Hearne. Haar huidige verblijfplaats is ongewis.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief