leesfragment

‘Niet verder vertellen’ van Lisa Gardner

D.D. Warren wordt opgeroepen na de moord op een man. Als de politie arriveert, heeft zijn vrouw Evie Carter het pistool vast. D.D. herkent de vrouw van een vergismoord van jaren geleden, toen Evies vader het slachtoffer was. Wanneer Flora Dane de moordzaak op televisie ziet, weet ze direct over wie het gaat. Conrad Carter was een kennis van de man die haar ooit gevangenhield. Flora voelt zich schuldig dat ze hem nooit heeft weten op te sporen, en is vastbesloten de waarheid rond Carters dood te onthullen.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van de nieuwste Lisa Gardner Niet verder vertellen.

Hoofdstuk 1

Evie

Tegen de tijd dat ik de garage in rijd, trillen mijn vingers op het stuur. Ik zeg tegen mezelf dat er geen reden is om zo zenuwachtig te zijn. Ik zeg tegen mezelf dat ik niets heb misdaan. Ik blijf nog een ogenblik zitten, voor me uit starend, alsof er op de voorruit een oplossing zal verschijnen voor de puinhoop die mijn leven is geworden.

Dat gebeurt niet.

Als ik een beetje voorzichtig doe, kan ik nog normaal uitstappen. Ik ben iets dikker, maar niet veel. Het zijn vooral mijn winterjas en de riem van mijn schoudertas die me hinderen. Ik heb de tas vorig jaar met Kerstmis van Conrad gekregen. Een Coach. Echt leer. Minstens tweehonderd dollar. Ik had een kreet van blijdschap geslaakt en was hem om de hals gevlogen. Hij lachte en zei dat hij had besloten me de tas met Kerstmis cadeau te doen toen hij had gezien hoe verlangend ik er in de winkel naar had staan kijken.

Ik klemde mijn armen om zijn hals en hij drukte me tegen zich aan. Toen ik die dag lachend, duizelig van geluk, de grote, grijze leren tas had geopend om te zien hoeveel binnenvakjes hij wel niet had, had hij ook gelachen.

Eerste kerstdag. Bijna een jaar geleden.

Hadden we elkaar sindsdien nog omhelsd?
Hadden we elkaar sindsdien nog omhelsd? Hadden we nog gelachen?

De zwelling van mijn buik geeft aan dat we elkaar nog wel hebben gevonden, maar als de straat niet was getooid met gekleurde lampjes en opzichtige decoraties, zou ik nauwelijks hebben beseft dat de feestdagen alweer voor de deur staan. Ons huis is als een van de weinige huizen in onze straat niet versierd. Afgezien van een krans op de voordeur. Elk weekend zeiden we dat we een boom zouden gaan kopen. Elk weekend deden we dat niet.

Met trage bewegingen hang ik mijn tas over mijn schouder. Dan draai ik me om naar de deur die vanuit de garage toegang geeft tot het huis.

Dead Man Walking, denk ik. Gedoemd. En in mij verschrompelt er iets. Ik huil niet. Maar ik weet niet waarom niet.

De deur staat open. Op een kier. Alsof ik hem niet hard genoeg heb dichtgetrokken toen ik vertrok. We stoken niet voor de buitenwereld, zou mijn vader zeggen, en dat bezorgt me een nieuwe steek van verdriet.

Ik ga naar binnen en doe de deur nu wel dicht. Zo. Ik ben thuis. Ik sta in de bijkeuken. Weer een dag voorbij. Weer een nacht voor de boeg.

Tas ophangen. Jas van me af laten glijden. Laarzen uittrekken. Boodschappentas op het bankje. Jas aan het haakje. Laarzen op de mat. Ik vis mijn telefoon uit mijn tas en leg hem aan de oplader op de tafel. Dan wacht ik nog een ogenblik.

Ik haal adem. Blaas die uit.

Spits mijn oren.

Keuken? Misschien zit hij aan de tafel. Met een bord koud geworden eten voor zijn neus. Of hij neemt demonstratief de laatste hap. Misschien zit hij in de woonkamer, onderuitgezakt in zijn luie stoel, voeten omhoog, biertje in zijn hand, ogen gericht op ESPN. Zondag is gewijd aan football. Go Patriots. Dat weet ik. Ik ben opgegroeid in Boston. Maar dinsdagavond? Ik geef zelf niets om sport. Hij keek, ik las. In de jaren dat we nog voortdurend aan elkaar gekleefd zaten, leek het goed om af en toe ook apart iets te doen.

Ik hoor geen gerinkel van serviesgoed in de keuken
Ik hoor geen gerinkel van serviesgoed in de keuken. Geen televisiestemmen in de woonkamer.

Deur open, herinner ik me. En mijn linkerhand legt zich plat op de nog kleine, maar al zichtbare welving van mijn buik.

Ik loop door naar de keuken. Voor het raam staat een eenvoudige tafel. Ik zie geen eten. Wel een afgespoeld bord in de gootsteen.

Ik haal adem. Blaas die uit. Ik zou een uitvlucht moeten hebben. Een smoes. Een leugen. Maar in de diepe stilte malen mijn hersenen en vliegen mijn gedachten alle kanten op.

Dead Man Walking. Dead Woman Walking?

Ik krijg braakneigingen. Daar kan ik de baby de schuld van geven. Op zwangerschap kun je alles afschuiven. Dat je misselijk bent, moe, dom, vergeetachtig. Garnalenbrein, zwangerschapshormonen. Negen maanden lang kan me niets kwalijk worden genomen. Hoewel…

Waarom ben ik vanavond naar huis gegaan? Maar waar had ik anders naartoe gemoeten? Sinds ik Conrad tien jaar geleden heb ontmoet… Hij keek naar me. Hij zag me. Hij vergaf me.

En ik hield van hem.

Tien jaar lang heb ik van hem gehouden.

Ik verlaat de keuken. Die is klein, net zoals de rest van dit uit de jaren vijftig stammende huis. We hadden het gekocht met hoop en aspiratie. Er was dan wel geen noemenswaardige tuin bij en de kamers waren aan de kleine kant, maar het was betaalbaar. Het was van ons. We waren jong en handig. We zouden het uitbouwen en dan met ruime winst verkopen.

Nu loop ik door een smalle gang waarin een groot deel van het behang in repen neerhangt. Ik probeer daar geen aandacht aan te schenken.

Ik probeer daar geen aandacht aan te schenken.
Woonkamer. Conrads geliefde tv-fauteuil, een kleine bank, een grote flatscreentelevisie. Er zit niemand in de tv-fauteuil. De televisie staat niet aan. De kamer is verlaten.

Deur open, herinner ik me weer.

In onze garage past maar één auto, maar daar moet je in Boston al heel dankbaar voor zijn. Conrad parkeert zijn Jeep altijd op straat. Ik check dat nu. Omdat ik hem had gezien toen ik thuiskwam. Ja, hij staat er nog. Zwarte Jeep. Pal voor de deur. Een begerenswaardige plek. Daar was hij vast heel blij mee, want ook al heb je hier een parkeervergunning, de vraag is groter dan het aanbod. Vandaar dat hij mij de garage gunde.

Natuurlijk, schat. Ik wil niet dat je ’s avonds in je eentje over straat gaat. Nu weet ik tenminste dat je niets kan overkomen.

Dead Woman Walking. Dead Woman Walking.

Niet gaan overgeven. Niet nu.

En dan…

Dan…

‘Deur open,’ fluister ik, en eindelijk besef ik wat ik veel eerder had moeten beseffen.

 

Een geur. Ik had geluisterd. Of ik mijn man hoorde. Gerinkel van serviesgoed in de keuken. De terugverende bons van de tv-fauteuil in de woonkamer. Maar er klinken geen geluiden. Nergens.

Het is stil in huis. Volkomen. Stil.

Alsof er niemand is.

Een geur.

Toen ik het hem had verteld.
De trap naar boven is net zoals de rest van het huis: te smal en te krap. En hij kraakt. Conrad heeft drie maanden geleden de leuning wat verstevigd. Toen ik het hem had verteld. Toen we in onze slaapkamer stonden en naar het staafje staarden. Mijn handen begonnen zo te beven dat hij het van me moest overnemen.

Ik herinner me dat ik op dat moment ook zo misselijk was. Dat ik me uit alle macht inhield om niet te gaan overgeven, al had ik de zwangerschapstest juist gedaan omdat ik me al weken zo voelde. Een huwelijk is een mozaïek van duizend momenten, van honderd dierbare herinneringen. Die dag. Ik keek naar zijn handen, die hij rond de mijne vouwde. Sterke vingers, ontsierd door eelt. Kalme handen, die het staafje van me overnamen en naar zijn borst brachten.

Ik had dat surreële gevoel dat ik soms krijg. Dat ik me niet in mijn eigen leven bevond maar, zelfs na zoveel jaar, weer in de keuken van mijn ouders stond. Met het jachtgeweer in mijn handen. Met de stank van al dat bloed in mijn neus.

En omdat Conrad is zoals hij is, keek hij me recht in de ogen. Keek hij bij me naar binnen.

‘Evie,’ zei hij. ‘Je hebt dit verdiend. Wij allebei.’

Ik hield weer van hem. Zomaar opeens. Op dat moment was ik weer verliefd. We hielden elkaars handen vast. Hij huilde. Toen moest ik zijn handen loslaten om te gaan overgeven, waar we allebei om moesten lachen, en hij pakte een washandje om mijn mond af te vegen en ik liet hem begaan.

Duizend momenten. Honderd herinneringen.

Weer die pijn, diep vanbinnen. Dicht bij de muur, ver weg van de leuning die ik nog steeds niet vertrouw, loop ik tree voor tree naar boven.

Een geur.

Die komt me nu tegemoet. Niet vaag, plagend of dubbelzinnig. Dit is het. Had ik het al geweten? Toen ik de oprit op reed? Toen ik de garage binnenreed? De binnendeur, open, open, open.

Wat had mijn onderbewustzijn al geweten?
Wat had mijn onderbewustzijn al geweten, lang voordat de rest van mij erop was gaan letten?

Boven, niet de slaapkamer, maar de kleinere kamer, Conrads kantoor, links. Die deur staat ook open.

Geluiden die bij de geur horen. Sirenes. Op straat. Steeds luider. Steeds dichterbij. Natuurlijk.

De keuken van mijn ouders.

Het kantoor van mijn man.

Bloed.

Donker, kleverig. Een waaier van druppels. Een plas.

Ik kan het niet helpen. Ik ben zestien. Ik ben tweeëndertig. Ik steek mijn hand uit. Ik raak aan wat het dichtst bij me is. Ik wrijf het rood over mijn vingertop. Ik zie hoe het de groefjes van mijn vingerafdruk vult.

Mijn vader. Mijn man.

Bloed.

Andere geluiden. Gebons. Zo ver weg. Geschreeuw, eisen en bevelen.

Maar hierboven maakt het niets uit. Hier ben alleen ik, heb ik nog een laatste moment met Conrad. Zijn lichaam slap op de kantoorstoel, de achterkant van zijn hoofd verspreid over de wand achter hem.

Nog voordat ik kijk, huiver ik vanwege dat wat ik op het computerscherm zal zien. Maar ik dwing mezelf het te doen. Het in me op te nemen. De beelden. Dit is de computer van mijn man. Dit is waar mijn man naar keek voordat hij stierf.

De politie. Die reageert op een melding over schoten.
Harder gebons nu. De politie. Die reageert op een melding over schoten. Die zich niet laat afschepen.

Het was een ongeluk,’ fluistert mijn moeder aanhoudend in mijn oor. ‘Niets dan een betreurenswaardig ongeluk.’

Ik reik naar de computer. Ik klik de beelden weg. Dan, omdat ik voldoende ervaring heb om te weten dat dit niet genoeg is, pak ik het vuurwapen uit de levenloze handen van mijn man. Ik sluit mijn handpalm rond de met een blokjespatroon versierde kolf. Ik steek mijn wijsvinger in de koude trekkerbeugel.

En ik begin te schieten.

Als de politie eindelijk naar binnen stormt, sta ik boven aan de trap met beide handen in de lucht, het vuurwapen duidelijk in het zicht, mijn lichaam iets gedraaid zodat de zwelling van mijn buik niet te ontkennen valt.

‘Gooi het wapen neer!’ roept de voorste agent onder aan de trap. ‘Gooi het wapen neer!’

Ik doe het.

Hij rent de trap op, handboeien gereed. Ik hoop voor hem dat hij niet tegen de leuning stoot.

Een huwelijk is een mozaïek. Duizend momenten. Honderd herinneringen.

De agent draait mijn armen op mijn rug. Hij doet me de boeien om en fouilleert me alsof hij verwacht nog meer wapens te vinden. Meer agenten komen binnen.

‘Mijn man,’ hoor ik mezelf zeggen. ‘Er heeft iemand op hem geschoten. Hij is dood.’

‘Zijn er nog meer mensen in huis?’

‘Nee.’

Duizend momenten. Honderd herinneringen.

'Alles wat u zegt, kan en zal tegen u worden gebruikt in de rechtbank.'
‘Mevrouw, u hebt het recht om te zwijgen. Alles wat u zegt, kan en zal tegen u worden gebruikt in de rechtbank. U hebt het recht met een advocaat te spreken en u hebt recht op de aanwezigheid van een advocaat wanneer u wordt verhoord.’

De agent begeleidt me de trap af, het huis uit, weg van het lichaam van mijn man.

‘Denkt u dat me zal worden toegestaan de begrafenis te plannen?’ vraag ik hem.

Hij kijkt me bevreemd aan en laat me dan plaatsnemen op de harde plastic achterbank van een politieauto.

Meer agenten. Meer sirenes. De buren komen naar buiten om naar de show te kijken. Ik weet al wat er nu gaat gebeuren. De rit naar het politiebureau. Waar ze mijn handen zullen onderzoeken op bloed en op kruitresten. Vingerafdrukken nemen. Een dossier aanleggen.

Dan, als mijn verleden op het computerscherm verschijnt…

Een ongeluk, fluistert mijn moeder weer in mijn achterhoofd. Niets dan een betreurenswaardig ongeluk.

Ik huiver.

Nu komt ze wraak nemen, denk ik. En daarom, ook daarom, leg ik mijn handen op mijn buik en vertel ik mijn baby, het kwetsbare, vlinderachtige wezentje dat nog niet eens een kans heeft gekregen, hoezeer het me spijt.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief