leesfragment

‘Nulpunt’ van Horst & Enger

 

Scandifans, opgelet! Jørn Lier Horst en Thomas Enger hebben de handen ineengeslagen voor een nieuwe Scandinavische thrillerreeks.

De samenwerking zorgt voor een onweerstaanbare combinatie van het klassieke vakmanschap van Horst en het rauwe thrillerwerk van Enger. Een leestip voor liefhebbers van Søren Sveistrup en Lars Kepler.

Maak hier kennis met het eerste deel in de Blix & Ramm-reeks: Nulpunt!

 

Oslo, 2018. De bekende atlete Sonja Nordstrøm komt niet opdagen bij de boekpresentatie van haar omstreden autobiografie. Als celebrityblogger Emma Ramm later die dag naar Nordstrøms huis gaat, ziet ze dat de deur openstaat en treft ze binnen tekenen van een worsteling aan. Op de televisie zit een papiertje geplakt met daarop het cijfer 1.
Rechercheur Alexander Blix krijgt de leiding over de zaak-Nordstrøm. Er zijn verschillende aanwijzingen, maar de timing waarmee die verschijnen lijkt zorgvuldig gepland. Is het allemaal onderdeel van een groter geheel dat ze nog niet kunnen overzien?
Uiteindelijk worden Blix en Emma gedwongen om samen te werken. Ze zijn beiden vastbesloten de moordenaar te vinden. Die hunkert naar aandacht – en hij heeft de smaak nog maar net te pakken…

Leesfragment

Zondag 9 mei 1999

De politieradio knetterde.

‘0-1 vraagt om een beschikbare eenheid voor Agmund Bolts vei 25 in Teisen.’

Alexander Blix keek kort de kant van Gard Fosse op. ‘Dat is hier vlakbij,’ zei hij.

Fosse trok de microfoon op het dashboard naar zich toe. Blix gaf gas.

‘0-1, dit is Fox 2-1,’ meldde Fosse. ‘We zijn op de Tvetenveien, ongeveer een minuut ervandaan.’

Blix deed zwaailicht en sirene aan terwijl er opnieuw geknetter klonk.

‘Fox 2-1, ontvangen door 0-1. Mogelijk gaat het om een schietpartij. Het adres staat bekend om huisvredebreuk.’

Mogelijk gaat het om een schietpartij. Het adres staat bekend om huisvredebreuk.
Huisvredebreuk, dacht Blix. Dit soort opdrachten had hij al een paar keer eerder gehad, maar dat er misschien was geschoten, was slecht nieuws.

Aan het eind van het kerkhof Østre gravlund reed hij de Agmund Bolts vei op, hij gaf opnieuw gas en scheurde langs wooncomplexen met balkons aan de straatkant. Auto’s waren langs de stoep geparkeerd. De berkenbomen stonden op vele meters van elkaar.

Hiervoor hadden ze geoefend. Hier hadden ze naar uitgekeken, om als eerste op een echte plaats delict aan te komen. Een jaar lang hadden ze ieder in hun eigen patrouillewagen op de achterbank gezeten, waarna ze ten slotte allebei voldoende vertrouwen bij hun superieuren hadden gekweekt. Blix greep het stuur stevig vast.

‘Daar lijkt het te zijn,’ zei Fosse en hij wees naar een groepje mensen dat zich recht voor hen had verzameld.

Blix remde en stopte schuin op de straat. Hij zette de motor en de sirene uit, maar liet het zwaailicht aan.

‘Het kwam daarvandaan,’ vertelde een vrouw toen Blix en Fosse uitstapten. Ze wees naar een klein, wit huis. ‘Het klonk als een grof kaliber,’ voegde een man eraan toe.

‘Is er daarna iemand naar buiten gegaan?’ vroeg Blix. ‘Of naar binnen?’

De vrouw schudde haar hoofd.

‘Hoeveel mensen wonen hier?’ vroeg Fosse.

‘Vier,’ antwoordde een andere vrouw. ‘Ze hebben twee kleine meisjes, maar volgens mij is maar een van hen thuis.’

Blix vloekte in zichzelf. ‘Oké,’ zei hij. ‘Ga naar huis en blijf binnen. Doe de deuren op slot.’

Het groepje toeschouwers loste op.

Blix opende het tuinhek. ‘Neem jij die kant van het huis? Dan neem ik de andere,’ zei hij wijzend.

‘Je bent toch niet van plan om naar binnen te gaan?’ protesteerde Fosse.

‘Er is geschoten,’ antwoordde Blix. ‘Daarbinnen kan zich een klein kind bevinden.’
‘Er is geschoten,’ antwoordde Blix. ‘Daarbinnen kan zich een klein kind bevinden.’

‘Denk aan je eigen veiligheid,’ zei Fosse en hij herhaalde de mantra van de instructeurs op de politieacademie. ‘We moeten wachten op back-up.’

Blix kende de instructie. De situatie was dusdanig dat ze zich in afwachting van versterking afzijdig moesten houden en hun ogen de kost moesten geven. Maar dit was geen opdracht op de academie. ‘De back-up kan nog tien minuten duren,’ zei hij. ‘We weten niet of we die wel hebben.’ Hij liep naar de auto, opende de kofferbak en vervolgens de wapenkluis. Daarna stopte hij zes patronen in zijn dienstwapen en draaide de cilinder op zijn plaats.

‘Serieus nou, we moeten…’

‘… het kind helpen,’ onderbrak Blix hem en hij liep langs zijn collega heen. ‘Als ze binnen is.’ Hij bleef voor de voordeur staan en probeerde door het dikke raam tussen de klink en de bovenkant van de deur naar binnen te kijken. Hij zag niets en draaide zich om naar Fosse. ‘Ben je van plan daar te blijven staan?’

Fosse verplaatste zijn gewicht van het ene been naar het andere. ‘Dit staat me niet aan,’ zei hij.

‘Mij ook niet,’ zei Blix. ‘Maar we moeten wel iets doen.’ Hij begaf zich naar de rechterkant van het huis, ging op zijn tenen staan om door een raam naar binnen te kunnen kijken. Maar dat zat te hoog. Hij liep verder en kwam uit in een kleine tuin, waar nog flinke hopen sneeuw lagen. De iele struiken waren bruin. Hij zag een roestige schommel, een bouwvallige veranda. Leunstoelen met kussens. Lege, bruine bierflessen op de verandavloer. Een overvolle asbak, peuken ernaast.

Blix liep voorzichtig, wetend dat het geluid van voetstappen zou verraden waar hij was. De woonkamerramen waren groot. Door de weerspiegeling was het lastig om naar binnen te kijken, terwijl hij tegelijkertijd door de grote glasoppervlakken duidelijk te zien was. Hij keerde terug naar de voordeur, zag dat Fosse in de auto zat en hoorde hem met de centrale praten. Blix deed zijn oortje in en vernam dat de dichtstbijzijnde patrouille er over twaalf minuten zou zijn. Hij trok aan de deur. Die knarste, maar was open. Blix opende hem helemaal en deed twee stappen naar binnen. Bleef staan. Luisterde. Hoorde niets.

Of…

Was dat een snik? Gesnuif? Iemand die ‘sst’ zei?

Hij liep met geheven wapen verder en liet de deur achter zich open.
Hij liep met geheven wapen verder en liet de deur achter zich open, in de hoop dat Fosse achter hem aan zou komen.

De vloerplanken kraakten. Een tussenhal leidde verder de woning in. Hij wierp een blik in het eerste vertrek en trok snel zijn hoofd terug. Een kleine toiletruimte met een wasbakje. Bij de volgende kamer deed hij hetzelfde. Ook daar was niemand. Zijn ademhaling ging met horten en stoten. Opnieuw luisterde hij, maar hij hoorde niets.

Een slecht teken.

De deur naar de keuken stond op een kier. Langzaam duwde Blix hem verder open. Ook deze kraakte.

Hij liet hem los.

Op de vloer lag een grote plas bloed en dat was al deels in een viltkleed getrokken. Een vrouw lag op haar rug, levenloos. Haar hoofd lag opzijgedraaid, zodat hij de lege, open ogen kon zien.

Hij slikte en voelde dat zijn hart in zijn keel en borst klopte. Even hield hij zijn adem in, waarna hij zijn wapen naar voren stak. Toen hij een voet naar binnen zette, zorgde hij ervoor niet in het bloed te stappen. Hij boog zich voorover en probeerde een hartslag te voelen. Niets. Hij kwam weer overeind en praatte zo zacht hij kon in het microfoontje dat aan zijn revers bevestigd zat. ‘0-1, dit is Fox 2-1 Alfa. Er is een vrouw overleden, doodgeschoten, ik herhaal: er is een vrouw overleden, doodgeschoten.’

Het apparaat kraakte wat. Blix liep langs de vrouw heen en zag het gat midden in haar borstkas.

‘Ontvangen, 0-1.’

‘Kom niet dichterbij.’

De stem, hees en gespannen, kwam van verder in het huis. Blix bleef staan. Hij rekte zich uit, probeerde om de deurpost heen te kijken, de woonkamer in. En daar, voor een glazen tafel, stond een man met een vuurwapen in zijn hand. Dat richtte hij op het blonde hoofd van een meisje dat niet ouder kon zijn dan vijf. Ze huilde stilletjes. Snikte. Beefde.

‘Kom niet dichterbij,’ herhaalde de man. ‘Ik schiet. Ik schiet jou en haar dood.’

‘Ik schiet. Ik schiet jou en haar dood.’
De man maakte een agressieve beweging met het pistool, naar het meisje. Blix hoopte dat ze de dode vrouw niet had gezien.

‘Rustig,’ zei Blix. Hij hoorde dat zijn stem trilde.

‘Leg je wapen neer,’ zei de man.

‘Alsjeblieft, niet…’

‘Leg je wapen neer, zei ik.’

De man leek eind dertig te zijn, droeg een baard, was bezweet en had dun, kort haar dat rechtovereind stond. Hij hief zijn wapen op naar Blix. Geen beven. Geen nervositeit. Alleen wanhoop.

Het meisje deed haar ogen dicht, de tranen rolden over haar wangen.

‘Doe nou geen domme dingen,’ zei Blix. Hij probeerde te bedenken wat hij op de opleiding allemaal had geleerd, wat hij moest zeggen, hoe hij dit soort situaties moest afhandelen. Maar nu hij er middenin zat, kon hij geen verstandige strategie naar boven halen, hij moest gewoon maar improviseren. Proberen de man tot rede te brengen.

Hij dacht aan Merete, die thuis op hem zat te wachten. Die zijn beroepskeuze nooit leuk had gevonden. Die hem altijd had gewaarschuwd voor de gevaren die op zijn pad zouden komen.

Hij dacht aan Iselin. Nog maar net drie maanden oud.

Blix liet zijn wapen zakken. ‘Hoe heet je?’ vroeg hij, terwijl hij een poging deed zijn ademhaling onder controle te krijgen.

De man gaf geen antwoord.

‘Over een paar minuten is het hele huis omsingeld,’ ging Blix verder. ‘Je zult hier niet wegkomen.’

‘Ze zijn van mij,’ bracht de man uit. ‘Van mij!’

‘Ja, en je wilt ze zien opgroeien,’ zei Blix met een knikje. Zijn blik zocht het andere kind, maar alleen dit ene meisje was er.

‘Níémand pakt ze van me af,’ zei de man. ‘Hoor je dat?’
‘Níémand pakt ze van me af,’ zei de man. ‘Hoor je dat?’

‘Ik hoor je, maar alsjeblieft, maak het niet erger dan het al is.’

‘Leg je wapen neer,’ zei de man nog een keer, met nog meer wanhoop in zijn stem. ‘Ik zeg het niet nog eens. Wegwezen! Dit is míjn huis.’

Blix luisterde of hij sirenes hoorde. Of hij Fosse hoorde. ‘Dat kan ik niet doen,’ zei Blix. Hij keek weer naar het meisje en duwde de gedachten aan zijn eigen dochter weg. ‘Ik kan niet weggaan,’ zei hij. ‘Niet nu jij…’

‘Je hebt vijf seconden,’ onderbrak de man hem.

Blix keek naar hem: witte singlet, vuil, zweetplekken op zijn buik, krullend borsthaar dat naar buiten piepte.

‘Alsjeblieft…’

‘Vijf.’

Hij zou het niet doen. Het was maar een loos dreigement.

‘Kunnen we niet gaan zitten en…’

‘Vier.’

Blix haalde adem. Slikte. ‘Laten we erover praten…’

‘Drie.’

Blix kneep zijn hand steviger om het wapen. ‘Denk aan je dochter, denk aan wat je haar afpakt.’

‘Twee.’

Die kerel is knettergek, dacht Blix en hij hief zijn wapen. ‘Ze is pas… vijf?’ Hij legde zijn vinger om de trekker.

‘Een.’

Hij doet het, dacht Blix. Verdomme, hij doet het.

Toen klonk er een knal.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief