leesfragment

‘Obscuritas’ van David Lagercrantz

0

Zomer 2003. Net buiten Stockholm wordt het lichaam van een scheidsrechter gevonden. Giuseppe Costa, de vader van een van de spelers en een heethoofd, wordt voor de moord gearresteerd, maar beweert onschuldig te zijn. De hulp van Hans Rekke, een befaamde expert in ondervragingstechnieken, wordt ingeroepen. Maar Rekke gedraagt zich vreemd en verwerpt zelfs het al gedane onderzoek. Costa wordt vrijgelaten en de politie blijft met lege handen achter. Alleen Micaela Vargas, een jonge agente, weigert om het hierbij te laten. Vargas en Rekke besluiten samen te werken. Wat was de scheidsrechter voor man, een slachtoffer of een dader?

Lees hier de eerste hoofdstukken van het eerste deel in een gloednieuwe reeks van bestsellerauteur David Lagercrantz: Obscuritas.

EEN

De hoofdcommissaris was een sukkel en het had allemaal geen enkele zin.

Micaela Vargas kon de lange, chagrijnige uiteenzetting van inspecteur Fransson niet langer aanhoren. Bovendien was het veel te warm in de auto en reden ze langs de schitterende villa’s van Djursholm.

‘Zijn we niet te ver?’ vroeg ze.

‘Rustig nou, meisje, ik ben hier ook niet bekend,’ antwoordde Fransson, die zich met zijn hand koelte toewaaide.

Niet lang daarna reden ze door een uitgestrekte tuin naar een grote stenen villa met aan de lange zijde lichte pilaren, en ze werd steeds zenuwachtiger. Eigenlijk was ze wijkagent, maar deze zomer was ze deel gaan uitmaken van een team dat onderzoek deed naar een moord, omdat ze dingen wist van de verdachte, Giuseppe Costa. Meestal deed ze klusjes voor anderen en trok ze gegevens na, maar nu mocht ze mee naar een zekere professor Rekke, die hen volgens de hoofdcommissaris zou kunnen helpen met het onderzoek.

‘Dat zal zijn vrouw zijn,’ zei Fransson, wijzend naar een mooie roodharige vrouw in een witte broek, die hen op het bordes stond op te wachten. Ze leek wel een filmster.

Bezweet en ongemakkelijk stapte Micaela uit de auto en liep over het goed aangeharkte grind naar het huis.

TWEE

Meestal was Micaela vroeg op haar werk. Maar op deze ochtend, vier dagen voordat ze naar de grote villa reden, zat ze na negen uur nog in de keuken te ontbijten. De telefoon ging. Het was Jonas Beijer.

‘We moeten allemaal bij de hoofdcommissaris komen,’ zei hij.

Waarom kreeg ze niet te horen, maar ze had het gevoel dat het een officiële bedoening zou worden. Ze ging voor de spiegel in de gang staan en trok aan haar sweater. Het was een slobbertrui, maat XL. Het lijkt wel of je je erin wilt verstoppen, zou haar broer Lucas hebben gezegd, maar zij vond hem goed kunnen. Ze borstelde haar haar, kamde het aan de voorkant omlaag, zodat je haar ogen bijna niet meer zag, en liep naar de metro.

Het was 19 juli 2003 en Micaela was net zesentwintig geworden. Er zaten vrij weinig mensen in de metro. Ze had een hele bank voor zichzelf en verzonk in gedachten.

Dat de politieleiding belangstelling had voor de zaak, was niet gek. De moord was misschien in een aanval van woede door een dronkenlap gepleegd, maar er waren omstandigheden die het onderzoek gewicht gaven. De overledene, Jamal Kabir, was als vluchteling uit het Afghanistan van de taliban naar Zweden gekomen. Hij was voetbalscheidsrechter en na een jeugdwedstrijd in het Grimstastadion was hij met een steen doodgeslagen. Het was logisch dat Falkegren erbij betrokken wilde worden.

Bij station Solna Centrum stapte ze uit en ze liep naar het politiebureau in de Sundbybergsvägen. Ze nam zich voor vandaag eindelijk haar mond open te doen en te vertellen wat er volgens haar mis was met het onderzoek.

.

Martin Falkegren was de jongste hoofdcommissaris van Zweden, hij wilde toekomstgericht werken en met de ontwikkelingen meegaan. Hij droeg zijn ideeën als medailles, werd over hem gezegd. Dat was waarschijnlijk niet aardig bedoeld, maar hij was er trots op dat hij openstond voor nieuwe dingen en nu had hij weer iets bedacht. Misschien zouden ze er boos om worden, maar zoals hij tegen zijn vrouw had gezegd: hij had nog nooit zo’n goede lezing gehoord. Het was de moeite van het proberen waard.

Hij zette flesjes mineraalwater op tafel en twee schaaltjes drop, die zijn secretaresse op de boot naar Finland had gekocht, en luisterde of hij al voetstappen hoorde op de gang. Nog niet. Even zag hij in gedachten de forse gestalte van Carl Fransson voor zich, die kritisch zou zijn. Dat kon hij hem eigenlijk niet kwalijk nemen; geen enkele onderzoeksleider zit te wachten op inmenging van bovenaf.

Maar dit waren bijzondere omstandigheden. De dader, een knettergekke en narcistische Italiaan, manipuleerde hen bij het leven. Het was gênant tot-en-met.

‘Sorry, ben ik de eerste?’

Het was de jonge Chileense, hij kon even niet op haar naam komen. Hij herinnerde zich dat Fransson haar uit het team wilde hebben, ze scheen nogal tegendraads te zijn.

‘Welkom. Wij hebben elkaar geloof ik nog niet eerder gezien,’ zei hij, en hij stak zijn hand uit.

Ze gaf hem een stevige hand en hij nam haar van top tot teen onderzoekend op. Ze was klein en stevig, had dik krullend haar met een lange lok die ze over haar voorhoofd had gekamd. Haar ogen waren groot en scheef en er zat een felle zwarte schittering in. Ze had iets aantrekkelijks, wat hem tegelijkertijd afstandelijk maakte. Hij kreeg zin haar nog even aan te raken, maar werd onverwacht timide en mompelde alleen: ‘Jij kent Costa, toch?’

‘Ik weet in elk geval wie hij is,’ antwoordde ze. ‘We komen allebei uit Husby.’

‘Hoe zou je hem beschrijven?’

‘Hij is een beetje een showbink, hij zong vaak voor ons op de binnenplaats. En hij kan vreselijk agressief worden als hij een slok opheeft.’

‘Ja, dat hebben we gemerkt. Maar waarom liegt hij ons keihard voor?’

‘Ik weet niet of hij liegt,’ zei ze.

Daar was hij niet blij mee. Het kwam in zijn boekje niet voor dat ze de verkeerde zouden kunnen hebben. Er waren zwaarwegende bewijzen en er werd een aanklacht voorbereid. Het enige wat nog ontbrak, was een bekentenis, en daar wilde hij het over hebben. Meer kon hij niet tegen haar zeggen. In de gang hoorde hij de anderen en toen maakte hij zich lang en complimenteerde hen allemaal.

‘Goed gewerkt. Ik ben trots op jullie, mannen,’ zei hij. Dat was geen heel geslaagde formulering, gezien de aanwezigheid van de Chileense, maar hij corrigeerde zichzelf niet.

Hij deed zijn best een collegiale toon aan te slaan, maar dat ging ook niet goed. Hij flapte eruit: ‘Wat een zinloos geweld. En dat omdat de scheidsrechter geen strafschop had gegeven.’

Het was misschien niet de meest genuanceerde uitspraak die hij ooit had gedaan, maar het was maar een opmerking, een manier om het gesprek op gang te brengen. Toch liet Fransson zich de kans niet ontgaan om hem de les te lezen en hij merkte op dat het wel wat ingewikkelder lag. Er was een duidelijk motief, zei hij, misschien geen motief voor mensen zoals jij en ik, maar wel voor een aan de drank verslaafde voetbalvader zonder impulsbeheersing, die leeft voor de successen van zijn zoon op het veld.

‘Jaja, natuurlijk,’ zei Falkegren. ‘Maar godallemachtig… ik heb de videobeelden gezien. Costa draaide helemaal door, terwijl de scheidsrechter… Hoe heet hij ook weer?’

‘Jamal Kabir.’

‘… terwijl Jamal Kabir de rust zelve was. Een man van formaat, zou ik zeggen.’

‘Dat zeggen ze ook.’

‘En zoals hij met zijn handen wuifde. Elegant, of niet? Alsof hij de hele wedstrijd leidde.’

‘Dat is wel bijzonder, dat is waar,’ zei Fransson, en toen wendde Martin Falkegren de ogen van hem af en besloot het initiatief weer naar zich toe te trekken.

.

Micaela verschoof op haar stoel. De sfeer was niet geweldig. Falkegren deed zijn best om een van de jongens te zijn, maar dat was vanaf het begin tot mislukken gedoemd geweest. Hij was anders. Hij glimlachte aan één stuk door en droeg een glimmend pak, dat hij combineerde met een paar zwarte loafers met kwastjes.

‘Hoe staat het met de bewijsvoering, Carl? Ik had het er daarnet even over met…’ zei hij, en hij keek haar aan.

Hij leek zich haar naam niet te kunnen herinneren, of hij moest aan iets anders denken, want hij maakte zijn zin niet af. Fransson onderbrak hem en vertelde welke bewijzen ze hadden, en dat klonk net zo overtuigend als altijd wanneer hij praatte. Het leek wel of het enige wat er nog aan ontbrak een vonnis was, en misschien was dat ook de reden dat de hoofdcommissaris niet goed luisterde. Hij mompelde alleen bevestigend: ‘Ja, precies, en de bevindingen in de P7 verzwakken het bewijs niet bepaald.’

‘Nee, dat klopt,’ zei Fransson, en toen keek Micaela op van haar schrijfblok.

De P7, dacht ze, die verdomde P7. Toen ze het document tien dagen geleden in handen had, was haar niet duidelijk geweest wat het was. Nu wist ze dat het een kort psychologisch onderzoek was, waar later een uitgebreider onderzoek op volgde. Ze had het met een zekere verwachting gelezen, maar was bijna meteen teleurgesteld geraakt. Een antisociale persoonlijkheidsstoornis, stond er in de conclusie. Waarschijnlijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Met andere woorden: Costa was een soort psychopaat. En dat geloofde ze niet.

‘Ja,’ zei de hoofdcommissaris met nieuwe opgewondenheid in zijn stem. ‘Daarin vinden we de sleutel tot zijn persoonlijkheid.’

‘Ja, nou, misschien,’ zei Fransson, en hij draaide heen en weer.

‘Maar hij moet natuurlijk nog wel bekennen.’

‘Ja, uiteraard.’

‘En jullie waren al dicht bij een bekentenis?’

‘Ja, absoluut.’

‘Daar heb ik zelf ook nog een rol bij gespeeld, of niet?’ ging Falkegren verder. Even deden ze allemaal net of ze het niet snapten, ook al begrepen ze het maar al te goed, en daarom was niemand verbaasd toen hij zei: ‘Ik heb jullie gevraagd een nieuwe verhoortechniek uit te proberen.’

‘Ja, precies, dat was een goed advies,’ mompelde Fransson, die ervoor zorgde dankbaar te klinken, maar niet al te geïmponeerd.

Na de P7 had Falkegren voorgesteld om Giuseppe Costa niet meer onder druk te zetten, maar hem in plaats daarvan de kans te geven zich als psycholoog-deskundige uit te spreken. Dat was een beetje raar, maar Falkegren hield voet bij stuk. ‘Hij heeft een hoge dunk van zichzelf en denkt dat hij alles van voetbal weet.’ Uiteindelijk besloten ze het een kans te geven. Toen Giuseppe op een dag erg zat te pochen, probeerde Fransson het.

‘Jij met jouw ervaring zou ons toch moeten kunnen vertellen hoe iemand die zoiets zinloos doet als het doodslaan van een scheidsrechter eigenlijk denkt,’ zei hij tegen Costa. Toen zagen ze hem groeien, en hij had met zoveel inlevingsvermogen gesproken dat ze het gevoel hadden dat hij een indirecte bekentenis aflegde. Dat was natuurlijk een interessant moment geweest, maar dat Martin Falkegren daar zo trots op was, had Micaela tot nu toe niet begrepen.

‘Het is een beroemde truc, weten jullie dat? Er is een bekend voorbeeld,’ zei hij.

‘O, echt?’ zei Fransson.

‘Een jonge journalist heeft Ted Bundy geïnterviewd in de gevangenis van Florida.’

‘Sorry?’

‘Ted Bundy,’ herhaalde hij. ‘Niemand minder dan Ted Bundy. De methode werkte bij hem heel goed. Bundy had psychologie gestudeerd en toen hij de kans kreeg om te schitteren, speelde hij voor het eerst open kaart.’ Micaela was niet de enige die sceptisch keek.

Ted Bundy.

Hij had net zo goed met Hannibal Lecter kunnen aankomen.

‘Begrijp me goed,’ ging Falkegren verder. ‘Ik maak geen vergelijkingen. Ik wil alleen vertellen dat er nieuw onderzoek wordt gedaan op dat gebied, dat er nieuwe verhoortechnieken zijn en dat wij als politiemensen…’

Hij aarzelde.

‘Ja?’

‘… dat er grote lacunes in onze kennis zitten. Ik zou zelfs willen zeggen dat we naïef zijn geweest.’

‘Werkelijk?’ vroeg Fransson.

‘Jazeker. Het begrip “psychopaat” is lange tijd als achterhaald en stigmatiserend gezien. Maar er is een omslag gekomen, godzijdank, en ik heb onlangs een lezing bijgewoond, een geweldige lezing, moet ik zeggen.’

‘Kijk es aan,’ zei Fransson.

‘Precies. Ongelooflijk boeiend. We zaten allemaal op het puntje van onze stoel. Ja, echt, jullie hadden erbij moeten zijn. De lezing werd gegeven door Hans Rekke.’

‘Wie is dat?’

De mannen keken elkaar aan. Het was duidelijk dat niemand ooit van hem had gehoord, en dat het hun ook niet veel kon schelen.

‘Hij is professor in de psychologie aan de Stanford-universiteit, een ontzettend prestigieuze post.’

‘Indrukwekkend,’ zei Fransson ironisch.

‘Nou, zeker,’ antwoordde Falkegren, die de ironie niet hoorde. ‘Hij wordt in alle belangrijke tijdschriften geciteerd.’

‘Fantastisch,’ zei Ström al even ironisch.

‘Maar hij is niet zweverig, denk dat niet. Hij is specialist in verhoortechnieken en heeft de politie van San Francisco geholpen. Hij is ongelooflijk scherpzinnig en kundig.’ Die woorden sloegen evenmin aan.

Het was eerder zo dat ze het wij-en-zij-gevoel in het vertrek versterkten. Het werd nog meer hij, de chef en carrièrejager, die naar een lezing was geweest en het licht had gezien, tegen Fransson en zijn mannen, de hardwerkende en nuchtere rechercheurs die met beide benen op de grond stonden en niet meteen achter alle nieuwe modegrillen aan liepen.

‘Professor Rekke en ik begrepen elkaar meteen, we hadden een klik,’ ging Falkegren verder, en hij wist op die manier te vertellen dat hij ook bijzonder was, omdat het klikte met zo’n slim iemand.

‘Ik heb hem over Costa verteld,’ zei hij.

‘O ja?’

Fransson trok een wenkbrauw op.

‘Ik vertelde over zijn megalomane en narcistische trekken en over de ietwat lastige situatie waarin we ons bevinden, zonder technisch bewijs,’ ging Falkegren verder.

‘Oké,’ zei Fransson.

‘En toen noemde hij die truc met Bundy en zei dat we dat misschien konden proberen.’

‘Nou mooi, dan weten we nu wat de achtergrond was,’ zei Fransson, die graag een eind wilde maken aan het gesprek.

‘Toen dat zo’n succes was en Costa echt begon te praten, dacht ik: mijn god, als Rekke ons uit de losse pols al zo goed kon helpen, wat zou hij dan niet kunnen doen als hij zich verder in de zaak verdiepte.’

‘Hm, ja, dat kun je je afvragen,’ zei Fransson ongemakkelijk.

‘Exact,’ ging Falkegren verder. ‘Daarom heb ik hier en daar mijn licht opgestoken… ja, ik heb mijn contacten, dat weten jullie, en iedereen was een en al lof. Een en al lof, mannen. Daarom ben ik zo vrij geweest ons materiaal aan professor Rekke te sturen.’

‘Wat heb je gedaan?’ riep Fransson uit.

‘Ik heb hem het dossier gestuurd.’

Ze leken het niet helemaal te begrijpen en Fransson stond op. ‘Het vooronderzoek is vertrouwelijk, je hebt de wet overtreden,’ beet hij Falkegren toe.

‘Rustig, rustig,’ zei Falkegren. ‘Zo is het helemaal niet. Rekke gaat deel uitmaken van ons team en heeft natuurlijk zijn zwijgplicht als psycholoog. Eerlijk gezegd denk ik dat we hem nodig hebben.’

‘Wat een kul,’ zei Fransson geïrriteerd.

‘Jullie hebben goed werk gedaan, zonder meer, maar jullie hebben geen waterdichte zaak. Jullie hebben een bekentenis nodig en ik ben ervan overtuigd dat Rekke jullie daarmee kan helpen. Hij legt als geen ander de vinger op de tegenstrijdigheden en hiaten in verklaringen.’

‘Wat wil je dan van ons?’ vroeg Fransson. ‘Moeten we de professor ons onderzoek laten overnemen?’

‘Nee, nee, alsjeblieft, zeg. Ik zeg alleen dat jullie hem moeten opzoeken en naar hem moeten luisteren. Kijken of hij een nieuwe ingang kan geven, een nieuw idee. Hij verwacht jullie zaterdag om twee uur bij hem thuis in Djursholm. Hij beloofde dat hij het materiaal tegen die tijd doorgenomen zou hebben.’

‘Ik wil niet nog een vrije zaterdag inleveren voor dat soort onzin,’ zei Axel Ström, die de oudste was van het team en de pensioengerechtigde leeftijd naderde.

‘Oké, oké, fair enough. Maar sommigen van jullie kunnen vast wel. Jij bijvoorbeeld,’ ging Falkegren verder, en hij wees naar Micaela. ‘Rekke heeft zelfs gebeld en naar jou gevraagd.’

‘Heeft hij naar mij gevraagd?’

Ze keek gegeneerd om zich heen, dit moest een grap zijn. ‘Ja, hij vond een verhoor dat jij met Costa had gehad interessant.’

‘Dat kan ik me niet voorstellen…’ begon ze.

‘Vargas kan daar niet alleen naartoe,’ viel Fransson haar in de rede, en hij richtte zich tot Falkegren. ‘Daar heeft ze niet genoeg ervaring voor, bij lange na niet. Dat is punt één. En punt twee, met alle respect, Martin, je had ons van tevoren kunnen informeren. Je hebt het achter onze rug om gedaan.’

‘Dat geef ik toe. Mijn excuses.’

‘Nou ja, nu is het niet anders. Ik ga ook mee.’

‘Mooi.’

‘Maar ik ben niet van plan ook maar één van de adviezen van die professor op te volgen als ik ze niet goed vind. Ik leid dit onderzoek en niemand anders.’

‘Vanzelfsprekend. Maar ga er met een open geest naartoe.’

‘Ik heb altijd een open geest. Dat hoort bij het werk,’ zei hij.

Micaela kreeg zin haar neus op te halen of een vernietigende opmerking te maken, maar zoals gewoonlijk hield ze zich stil en knikte ze alleen ernstig.

‘Ik ga ook mee,’ zei Lasse Sandberg.

‘Ik ook,’ zei Jonas Beijer. En dat was dat.

De zaterdag daarop verzamelden ze voor het politiebureau om naar de grote villa in Djursholm te rijden. Fransson, Sandberg, Beijer en zij.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief