leesfragment

‘Onder de Drachenwand’ van Arno Geiger

Het is 1944. Veit Kolbe brengt een paar maanden door in het bergdorpje Mondsee, onder de steile Drachenwand. Hij ontmoet hier twee vrouwen, Margot en Margarete. Kolbe is een soldaat met verlof; hij is in Rusland gewond geraakt. Wat de twee vrouwen met hem delen is de hoop dat ze ooit weer een gewoon leven kunnen leiden.

In Onder de Drachenwand schrijft Arno Geiger over Veits verblijf in de bergen, over zijn nachtmerries en de tijdens de oorlog zeldzame normale momenten in dit Oostenrijkse dorpje. Het is een ijzersterke roman over de kracht van verhalen, over het individu en de oorlog, over de dood en over de overlevenden, en over liefde in duistere tijden.

Lees hier alvast de eerste pagina’s!

Aan de hemel, hoog in de lucht

Aan de hemel, hoog in de lucht, kon ik enkele wolken voorbij zien drijven, en toen begreep ik dat ik het had overleefd. / Later stelde ik vast dat ik dubbelzag. Alle botten deden me pijn. De volgende dag borstvliesontsteking, gelukkig goed doorstaan. Maar met mijn rechteroog zag ik nog steeds dubbel, en mijn reukvermogen was ik kwijt.

Zo had de oorlog me ook ditmaal alleen maar even opzij geslingerd.
Zo had de oorlog me ook ditmaal alleen maar even opzij geslingerd. Het eerste moment had ik het gevoel gehad dat ik door het gedreun werd opgeslokt en door de toch al alles opslokkende steppe en de toch al alles opslokkende rivieren, bij die ruime bocht van de Dnjepr. Onder mijn rechtersleutelbeen liep het bloed in glinsterende stroompjes naar buiten, ik keek ernaar, het hart is een krachtige pomp, en het pompte mijn bloed nu niet meer in mijn lichaam rond, maar dreef het uit mij, boem, boem. In doodsangst rende ik naar de geneeskundig officier, die mijn wond dichtdrukte en me provisorisch verbond. Ik keek toe, me steeds meer verbazend over het geluk dat ik nog leefde. Een granaatsplinter had mijn rechterwang geraakt, uiterlijk was er weinig van te zien, een andere splinter zat in de rechterdij, pijnlijk, en een derde splinter had onder mijn sleutelbeen een groot bloedvat geraakt, hemd, uniformjasje en broek waren doordrenkt van het bloed.

Het onbeschrijflijke gevoel dat je het hebt overleefd, met niets te vergelijken. Als kind de gedachte: als ik groot ben. Nu de gedachte: als ik het overleef. / Wat is er mooier dan in leven te blijven?

Het gebeurde in precies dezelfde omgeving als waar we twee jaar geleden in dezelfde tijd hadden gezeten. Ik kon me alles goed herinneren, ik herkende de omgeving meteen weer, de wegen, alles nog steeds hetzelfde. Maar de wegen waren er sindsdien niet beter op geworden. We lagen bij een verwoest dorp, de meeste tijd onder vuur. ’s Nachts was het al zo koud dat het water in de emmer bevroor. Ook op de tenten lagen ijskorsten. / Onze terugtocht was één grote vuurstreep, vreselijk om te zien. En ontnuchterend om erover na te denken. Alle stromijten stonden in brand, alle kolchozen stonden in brand, juist de huizen bleven meestal overeind. De bevolking moest naar achteren geëvacueerd worden, maar dat kon maar gedeeltelijk worden doorgevoerd, voor een groot deel waren de mensen niet weg te krijgen, het kon hun niet schelen of ze werden doodgeschoten, maar weg wilden ze in elk geval niet.

Wat is er mooier dan in leven te blijven?
En de oorlog woedde voort, voor de een voorwaarts, voor de ander achterwaarts, maar altijd jachtig, hoogst bloederig en onbegrijpelijk.

Nog op de dag dat ik gewond raakte werd ik met de ziekenauto weggebracht. Als er niet een grote vrachtwagen ter begeleiding beschikbaar was gesteld, waren we in de modder blijven steken, meteen buiten het dorp al. Zo ging het tot aan de hoofdverbandplaats, waar mijn wonden provisorisch dichtgenaaid werden. Ik keek bij het naaien toe, opnieuw met grote verbazing. / De kleren die ik eind oktober had aangetrokken, had ik bijna een maand aan mijn lijf gedragen, het hemd was letterlijk zwart toen ze het me uittrokken.

Ik zag een dokter die probeerde een sigaret aan te steken en daarbij vijf lucifers afbrak. Hij stond er met een hangend hoofd bij, tot een verpleegster van het Rode Kruis hem de lucifers uit handen nam. Na twee trekjes, die hij met gesloten ogen lang in zijn longen vasthield, stootte de dokter een paar flarden uit en wankelde tussen de bloederige stretchers weg.

Twee dagen later reisden we verder. Op een bepaald ogenblik kieperden we bijna om met onze wagen, we waren een niet zichtbare sloot in gegleden. Toen de anderen de wagen eruit getrokken hadden, zat voor en achter ons de weg dicht, want het was flink gaan sneeuwen. We hadden de hele ochtend nodig om negen kilometer ver te komen, omdat de weg met een schop moest worden vrijgemaakt, achter ons was de weg dan beter.  Maar ik voelde elke rib in mijn lijf. / Ook op de hoofdverkeersweg was het vreselijk, tot zesmaal toe moesten we dekking zoeken voor vliegtuigen, die ons met boordwapens aanvielen. Bij een onverhoedse beweging ging de  wond aan mijn dijbeen open. / Op het station van Dolynska werden we binnen een uur driemaal aangevallen door bommenwerpers, ik was blij dat ik daar weg kon.

Zuurtjes en chocola zijn het enige wat ons soldaten goeddoet, voor de rest maken we alleen maar afschuwelijke dingen mee.
In Dolynska werden hele dozen zuurtjes en chocola in onze wagon gegooid. Dat is altijd zo: als we terug moeten, worden de kampen ontruimd, voordat ze uiteindelijk in handen van de Sovjets vallen. Zuurtjes en chocola zijn het enige wat ons soldaten goeddoet, voor de rest maken we alleen maar afschuwelijke dingen mee.

Met nieuw verband om lag ik in een hospitaaltrein. De trein stond meestal stil ergens in het landschap, vanwege het drukke verkeer. We hebben er vijf dagen over gedaan om in Praag te komen en van Praag twee dagen tot in het Saargebied. / Je zou het niet voormogelijk houden dat je van het oosten naar het uiterste westen wordt overgeplaatst, maar dat bewijst maar weer eens hoe klein het zogenaamde Groot-Duitsland is. / Om de wonden niet te laten bevriezen hadden we een loopgravenkachel in onze wagon.Mijn reukvermogen was terug, in de warmte had de stank van etter en jodoformeen verdovend effect, ik pendelde heen en weer tussen volledige helderheid en een vertroebelde geest. Slapen, slapen, slapen. – Pijn? Ik moest maar op mijn tanden bijten, zei de hospik, morfine was voor de zware gevallen. Dan ben ik dus geen zwaar geval. Bovendien reizen we westwaarts. De pijn in westwaartse richting is te verdragen. / Enkele gewonden in mijn wagon zouden spoedig weer helemaal voor in de frontlinie staan. Tijdens de reis naar het westen werden ze van louter blijdschap gezond. Wat natuurlijk een vergissing was. / En dan weer het gevoel dat alles in mijn hoofd dreunt en gonst. En opnieuw gleed ik langzaam weg in een toestand van bewusteloosheid.

Het gekerm, het gekreun, de stank van de niet goed verzorgde wonden, de stank van de vervuilde lichamen. Dat alles vermengde zich tot iets wat voor mij de essentie van de oorlog is. Ik probeerde zo veel mogelijk te slapen. Bijna iedereen in de wagon rookte. Wie de sigaret niet zelf kon vasthouden, liet zich door zijn buurman helpen. Ik kreeg schele hoofdpijn en dacht dat het kwam door de stank van etter en het vele roken. Net als de dokter op de hoofdverbandplaats hield ik de rook lang in mijn longen vast.

Als je je eigen verhaal vertelt, is er een vervolg.
En bijna iedereen probeerde zijn eigen verhaal te doen. Als je je eigen verhaal vertelt, is er een vervolg.

Nu dus het Saargebied, dat zegt alles al, erg mooi is het hier niet. Het landschap gaat nog wel, maar je moet niet letten op het roet van de kolenmijnen. Het militair hospitaal waar ik lig, was vroeger een kindertehuis, naar verluidt gesticht door een mijneigenaar, de oprit ligt vol witte kiezelstenen, die niet goed passen bij zo’n roetige omgeving. Eromheen een park met exotische bomen, gesnoeide struiken, Romeinse figuren en nog meer overdreven dingen. Vanbinnen is het gebouw sober ingericht als hospitaal, witte bedden met springveren matras. / Na de lange tijd aan het front ervaar ik het militaire hospitaal als de hemel. Vreemd dat ik hier lig en alle botten nog aan mijn lijf zitten en vrouwen in sneeuwwitte schorten me echte koffie brengen en twee kamergenoten kaartspelen, en dat ik vanbuiten kerkklokken hoor beieren. De eerste witte lakens sinds ruim een jaar. Vreemd!

Ik vind het aangenaam als de verpleegster een in witte watten gewikkelde spuit uit de doos neemt. ‘Ontspant u zich maar,’ zegt ze, ‘doe maar net alsof het niet uw pijn is.’ / Eerder had ik te maken met een dokter die niet veel belangstelling voor me had, hij zei dat hij de volgende dag zou worden afgelost. Kon mij wat schelen. / Wat fijn om weer eens aangeraakt te worden door schone handen. / Op een keer kwam ik uit een stelling in Zuid-Rusland voor een paar uur terug naar de veldkeuken, toen had ik dezelfde ervaring als nu in het militair hospitaal: ik zette grote ogen op toen ik glazen en tuinbloemen zag.

Na mijn aankomst tegen negen uur in de ochtend heb ik de hele dag in een nis op de gang gelegen, achter een wit gordijn, het was er vreselijk koud. Later kwam een dokter me onderzoeken. Tegen de avond kwam er op een zaal een bed vrij, en ik kwam daar terecht. Er was toen al een paar keer bloed bij me afgenomen, de volgende dag werd er een röntgenfoto gemaakt en volgden er nog meer bloedafnames. Er volgden voor het eerst sinds lange tijd nachten waarin ik fatsoenlijk kon slapen. Het was niet koud en niet vochtig, ik kreeg geen strohalmen in mijn mond of vliegen in mijn neus.

Toen was ik weg.
Op 2 december werd ik geopereerd aan mijn dij en mijn sleutelbeen. Na het spuitje werd ik misselijk, alles draaide voor mijn ogen, de bedden op de zaal dreven als zeilbootjes op een meer. De palmen ontbraken er nog maar aan. Ik ging stemmen horen en voelde hoe ik van mezelf verwijderd raakte. Ik zei mijn naam, steeds weer, ik dacht dat ik nog niet helemaal de kluts kwijt was als ik mijn naam nog wist: Veit Kolbe… Veit Kolbe… Het laatste wat ik zag was de witte kap van een zuster die over me heen gebogen stond. Toen was ik weg.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief