leesfragment

‘Ons deel van de nacht’ van Mariana Enriquez

0

In Ons deel van de nacht, de unieke en meermaals bekroonde nieuwe roman van Mariana Enriquez, wordt het bovennatuurlijke gespiegeld aan ware gebeurtenissen uit heden en verleden. Het verhaal speelt tegen de achtergrond van de militaire dictatuur in het Argentinië van de jaren zeventig, de Vuile Oorlog en mensen die ‘verdwenen’. Een meeslepende roman over vaders en zonen, over klassenverschillen en strijd, en over het gewicht van een gruwelijke erfenis.

De klauwen van de levende god, januari 1981

Ik ben van mening dat wij de kans om onsterflijk te worden mislopen omdat onze weerstand tegen de dood niet is ontwikkeld; ter verbetering hiervan wordt de nadruk gelegd op de primaire, rudimentaire gedachte: het hele lichaam moet blijven leven. Wat van belang is voor het bewustzijn zou je eigenlijk alleen moeten proberen te conserveren.

ADOLFO BIOY CASARES, Morels uitvinding, vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

I cried, ‘Come out of the shadow, king of the nails of gold!’
W.B. Yyeats, The Wanderings of Oisin

Al dat licht die ochtend en de lucht schoongeveegd, met een enkel wit vlekje in het warme blauw, eerder een veeg rook dan een wolk. Het was al laat en hij moest gaan en die hete dag zou niet anders zijn dan de dag erna: als het regende en de vochtige lucht van de rivier de stad bereikte en het benauwd werd in Buenos Aires, zou hij de stad nooit uit komen.

Juan slikte zonder water een pil door tegen de hoofdpijn die hij nog niet voelde en liep naar binnen om zijn zoon wakker te maken, die onder een laken lag te slapen. We gaan, zei hij, terwijl hij hem zachtjes heen en weer schudde. Het kind was meteen wakker. Zouden andere kinderen ook zo licht slapen, ook zo alert zijn? Was je gezicht maar even, zei hij, en hij veegde voorzichtig de slaap uit zijn ogen. Er was geen tijd om te ontbijten, dat konden ze onderweg doen. Hij pakte de tassen die al klaarstonden en twijfelde een tijdje tussen verscheidene boeken, tot hij besloot er nog twee mee te nemen. Hij zag de vliegtickets op de tafel liggen: dat kon ook nog steeds. Hij kon naar bed gaan en de datum van de vlucht afwachten, over een paar dagen. Om niet in de verleiding te komen, verscheurde hij de tickets en gooide ze in de vuilnisbak. Zijn lange haar plakte in zijn nek van het transpireren, in de zon zou dat nog erger worden. Hij had geen tijd om het af te knippen, maar zocht in de keukenladen naar een schaar. Toen hij er een vond, stopte hij hem in de plastic doos bij zijn pillen, bloeddrukmeter, injectienaalden en verbandmateriaal, standaard eerstehulpmiddelen voor de reis. Ook zijn scherpste mes en de zak vol met as die hij eindelijk zou gebruiken. Hij legde de zuurstoffles in de kofferbak: die zou hij nodig hebben. In de auto was het koel, de kunstleren bekleding had gedurende de nacht niet al te veel warmte geabsorbeerd. De koelbox met ijsblokjes en twee flessen koude frisdrank zette hij voorin. Zijn zoon moest op de achterbank, al liet hij hem liever naast zich zitten, maar dat was verboden en hij wilde absoluut geen problemen met de politie of het leger, die de hoofdwegen met geweld bewaakten. Een man alleen met kind zou argwaan kunnen wekken. De onderdrukkers waren onvoorspelbaar en Juan wilde moeilijkheden voorkomen.

Gaspar, riep hij, zonder zijn stem te veel te verheffen. Omdat er geen antwoord kwam, liep hij het huis in om hem te halen. De jongen probeerde zijn veters te strikken.

‘Je maakt er een puinhoop van,’ zei hij, terwijl hij zich bukte om hem te helpen. Zijn zoon huilde, maar hij kon hem niet troosten. Gaspar miste zijn moeder, zij deed dat soort dingen zonder nadenken: nagels knippen, knopen aanzetten, achter zijn oren en tussen zijn tenen wassen, vragen of hij nog moest plassen voor vertrek, voordoen hoe je een perfecte strik in je veters maakte. Hij miste haar ook, maar die ochtend wilde hij niet met zijn zoon meehuilen. Heb je alles, vroeg hij. We gaan niet meer terug om iets te halen, ik waarschuw je.

Het was voor het eerst in tijden dat hij zo’n lange afstand reed. Rosario zei altijd dat hij minstens één keer per week moest rijden, om het niet te verleren. De auto was te klein voor Juan, zoals bijna alles voor hem te klein was, broeken te kort, t-shirts te strak, stoelen te laag of te krap. Hij controleerde of de gids van de autoclub in het handschoenenkastje lag, en reed weg.

‘Ik heb honger,’ zei Gaspar.

‘Ik ook, maar we gaan straks op een superleuke plek ontbijten. Over een poosje, goed?’

‘Als ik niet eet, moet ik overgeven.’

‘En ik krijg hoofdpijn als ik niet eet. Even volhouden nu. Het is niet ver. Kijk maar niet naar buiten, anders word je nóg misselijker.’

Zelf voelde hij zich beroerder dan hij wilde toegeven. Zijn vingers tintelden en hij voelde het snelle, onregelmatige kloppen van zijn hartritmestoornis. Hij duwde zijn donkere zonnebril omhoog en vroeg Gaspar het verhaal te vertellen dat hij de avond ervoor had gelezen. Met zijn zes jaar kon hij al goed lezen.

‘Ik weet het niet meer.’

‘Dat weet je best. Ik ben ook in een slecht humeur. Zullen we er samen wat van maken of gaan we de hele reis onze kont tegen de krib gooien?’

Gaspar lachte omdat hij ‘kont’ had gezegd. Vervolgens vertelde hij over een junglekoningin die altijd zong als ze in het bos liep en naar wie iedereen graag luisterde. Op een dag kwamen er soldaten en hield zij op met zingen en werd strijder. Ze werd opgepakt en zat een nacht opgesloten en toen ontsnapte ze en om te ontsnappen moest ze de soldaat doden die haar bewaakte. Omdat niemand geloofde dat ze sterk genoeg was om hem te doden, want ze was heel dun, zeiden ze dat ze een heks was en verbrandden haar, ze bonden haar vast aan een boom, die in de fik werd gestoken. Maar ’s ochtends vonden ze niet haar lichaam, maar een rode bloem.

‘Een boom met rode bloemen.’

‘Ja, een boom.’

‘Vond je het een mooi verhaal?’

‘Ik weet niet, ik vond het eng.’

‘Die boom is een koraalboom. Hier zijn er niet zoveel, maar als ik er een zie, zal ik hem aanwijzen. Bij het huis van je grootouders staan er een heleboel.’

In de achteruitkijkspiegel zag hij dat Gaspar fronste.

‘Hoezo zijn er daar heel veel?’

‘Het is een legende, ik heb je al uitgelegd wat een legende is.’

‘Dus dat meisje bestaat niet?’

‘Ze heet Anahí. Ze heeft misschien wel bestaan, maar het verhaal over de bloemen wordt verteld om haar te gedenken, niet omdat het echt gebeurd is.’

‘Is het nou wel of niet echt gebeurd?’

‘Allebei. Ja en nee.’

Hij vond het grappig om te zien hoe Gaspar serieus en zelfs boos werd, hoe hij op zijn lip beet en zijn hand steeds tot een vuist balde.

‘Worden heksen nu ook verbrand?’

‘Nee, niet meer. Maar er zijn nu ook niet veel heksen.’

Het was makkelijk om op een zondagochtend in januari de stad uit te rijden. Voor hij er erg in had, lagen de gebouwen al achter hen. En de lage huizen en de huisjes met golfplaten daken van de krottenwijken. En opeens waren daar de bomen en het platteland. Gaspar sliep al en Juans arm verbrandde in de zon, zoals bij een gewone vader tijdens een uitstapje in het weekend. Maar hij was geen gewone vader, soms zagen mensen dat als ze hem in de ogen keken, als ze een tijdje met hem praatten, op de een of andere manier herkenden ze het gevaar: hij kon zijn ware aard niet verbergen, het was niet mogelijk om zoiets geheim te houden, in elk geval niet lang.

Hij parkeerde bij een restaurant dat met warme chocolademelk en croissants adverteerde. We gaan ontbijten, zei hij tegen Gaspar, die meteen wakker was en zijn grote ogen, zijn wat afstandelijke blauwe ogen, uitwreef.

Het had er alle schijn van dat de vrouw die de tafels schoonmaakte de eigenaresse was en een vriendelijk, bemoeizuchtig mens. Ze keek nieuwsgierig toe toen ze ver van het raam en dicht bij de koelkast gingen zitten. Een jongen met een modelautootje in zijn hand en zijn boomlange vader met blond haar dat tot op zijn schouders viel. Ze haalde een vaatdoek over de tafel en noteerde hun bestelling op een notitieblok, alsof het restaurant vol zat. Gaspar wilde warme chocolademelk en een zoet broodje met dulce de leche. Juan bestelde een glas water en een sandwich met kaas. Hij zette zijn donkere zonnebril af en sloeg de krant open die op de tafel lag, ook al wist hij dat belangrijk nieuws niet in de krant kwam. Er stonden geen berichten in over clandestiene detentiecentra of nachtelijke schermutselingen of ontvoeringen of geroofde kinderen. Alleen verhalen over de Mundialito, het mini-WK voetbal dat in Uruguay plaatsvond en hem niet interesseerde. Het was soms moeilijk om normaal te lijken op momenten dat hij moe was, op momenten dat hij zo hopeloos verdrietig en bezorgd was. De vorige nacht had hij opnieuw geprobeerd met Rosario in contact te komen. Dat was niet gelukt. Ze was nergens te bekennen, hij kon haar niet voelen, ze was weg op een manier die hij op geen enkele manier kon begrijpen of accepteren.

‘Ik heb het warm,’ zei Gaspar.

De jongen zweette, zijn haar was nat, zijn wangen waren rood. Juan voelde aan zijn rug. Zijn t-shirt was doorweekt.

‘Blijf even hier zitten,’ zei hij en hij liep naar de auto voor een schoon shirt. Daarna nam hij hem mee naar het toilet om zijn hoofd nat te maken, zijn zweet af te drogen en hem zijn t-shirt aan te trekken, dat een beetje naar benzine rook.

Toen ze weer bij hun tafel kwamen, stonden de vrouw en het ontbijt op hen te wachten. Juan bestelde ook een glas water voor Gaspar.

‘Er is hier een prachtige camping in de buurt, voor als jullie verkoeling zoeken in de rivier.’

‘Bedankt, maar daar hebben we geen tijd voor,’ zei Juan en hij deed zijn best vriendelijk te klinken. Hij knoopte zijn overhemd nog wat verder open.

‘Zijn jullie met z’n tweetjes? Wat een grote ogen heeft dat kind! Hoe heet je?’

Niet op ingaan, jongen, wilde Juan het liefst zeggen, gewoon dooreten terwijl ik haar voorgoed het zwijgen opleg, maar Gaspar had zijn naam al genoemd en de vrouw, nu op dreef, vroeg met een hypocriet kinderlijk stemmetje: ‘En waar is jouw mama?’

Juan voelde het verdriet van de jongen in zijn hele lijf. Het was een primitief, woordeloos verdriet; rauw en duizelingwekkend. Hij greep zich vast aan de tafel en moest moeite doen om los te komen van zijn zoon en van dat verdriet. Gaspar wist niet wat hij moest zeggen en keek hem hulpeloos aan. Hij had nog maar een half broodje op. Hij moest hem leren zich niet zo vast te klampen, aan hem noch aan iemand anders.

‘Mevrouw,’ Juan probeerde zich in te houden maar klonk dreigend, ‘dat gaat u geen moer aan.’

‘Ik probeerde alleen maar een praatje te maken,’ antwoordde zij beledigd.

‘Mooi is dat. Nou wordt u boos omdat u uw stompzinnige kletspraatje wilt en wij moeten uw opdringerige oudewijvengewauwel maar verdragen. Wilt u het echt weten? Mijn vrouw is drie maanden terug overleden toen ze door een bus werd aangereden en een paar honderd meter meegesleurd.’

‘Het spijt me verschrikkelijk.’

‘Welnee, dat spijt u helemaal niet, want u kende haar niet en u kent ons ook niet.’

De vrouw wilde nog iets zeggen, maar liep bijna in tranen weg. Gaspar keek hem nog steeds aan, met droge ogen. Hij was een beetje geschrokken.

‘Niets aan de hand. Eet je bord maar leeg.’

Juan nam een hap van zijn sandwich met kaas. Hij had geen honger, maar op een lege maag kon hij zijn medicijnen niet innemen. Met een verontschuldigend gezicht en naar voren gebogen schouders kwam de vrouw terug. Ze bracht twee glazen sinaasappelsap. Die zijn van het huis, zei ze, en ik bied u mijn excuus aan. Zo’n tragedie had ik niet verwacht. Gaspar speelde met zijn rode autootje, een nieuw model waarvan de deuren en de achterklep open konden, een cadeautje van zijn oom Luis uit Brazilië. Juan zei dat Gaspar zijn chocolademelk op moest drinken en stond op om aan de bar af te rekenen. De vrouw bleef zich maar verontschuldigen en Juan kreeg er genoeg van. Toen ze haar hand uitstak om het geld in ontvangst te nemen, pakte hij haar pols. Hij overwoog de vrouw een symbool te sturen dat haar tot waanzin zou drijven, waardoor ze zich gedwongen zou voelen het vel van de voeten van haar kleinkind af te stropen of haar hond in een stoofpot te verwerken. Hij hield zich in. Hij wilde zich niet vermoeien. De reis met zijn zoon geheimhouden had hem al genoeg uitgeput en het zou gevolgen hebben. Dus liet hij de vrouw met rust.

Gaspar wachtte op hem bij de deur. De jongen had zijn zonnebril opgezet. Toen hij hem af wilde pakken, rende de jongen lachend weg. Juan kreeg hem vlak bij de auto te pakken en tilde hem op: Gaspar was licht en lang, maar zou niet zo lang worden als hij. Hij besloot dat ze een plek zouden zoeken om te lunchen voordat ze verder reden naar Entre Ríos.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief