leesfragment

‘Op de vlucht’ van Sharon Bolton

In de heuvels tussen Engeland en Schotland maken dertien passagiers bij zonsopgang een ballonvaart. Een prachtige ervaring, tot ze op de grond een brute moord zien gebeuren. In het komende uur zal iedereen in de ballon zijn omgekomen, op één vrouw na.
Alleen en bang, vlucht ze voor haar leven. Maar ze heeft het gezicht van de moordenaar gezien – en hij dat van haar. Hij zal niet rusten tot hij de laatste getuige van zijn misdaad heeft uitgeschakeld…

Lees hier alvast de eerste spannende pagina’s van Op de vlucht van Sharon Bolton!

1

‘Deze vrouw, die Jessica Lane, had dood moeten zijn. Elf mensen zijn omgekomen bij die crash. Lane overleefde het niet alleen, ze is bovendien weggelopen. En dat doet ze nog steeds.
Dus ik wil weten waar ze naartoe gaat. Ik wil weten waarom ze geen contact heeft opgenomen. Waarom ze geen hulp zoekt. Waarom ze opzettelijk de politie mijdt.
Ik wil weten voor wie ze op de loop is.
Maar bovenal wil ik dat ze gevonden wordt.’

Deel 1
2. Woensdag 20 september

De ballon hing als een omgekeerde kerstbal in de lucht. De enorme bol met zijn zuurstokstrepen werd perfect weerspiegeld in het meer. Het water gloeide in het ochtendlicht met de kleuren van een rijpe perzik, bleek goud aan de randen, een dieper, warmer roze in het midden. Er was geen wind. Geen geluid. Het geruis van de bomen langs de oever was gestopt en geen van de dertien passagiers in de ballon bewoog of sprak. De wereld leek zijn adem in te houden.

Onder hen, zo ver als de passagiers in elke richting konden zien, was het heidelandschap van het National Park van Northumberland. Een eindeloze grasvlakte golfde als de vacht van een enorm dier dat ontwaakte, riviertjes glinsterden als zilveren slangen en de schitterende zonsopgang zette de toppen van de heuvels in brand. Het landschap was enorm, woest, al honderden jaren onveranderd, alsof de ballon een tijdmachine was geworden die hen terugbracht naar de periode waarin het uiterste noorden van Engeland de thuisbasis was van nog minder mensen dan nu het geval is. Ze zagen geen wegen, geen spoorrails, geen steden of dorpen.

Met uitzondering van hun kleine groepje leek de wereld leeg.
Met uitzondering van hun kleine groepje leek de wereld leeg.

De mand was groot en rechthoekig, zoals gebruikelijk voor pleziervaarten, en verdeeld in vier compartimenten om ervoor te zorgen dat de passagiers niet konden rondlopen. De piloot had zijn eigen plek in het midden van de rechthoek. In een van de compartimenten stonden twee vrouwen van midden tot eind dertig. De ene droeg zwart, de andere groen, en hoewel ze niet genoeg op elkaar leken om een tweeling te kunnen zijn waren het toch duidelijk zussen. De vrouw in het zwart ademde een geluidje uit, te hoorbaar voor een zucht, te gelukkig om een kreun te zijn.

‘Niets te danken.’ De zus in het groen glimlachte.

De zussen deelden hun compartiment met een accountant uit Dunstable. Zijn vrouw en twee tienerkinderen stonden in het compartiment ernaast. Aan de andere kant van de piloot stonden drie mannen die een trektocht maakten, als een stoplicht gekleed in een rode, een oranje en een groene anorak, een stel van middelbare leeftijd uit Schotland en een gepensioneerde journalist.

De mand vervolgde zijn trage, serene tocht boven het meer. De constante beweging was een van de grootste verrassingen geweest, net als het gevoel van de lucht op grote hoogte. Die was op de een of andere manier scherper en frisser dan op de grond. Koel maar toch niet onplezierig, zoals soms op ochtenden na een vriesnacht. De lucht tintelde op de huid, stroomde bruisend de longen in.

De vrouw in het groen, Jessica, leunde dichter naar haar zus, die bleek was geworden en met haar handen de rand van de mand omklemde. Haar ogen, die recht naar beneden naar het water staarden, stonden wijd open van verwondering en Jessica werd plotseling ongerust door een zeer alarmerende gedachte. Dat haar zus misschien wel op het punt stond eruit te springen.

Waren ze op dat moment gesprongen, dan hadden ze allebei misschien nog geleefd.
Korte tijd later zou ze bedenken dat het misschien wel beter was geweest als ze allebei waren gesprongen, dat een paar verlammende seconden en een pijnlijke kennismaking met het wateroppervlak niet zo erg zouden zijn geweest. De koude, verstikkende zwartheid zou misschien wel hun einde hebben betekend, maar de kans was net zo groot dat die hen weer omhoog had geduwd en naar de oever had gevoerd. Waren ze op dat moment gesprongen, dan hadden ze allebei misschien nog geleefd.

‘Is het niet fantastisch?’ vroeg ze, want ze had lang geleden geleerd dat afleiding soms een roekeloze actie van haar zus kon voorkomen. ‘Geniet je ervan? Ik snap niet dat we dit nooit eerder hebben gedaan.’

Isabel glimlachte maar ze zei niets, want een antwoord zou zinloos zijn geweest. Ze was duidelijk volkomen in de ban van het hele gebeuren.

‘Het is schitterend, vind je niet? Kijk eens naar die kleuren.’

Nog steeds geen antwoord, maar Jessica zag tot haar voldoening dat haar zus haar hoofd ophief en haar blik richtte op de bomen die langs de waterkant stonden. Het waren net dames op een bal, zich verdringend om een plekje terwijl hun lange japonnen om hen heen golfden en elkaar overlapten tot het onmogelijk was te zeggen waar de ene eindigde en de andere begon. De heuvels achter de bomen, gloeiend als kostbaar metaal, gingen eindeloos door.

‘We zijn nu boven Harcourt Estate.’ Al sinds het vertrek was de piloot de enige geweest die luider dan op fluistertoon sprak. ‘Het oorspronkelijke huis stond op de helling recht voor ons, maar het is aan het eind van de negentiende eeuw afgebrand.’

‘Moeten we niet een beetje hoger?’ De gepensioneerde journalist met het dunner wordende haar en de dikker wordende taille keek fronsend naar de snel naderende bomen.

‘Maak je geen zorgen, mensen, ik heb dit eerder gedaan.’ De bijna twee meter lange Noord-Engelse piloot met het rode haar kietelde de lucht boven de brander met een korte uitbarsting van vuur en de mensen die het dichtst bij hem stonden konden de vlaag hete lucht op hun hoofd voelen. ‘Ik blijf op dit punt graag laag, omdat deze bossen tot de beste plekken in Northumberland horen om rode eekhoorns te zien. En ook, hoewel het al een beetje laat in het jaar is, visarenden.’

De zus in het zwart rilde.
Plotseling was er een heleboel camera-activiteit en geduw naar de kant van de mand die het dichtst bij het bos was. Geen van de twee zussen had een camera meegebracht, dus waren zij de eersten die de ingestorte bovenverdiepingen van het huis zagen, die boven de omringende bomen uitstaken als zwaargehavende tanden. De zus in het zwart rilde.

‘Het zestiende-eeuwse huis werd hier voor verdedigingsdoeleinden gebouwd,’ zei de piloot, terwijl de ballon een beetje steeg en over de boomtoppen scheerde. ‘In die tijd kon je bijna vijftig kilometer ver ongehinderd uitkijken over het land. Over vijftien minuten gaan we landen, mensen.’

‘Is dat er een? Boven in die grote boom met de gele bladeren? Grijsbruine veren.’ Een van de wandelaars wees naar de boomtoppen achter hen en de aandacht werd afgeleid van het huis.

‘Zou kunnen.’ De piloot hief zijn verrekijker op en stond nu met zijn rug naar de richting waarin ze voeren.

‘Daarbeneden is iemand.’

‘Waar? In het bos?’ Jessica volgde de blik van haar zus, maar haar eigen ogen waren nooit zo goed geweest. Isabels gehoor was ook beter en ze was altijd de eerste geweest die geuren rook, die vreemde smaken in eten opmerkte. Alsof zij het scherpere, duidelijker gedefinieerde afgietsel van de twee was.

‘Achter het huis.’

Jessica ging op haar tenen staan. Over de schouder van haar zus zag ze de grote gapende gaten in het dak, de ingestorte muren.

De piloot, afgeleid door zijn poging om een visarend te zien, had hen nog verder laten dalen.
‘Een meisje. Ze loopt heel hard.’

Laag genoeg om kleine kussentjes mos en gebroken dakleien te kunnen zien passeerde de ballon het huis. De piloot, afgeleid door zijn poging om een visarend te zien, had hen nog verder laten dalen.

‘Daar.’

Een rennend figuurtje – een jonge vrouw, slank en met donker haar, in blauwe kleren die oosters aandeden – had de muur aan het eind van de tuin bereikt.

‘Wat doet ze?’

Achter hen probeerden anderen de visarend te fotograferen en de journalist gaf advies hoe je het best wilde dieren kon vastleggen. Alleen de twee zussen keken naar het meisje op de grond. Jessica keek om. Ze wist niet of ze de anderen moest waarschuwen of niet. Ze stak haar hand in haar jaszak en pakte haar telefoon.

Beneden in de tuin kwam een man langzaam maar doelbewust aanlopen om een rij struiken heen. Van bovenaf konden de twee zussen alleen zijn bouw zien: kort maar stevig. Hij droeg een oversized leren jack en een donkere, slappe hoed. Een wit shirt. Zijn donkere haar krulde van onder de rand van de hoed.

Naast hem draafde een grote Duitse herder.

‘O!’ Jessica drukte zich nog dichter tegen haar zus aan. ‘Bella, blijf stil staan, laat me…’

Bij het zien van de man dook het meisje in elkaar, haar handen strak in elkaar geknepen boven haar hoofd.

‘Wat?’ zei Isabel.

‘Niet te geloven! Dat is hem.’

‘Wie? Jess, ken je die man?’

‘Sean!’ Jessica stak een hand naar achteren en tikte de piloot op zijn arm. ‘Dit moet je zien.’

‘Hij heeft een wapen.’
‘Wat is er?’ Hij draaide hun kant op, net als de accountant.

‘Hij heeft een wapen.’ De tienerzoon van de accountant had het tweetal op de grond ontdekt en wees naar wat een buks of jachtgeweer leek te zijn in de linkerhand van de man. In zijn rechter had hij een grote steen.

‘O god, inderdaad,’ zei de moeder van de tiener. ‘Wat moeten we doen?’

Ze praatten nog steeds op schrille fluistertoon.

Anderen in de mand hadden hun belangstelling voor de visarend verloren en er werden meer hoofden hun kant op gedraaid. Het meisje op de grond keek op, zag de ballon en begon te schreeuwen. De man, die hen nog niet had gezien of gehoord, tilde de steen hoog op.

Het meisje leek zichzelf in de grond te willen drukken. De man liet de steen neerkomen. Het meisje schreeuwde niet meer. De onderdrukte kreet, duidelijk hoorbaar in de ochtendlucht, kwam van iemand in de ballon. Het was het enige geluid dat ze maakten. Ze stonden als bevroren door de schok. De man op de grond draaide zich om en keek omhoog. Zijn hond deed hetzelfde. De hond begon te blaffen. De passagiers in de ballon zagen dat de man de steen liet vallen en een hand naar zijn hoofd bracht om zijn hoed vast te houden toen hij omhoog staarde.

‘O christus,’ zei Jessica.

De lucht om hen heen brulde toen Sean de gashendel opende en de vlam omhoogschoot, maar hij had hun tijdens de briefing verteld dat er een vertraging van minstens tien seconden zou volgen op elke actie van zijn kant. Het kon wel tien seconden duren voor de ballon daadwerkelijk steeg. Isabel, die zich vermoedelijk hetzelfde herinnerde, telde zacht. ‘Tien, negen…’

Jessica hief haar telefoon op, drukte op het camera-icoontje en nam een foto van de man. Hij zag het haar doen. Een seconde staarde hij recht in haar ogen.

‘Acht, zeven…’

Ze hield haar ogen gericht op de man onder hen, de top van haar hoofd gevaarlijk boven de rand.
De man op de grond pakte het geweer over in zijn rechterhand.

‘Bukken! Iedereen omlaag!’ Jessica duwde haar zus onder de rand van de mand en liet zich vallen, terwijl ze tegelijkertijd een ruk aan de arm van de accountant gaf. Ze kon niet helemaal wegduiken, er was gewoon niet genoeg plek voor hen allemaal om te knielen in de mand. Ze hield haar ogen gericht op de man onder hen, de top van haar hoofd gevaarlijk boven de rand.

Zijn hond rende opgewonden rondjes, blaffend naar dat vreemde ding in de lucht.

‘Zes, vijf…’ telde Isabel.

Jessica dacht dat ze misschien wel stegen, maar langzaam. Sommigen stonden nog rechtop. ‘Bukken,’ probeerde ze weer.

Opnieuw schoot er een vlam omhoog, net toen de man op de grond zijn geweer hief. Kreten van ontzetting barstten los in de stille ochtendlucht. Passagiers begonnen te schreeuwen, naar elkaar te roepen, naar de piloot. Terwijl de accountant zijn handen uitstak en zijn gezin onder de rand duwde, begon de mand te draaien, waardoor de twee zussen verder verwijderd raakten van het drama op de grond.

‘Vier, drie…’ Ze gingen beslist omhoog, sneller nu.

‘Hou je goed vast!’ Sean opende de gashendel een derde keer.

‘Twee, een.’ In haar hoofd telde Jessica nog een seconde, en nog een. Ja, ze stegen nu snel. De ballon gleed over de afscheidingsmuur van de tuin en won met elke seconde hoogte.

‘O, godzijdank! … Snel, breng ons omhoog… O mijn god! Hou allemaal je hoofd laag.’

De mand zwaaide terug en ze kon de tuin weer zien. Door een boog, waar ooit een stevige houten deur geweest moest zijn, was de man het open terrein achter het huis op gelopen. Jessica hief haar telefoon op en nam weer een foto van hem. Ze had hem perfect in het vizier deze keer. Maar hij haar ook, helaas.

‘Bukken! Bukken!’

Ze had geen idee wie dat schreeuwde, ze dacht dat het waarschijnlijk de piloot was, maar ze kon zich niet bewegen, kon niet helemaal onder de rand van de mand duiken. Ze bleef staren naar de man die het geweer vasthield, de kolf tegen zijn schouder gedrukt, terwijl hij steun zocht tegen de muur.

Het schot – zo luid, zo helder en zo heel, heel dichtbij – werd gevolgd door een paar seconden van geschokte stilte.
Hij richtte op haar. Dat wist ze zeker.

Het schot – zo luid, zo helder en zo heel, heel dichtbij – werd gevolgd door een paar seconden van geschokte stilte. Toen laag gemompel en een onderdrukte kreun. Het tienermeisje begon te snikken.

De ballon steeg nu heel snel, de afstand tot de grond werd steeds groter. De twee figuren, de ene opgerold als een gevelde slang, de andere die snel over de heuvel liep alsof hij bang was dat hij gepakt zou worden, waren al niet goed meer te zien. Vanuit haar ooghoeken zag Jessica een ander hoofd over de rand verschijnen. Ze hoorde beweging, gekrabbel tegen het riet van de mand. De andere passagiers stonden op. Haar zus duwde en ze leunde achteruit zodat ze kon opstaan.

‘Is dat echt gebeurd?’ ‘Ik kan niet geloven wat er is gebeurd!’ ‘Is iedereen oké?’ ‘Helen? Poppy? Nathan? Zeg iets.’

De man op de grond hief zijn geweer opnieuw en de mand schommelde toen de mensen wegdoken. Deze keer bleven de zussen staan waar ze stonden. Ze waren nu heel hoog, waarschijnlijk net zo hoog als aan het begin van de tocht, en een paar honderd meter bij hem vandaan. Ze moesten veilig zijn.

‘Hebben we bereik hierboven?’ De journalist zat nog onder de rand van de mand gedoken. ‘We moeten de politie bellen.’

Jessica had al op haar telefoon gekeken. Niets. Er was weinig tot geen bereik in het National Park van Northumberland. Het bleef een van de meest afgelegen, nauwelijks bewoonde, minst toegankelijke regio’s van het land.

Hoofden verschenen weer. De accountant, die zich eerder had voorgesteld als Harry, reikte naar zijn vrouw, die haar armen om haar beide kinderen had geslagen. Zichtbaar geschokte mensen keken neer op de heuvel, de ruïne van het huis, de patchworkdeken van bossen in herfstkleuren. Het meer schitterde nog steeds in het ochtendlicht als een weggegooid muntstuk. Het leek heel ver weg.

Jessica voelde de spanning afnemen toen de angst overging in opluchting.
‘Alles oké. Laten we allemaal rustig blijven. Nathan, gaat het goed met je? Het is voorbij. We zijn nu te ver weg. Ik kan hem zelfs niet meer zien. Mijn hemel, heb ik dat echt gezien?’

Jessica voelde de spanning afnemen toen de angst overging in opluchting. Ze keek weer op haar telefoon. Op de grond was een vrouw die niet weg had kunnen komen. Iemand met een ander netwerk had misschien meer geluk. Ze deed haar mond open om te vragen of ze allemaal op hun telefoon wilden kijken…

Het geschreeuw raakte de zijkant van haar hoofd als een mokerslag.

Als één man draaiden de passagiers zich om naar het geluid. Aan de andere kant van de mand stond een schooljuffrouw van middelbare leeftijd, Natalie. Ze bleef maar schreeuwen, haar handen stijf tegen haar gezicht geslagen. Haar man had haar schouders vastgegrepen en probeerde haar gezicht tegen zich aan te drukken.

De andere passagiers keken naar haar, volgden haar blik en zagen meteen dat er iets ontbrak. En dat die afwezigheid een ramp betekende.

Sean, de grote roodharige piloot, stond niet langer rechtop in zijn afgescheiden compartiment in het midden van de mand, een hand op de gashendel van de brander, in de andere zijn verrekijker. Degenen die het dichtst bij hem stonden strekten hun nek, alsof hij ook uit het zicht was gedoken. De tienerjongen werd achteruit getrokken door zijn vader. Een van de wandelaars draaide zich om, afschuw op zijn gezicht.

‘Wat?’ ‘Waar is hij?’ ‘Waar is hij gebleven?’

Jessica drukte zichzelf naar voren en ging op haar tenen staan om over de schouder van de accountant te kijken, toen hief ze haar telefoon weer op en begon foto’s te maken.

De binnenkant van het compartiment van de piloot zag eruit of iemand een pot rode verf zonder deksel in het rond had gezwaaid. Bloed en een gelatineachtig, grijzig slijm droop over de wanden. Onder in de mand lag een in elkaar gezakte wirwar van ledematen en romp.

Het hoofd van de piloot was compleet van zijn lichaam geschoten.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief