leesfragment

‘Op een dag’ van Gytha Lodge

Zes vrienden, één moordenaar. Wie kan je vertrouwen?

In de zomer van 1983 gaan zeven schoolvrienden kamperen in een bos.  De volgende ochtend worden er maar zes vrienden wakker – Aurora blijkt verdwenen.
Dertig jaar later worden er in het bos de resten van een lichaam gevonden. Inspecteur Jonah Sheens twijfelt er niet aan wat hem te wachten staat: Aurora is eindelijk terecht. Hoewel de vrienden altijd hebben beweerd onschuldig te zijn, worden de botten gevonden op een plek die alleen zij kennen. Sheens en zijn team duiken in het oude onderzoek, en komen al snel vreemde tegenstrijdigheden tegen. Het lijkt erop dat de moordenaar altijd dichterbij was dan iedereen dacht.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van Gytha Lodges spannende debuut Op een dag!

Proloog

Glibberend en glijdend liep ze het talud af, tot haar gympen tegen de vlakke grond aan de rand van het water stootten. Ze verloor bijna haar evenwicht, maar wist overeind te blijven.

‘Jessie!’

In reactie op het horen van haar naam voelde ze een stoot adrenaline door zich heen gaan en ze bleef even staan. Toen vervolgde ze aarde opschoppend haar weg. Het was haar broer maar, niet papa. Ergens verder- en hogerop. Haar broer zou haar niet naroepen omdat ze wegrende.

Het was stil. Veel stiller dan bij de campingbrander, waar papa constant bevelen uitdeelde. Haar oren vulden zich met bladergeritsel en kwinkelerend vogelgezang.

Ze liep onder de bomen vandaan, waar de brandende zon de bladeren op haar van het lopen al verhitte huid aftekende. Met een hand boven haar ogen tegen de felle schittering van het water bedacht ze dat ze haar zonnebril had moeten opzetten, en even overwoog ze om die te gaan halen, maar ze wilde niet het risico lopen gezien te worden. Niet als gezien worden inspectie van kleding en handen en knieën tot gevolg had, waarna ze zich moest wassen, de tafel moest dekken en opruimen.

Ze liep de schaduw weer in en keek verbluft om zich heen.
Ze liep de schaduw weer in en keek verbluft om zich heen. Tussen de takken door kijkend die een beuk boven haar uitspreidde zag ze, waar ze ook keek, stukjes blauwe lucht. De wortels van de beuk, die boven de grond uitkwamen, lagen erbij als platgetrapte croquetpoortjes. Toen haar voet er in eentje bleef haken, struikelde ze en haar hart sloeg over bij de gedachte dat ze in het water zou vallen, dat er in de schaduw van de bomen smerig en dreigend uitzag. Maar ze was nog net niet zo dichtbij dat ze erin kon vallen en ze hervond haar evenwicht.

Voor haar bevond zich een reep uitgegraven aarde in de vorm van een hangmat, die uitnodigde om lekker te gaan liggen.

‘Jessie!’

Super. Ditmaal was het haar vader en dichterbij. Hij gebruikte de stem die antwoord eiste. Maar voor haar lag koele aarde en een schuilplaats.

Ze strekte een voet uit in de holte, en toen de andere. Onmiddellijk voelde ze verkoeling, en ze ging zitten op de enigszins rulle aarde. In haar verbeelding was ze een dorpeling uit vroeger tijden die zich schuilhield in het bos terwijl de Vikingen haar huis plunderden.

Maar het was niet zo zacht als ze had verwacht. Uitstekende wortels drukten in haar zij en rug. Terwijl ze zich naar links en naar rechts bewoog om een comfortabele plek te vinden scheurde haar short en voelde ze iets in haar been prikken.

Ook zonder haar vader, die huisarts was, begreep ze al dat ze een menselijke vinger vasthield.
Ze bracht haar hand omlaag om de stof los te trekken en voelde toen de wortel in haar hand verbrokkelen. Toen ze die omhooghield, zag ze geen oud hout, maar bruine schilfers en de uitgebleekt witte vorm van een net aan de oppervlakte gekomen bot. Ook zonder haar vader, die huisarts was, begreep ze al dat ze een menselijke vinger vasthield.

1

Jonah was halverwege Blissford Hill toen hij zijn telefoon voelde zoemen in het ritsvakje op de rug van zijn wielershirt. Staande op zijn pedalen ploeterde hij omhoog. Hij overwoog het gezoem te negeren, maar zag toen een levendig beeld van zijn moeder in een ziekenhuis. Dat werd gevolgd door de enigszins misselijkmakende gedachte dat het Michelle kon zijn. Wat even irrationeel was als alle andere keren dat hij dat de afgelopen acht maanden had gedacht, maar de gedachte was er hoe dan ook.

Hij remde met op elkaar geklemde tanden en staakte zijn zwoegende klimpartij. Zijn been langs zijn racefiets zwaaiend schampte hij zijn scheen aan een van de pedalen en tegen de tijd dat hij met moeite zijn telefoon tevoorschijn had getrokken en het nummer van brigadier Lightman op het scherm zag oplichten, was hij in alle staten.

‘Ben?’ zei hij, waarna hij de telefoon weghield van zijn mond zodat zijn hijgende ademhaling niet te horen was.

‘Sorry, chef.’

Lightman klonk niet alsof hij het erg vond. Eigenlijk klonk hij nooit ergens naar. Michelle had het altijd leuk gevonden om hem Barbie te noemen. Buitengewoon aantrekkelijk en emotieloos. Maar een stuk slimmer dan Barbie, wist Jonah.

‘Een telefoontje van hoofdcommissaris Wilkinson. Hij wil dat u uw vrije dagen opschort om een mogelijke moord te onderzoeken.’
‘Een telefoontje van hoofdcommissaris Wilkinson. Hij wil dat u uw vrije dagen opschort om een mogelijke moord te onderzoeken.’

Jonah zweeg en liet de brigadier wachten. Hij keek omhoog naar de door bomen beschaduwde top van de heuvel. Het was een uitputtend ritje, maar dat was wat hij wilde. Zijn benen wilden niets liever. Terwijl hij met zijn vrije hand in het stuur van zijn racefiets kneep, voelde hij het zweet in zijn handpalm. Hij had dit de laatste tijd veel te weinig gedaan.

‘Chef?’

‘Waar?’ vroeg hij, zonder moeite te doen om zijn ergernis te verbergen.

‘Brinken Wood.’

Opnieuw stilte, maar ditmaal niet opzettelijk. Het was alsof zijn hart stilstond.

‘Recent stoffelijk overschot?’ vroeg hij ten slotte, al meende hij het antwoord te weten.

‘Nee, de hoofdcommissaris zegt van niet,’ zei de brigadier, die te jong was om op de hoogte te zijn.

Zijn fietsdag was voorbij. Maar plotseling voelde Jonah zich er hoe dan ook te oud voor. Hij kon zich niet herinneren zich ooit eerder oud gevoeld te hebben.

‘Stuur een wagen naar Godshill om me op te pikken. Achter mijn bureau ligt mijn tas met werkkleding. Geef die mee. En vraag of iemand me een deodorant kan lenen.’

‘Ja, chef,’ antwoordde Lightman, die even neutraal klonk als altijd.

Jonah borg zijn telefoon weer op in het vakje van zijn wielershirt. Het zweet begon al af te koelen en hij kreeg het koud. Eigenlijk zou hij die laatste paar kilometers naar Godshill moeten fietsen. Maar hij bleef nog een volle minuut roerloos staan, zwaaide toen zijn been over de Cannondale en liep langzaam met zijn fiets aan de hand verder de heuvel op.

 

Een mogelijke moord kon betekenen dat er in het weekend werd doorgewerkt.
Hanson stapte zo gehaast uit de auto dat ze met de mouw van haar nieuwe, dure pak aan het portier bleef haken en tot haar ontzetting een draad lostrok. Om te beginnen had ze zich deze outfit eigenlijk niet kunnen veroorloven. Tijdens haar eerste week als rechercheur had ze er nog drie gekocht, terwijl ze vóór die tijd alleen maar spijkerbroeken, t-shirts en truien had, plus een paar jurken om in uit te gaan. Pakken waren afschuwelijk duur en ze had het geld liever aan haar onberekenbare auto uitgegeven. Of misschien aan een echt sociaal leven: in de loop der jaren leek ze vergeten te zijn dat zoiets bestond.

Terwijl ze het bureau binnenstapte probeerde ze de haal aan haar mouw glad te strijken. Ze vroeg zich af of haar moeder er iets aan zou kunnen doen, of het haar zou lukken op korte termijn haar moeder een bezoek te brengen. Een mogelijke moord kon betekenen dat er in het weekend werd doorgewerkt. Met lange avonden en leven op cafeïne terwijl ze op de moordenaar joegen. Bij de gedachte glimlachte ze.

Ze liep de rechercheafdeling binnen en zag Lightmans hoofd gebogen over zijn scherm. Hoelang zat hij daar al, vroeg ze zich af, en deed hij nog iets anders in zijn leven? Waren er een mevrouw en kinderen Lightman die nog niet ter sprake waren gekomen? Op de een of andere manier had hij iets van een overspelige echtgenoot. Te knap en te gereserveerd. Tenzij het meer haar eigen recente ervaring was die haar kijk op de wereld vervormde.

Lightman zag haar en glimlachte even. ‘Ik heb de chef te pakken gekregen. Hij moet opgepikt en naar de plaats delict gebracht worden.’

‘Komt in orde,’ antwoordde Hanson meteen. ‘Waar is-ie?’

‘In Godshill,’ zei Lightman. ‘Aan het fietsen.’

Hanson knikte. Ze deed of ze hier de weg wist en haar navigatie niet hoefde te gebruiken. Na twee weken in deze functie kende ze voornamelijk de route van huis naar het bureau en de supermarkt en vandaar naar het havengebied, waar ze onderzoek naar mogelijke fraude hadden gedaan. Ze miste de zekerheid waarmee ze door Birmingham scheurde, waar ze was opgegroeid en twee jaar als wijkagent had gewerkt. Maar ze moest toegeven dat New Forest een stuk mooier was.

‘Hier heeft-ie om gevraagd,’ zei Lightman, terwijl hij een donkergrijze tas van de vloer optilde. ‘En al dringt de tijd, ik zou koffie voor hem meenemen. Hij zal niet blij zijn dat hij zijn vrije dag moet afbreken.’

‘Oké. Een… gewone filterkoffie? Niet een latte of zoiets?’

Lightman lachte. ‘God, nee. Heeft-ie jou nog niet op een van z’n tirades over het koffieassortiment getrakteerd?’

‘Goed. Anders nog iets? Weet je al waar het om gaat?’
‘Nee, die eer heb ik nog niet gehad.’ Ze hing de tas over haar schouder. ‘Goed. Anders nog iets? Weet je al waar het om gaat?’

Lightman schudde zijn hoofd. ‘De brigadier van daar zal ter plekke de overdracht doen. Jullie krijgen allebei een verslag, maar als het niet recent is, zal het voorlopig niet veel zijn.’

Hanson knikte en probeerde niet te glimlachen. Je hoorde natuurlijk niet te glimlachen bij het vernemen van een moord, ook al was die van tijden terug. Maar het was een feit dat ze opgetogen was.

 

Hanson was opgewonden alsof het de dag van haar examenuitslag was. Ze kletste tegen Jonah over de tas met werkkleding en de koffie, en vervolgens, zonder overgang, over het stoffelijk overschot. Jonah vond het ergens tussen lief en irritant.

‘Volgens Ben is het misschien niet recent,’ zei ze.

‘Ik wacht liever op wat het forensisch onderzoek zegt,’ zei hij, waarna hij een grote slok koffie nam. ‘De meeste mensen – ik incluis – hebben geen flauw idee hoe je de leeftijd van botten kunt vaststellen.’

Zijn gedachten gingen dertig jaar terug. Omdat hij eerst had gezweet en daarna was afgekoeld had hij het zelfs nog koud in zijn pak, dat hij op de openbare wc in Godshill had aangetrokken. Hij moest haar onderbreken en vragen de verwarming aan te zetten. De Fiat slingerde toen ze de knop omdraaide en reed toen weer recht.

‘Sorry,’ zei ze.

‘Ik ben blij dat jij rijdt,’ zei hij, met een glimlachje. ‘De koffie was trouwens een goed idee. Dankzij jou ben ik tenminste een paar uur niet in een slecht humeur.’

‘Hm. Een paar uur. Dus ik moet voor die tijd of op zoek naar een Starbucks of maken dat ik wegkom?’

‘Zoiets,’ beaamde Jonah.

Hij was niet in staat niet terug te denken aan de plek zoals die destijds was.
Ineens waren ze bij Brinken Wood. Op het bekiezelde parkeerterrein stonden een stel patrouillewagens en politieagenten. Hij was niet in staat niet terug te denken aan de plek zoals die destijds was. Het parkeerterrein was toen alleen maar schors en modder, maar het was net zo vol met politiemensen. Het waren andere kapsels, maar de gezichten waren op de een of andere manier hetzelfde.

Toen ze eenmaal stilstonden, hees Jonah zich uit de wagen en nam de beker koffie mee. Hij had het gevoel dat de klok was teruggezet. Al die maanden dat ze hiervandaan hun eindeloze zoektochten waren begonnen.

Hij liep op de brigadier af. ‘Inspecteur Sheens. Dit is agent Hanson.’

Twee weken terug had Hanson nog dezelfde rang als de brigadier. Maar om rechercheur te worden, moest je genoegen nemen met een verlaging in rang en een agent-rechercheur worden. Jonah wist nog dat hij, toen hij in dat stadium zat, niet zeker was wie belangrijker was en vroeg zich af of Hanson hetzelfde ervoer.

Er parelde zweet langs de haargrens van de brigadier. Zijn ogen stonden wijd open en zijn glimlach was kort en geagiteerd. Zijn hoofdagent, een gedrongen man van ergens in de twintig, leek kalmer.

De vragen die Jonah stelde belandden ergens tussen hen in. ‘Wie heeft het stoffelijk overschot gevonden?’ De brigadier antwoordde: ‘Een huisarts die met zijn gezin aan het kamperen is. Nou ja, zijn dochter, maar hij heeft het aangegeven.’

‘Hoe oud is de dochter?’

‘Negen,’ zei de hoofdagent. ‘Maar ze houdt zich goed, zo te zien. Het is de vader die moeilijk doet.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief