nieuws

Oxen – Gladiator van Jens Henrik Jensen

0

Vandaag ligt ‘Gladiator‘ in de winkels, een nieuw boek in de Oxen-reeks! Kan je niet wachten? Lees dan alvast de eerste pagina’s!

1

Zijn kleine wereld was rond en net zo verschrikkelijk als de grote.
Het uitzicht was scherp gedefinieerd en tegelijkertijd grenzeloos.
Hij kon een punt in de verte uitkiezen en inzoomen.
Voorwerpen en levende wezens naar zich toe halen of van zich afstoten.
Ze over de rand duwen en laten verdwijnen.
Dat gebeurde altijd in een circulaire dwarsdoorsnede van het nu, eentje die gevormd en schaalbaar gemaakt werd door de fantastische objectieflenzen in de verrekijker van Schmidt  & Bender uit Wetzlar, het hart van de Duitse optische industrie, waar ook beroemde namen zoals Leica en Zeiss werden geproduceerd.
Hij had echter altijd gezworen bij s&b. Het voelde alsof hij zich zijn halve leven al in deze bijzondere dimensie van de werkelijkheid bevond.
Hier regeerde hij met het absolute mandaat waarvan de 601  millimeter lange geweerloop van zijn Finse Tikka T3 ctr hem voorzag. Hij heerste over leven en dood.
Altijd met een wakend rechteroog en het linker op stand-by.
Hij verplaatste zijn camouflagenet een stukje en volgde de vier mannen weer, die liepen en liepen, maar niet in staat waren zich los te maken van het dradenkruis dat een aangeboren laag in zijn iris leek.
Op dit moment liepen de donkere silhouetten in een rij over het laatste stuk enigszins besneeuwde, licht bevroren grond voordat het bos begon.
De afstand was ongeveer driehonderd meter.
De voorste man was het langst.
Hij was energiek en had een duidelijke veerkracht in zijn bewegingen.
Daarna volgde een kleine dikke man. De derde was een gedrongen man met brede schouders, en de achterhoede werd gevormd door een magere man met een zwarte pet op.

De dikke man zei – of eerder riep – iets, zo te zien tegen de aanvoerder, en wreef tegelijkertijd met een brede glimlach over zijn buik.
De beslissing was lang geleden genomen. Voordat de dag voorbij was, zouden de vier mannen niet meer in leven zijn.

2

Terwijl hij tijdens zijn voorwaartse verplaatsing, de enige richting die er was, van de stilte genoot, en van de geluiden van de kleine groep op de bevroren grond, hoorde hij iemand achter zich roepen. ‘Oxen, gaan we nog iets eten, man? Ik zou een hele… os op kunnen.’
De uitroep werd met gelach ontvangen.
Hij glimlachte maar antwoordde met een ernstige gezichtsuitdrukking.
‘Rustig, Skram. Dat gaat niet voordat we onze schuilplaats bereikt hebben. Ik reken erop dat jij een paar vallen plaatst en iets te eten voor ons regelt, zoals een haas of misschien een eekhoorn.’
‘Een eekhoorn? Ben je gek geworden, chef? Ik heb rosbief met remouladesaus en gebakken uien als proviand, om nog maar te zwijgen over de twee ribstukken met rodekool,’ lachte de dikke man.


De kleine groep kon op het eerste gezicht een militaire eenheid op een missie zijn, maar het waren burgers, en hun tocht had uitsluitend een sociaal karakter.
Hij had de welgemeende raad gekregen dat de leden van de groep elkaar met hun voornaam moesten aanspreken om het civiele en gelijkwaardige karakter van het project te benadrukken.
Dat advies had hij genegeerd.
Deze mannen waren op een plek geweest waar alleen hun achternaam werd gebruikt, en zelf wilde hij er in geen geval aan wennen om mensen die hij niet kende bij hun voornaam te noemen.

Gemakshalve – of was het instinctief? – gebruikte hij hun functie als benaming wanneer hij nadacht over hun gedragspatronen of hen in het geheim observeerde.
Hij was het meest vertrouwd met een kleine eenheid zoals deze.
Ze vormden een commandopatrouille, en hij was de patrouilleleider.
Daarnaast bestond de eenheid zoals gewoonlijk uit een verkenner, een radioman en een hospik die een medicijnkoffer bij zich had.
Ondanks zijn aversie tegen het gebruik van voornamen, wist hij dat de hongerige Skram met de remouladesaus Peter heette.
Hij had het verhaal gehoord waarom Peter, die de t overdreven zacht uitsprak zodat hij als een d klonk, al heel lang Peder werd genoemd, wat blijkbaar te maken had met zijn bijzondere onhandigheid met schietwapens.
Door de verwisseling van medeklinkers had hij namelijk dezelfde naam als het Deense fregat dat in 1982 wereldwijd op de voorpagina’s verscheen toen het per ongeluk een Harpoon-raket afvuurde en in Lumsås, op het schiereiland Sjællands Odde, een hele wijk vol vakantiehuizen met de grond gelijkmaakte zonder dat het mensenlevens kostte omdat het buiten het vakantieseizoen gebeurde.

Het fregat Peder Skram voer daarmee rechtstreeks de Deense taal in en verrijkte die met de term Hovsa-missil, wat een komische standaardaanduiding voor een onopzettelijke actie werd.
Er waren geen bijdehante opmerkingen over de gezette lekkerbek Peter/Peder Skram te bedenken die nog niet waren uitgesproken. Daarom stelde hij zich tevreden met een kort antwoord: ‘Oké, maar de voedselpakketten zijn alleen voldoende voor de lunch.
Skram, hierbij krijg jij de opdracht om voor het avondeten te zorgen.’
Achter zijn rug werd gelachen.
‘Oxen, hoe ver is het nog tot de dichtstbijzijnde supermarkt? Ik voel me niet prettig bij het idee dat Skram onze chef-kok is,’ zei de explosievenexpert, die achteraan liep.
‘Supermarkt? Er zijn hier in de wijde omtrek geen winkels te bekennen. De natuur is onze hofleverancier. Als het Skram niet lukt, moeten we op boomschors kauwen,’ antwoordde hij.


De explosievenexpert snoof: ‘Op boomschors kauwen? Er is blijkbaar een steekje aan je los. Wie is ervoor om Oxen af te zetten als mentor en patrouilleleider en razendsnel op zoek te gaan naar het dichtstbijzijnde restaurant?’ Mentor? Hij dacht na over het woord, dat heel verkeerd klonk. Hm… mentor.
Een mentor.
Hij was in het nauw gedreven en had er uiteindelijk mee ingestemd deel te nemen aan het zogenaamde mentorprogramma voor oorlogsveteranen.
Mensen die een helpende hand konden gebruiken.
Mensen die om de een of andere reden moeite hadden met het heroveren van een plek in de geordende samenleving, waar identiteit nauw samenhing met het werk dat geen van hen had… Mensen zoals hijzelf.
Met het verschil dat hij lid was geweest van het elitekorps met de bordeauxrode baretten en de bijna onbereikbare epaulet op de schouder waarop commando stond.
De mannen die in een rij achter hem liepen, zijn mentees, hadden allemaal normale banen in het leger gehad.
Nu waren de meesten van hen overbodig.
Hij had hun respect onmiddellijk gevoeld.
Tijdens hun kennismaking in de Svanemøllens Kazerne had hij zich voorgesteld met zijn naam, leeftijd en commandonummer, en verder niets.
De rest was overbodig.
Ze waren op de hoogte van zijn verleden en een paar van zijn missies.
Ze kenden de achtergrond van zijn strepen en medailles, en ze konden gedetailleerd vertellen over de gebeurtenissen die ertoe hadden geleid dat hij als enige in het koninkrijk het Kruis voor Dapperheid had gekregen.
Ze wisten uit de media natuurlijk ook wat hij de afgelopen jaren had meegemaakt en dat er op een bepaald moment door alles en iedereen jacht op hem was gemaakt – ook door de Deense politie – omdat hij werd verdacht van een moord die hij niet had gepleegd.
Als hij ‘grond’ zei, zouden ze zich onmiddellijk op hun buik laten vallen. Als hij ‘woef ’ zei, zouden ze gaan blaffen.
‘Schors? Klopt dat? Wat voor schors, Oxen?’


De explosievenexpert klonk toch wat nieuwsgierig nu het idee was bezonken.
‘De schors van berkenbomen bijvoorbeeld. Die kan gebruikt worden voor berkenspaghetti, of noedelsoep, als je dat liever hebt. Maar alleen het zachte binnenste deel. De buitenkant zit vol looizuur, en dat kan je maag ruïneren. De schors wordt in dunne repen gesneden en vijftien tot twintig minuten gekookt. Het grootste deel van de voedingswaarde komt in het water terecht, dus dat moet je eveneens opdrinken. In het voorjaar, net voordat de berk uitkomt, bevat de schors de meeste koolhydraten. Ongeveer vijf procent van de hoeveelheid die je naar binnen krijgt zijn koolhydraten. In de winter is dat iets minder. Je kunt jezelf voeden met wat de natuur te bieden heeft als je in de problemen zit…’
‘Heb jij dat weleens geproefd, Oxen?’ vroeg de explosievenexpert verder.
‘Ja.’
‘Hoe smaakt het?’
‘Smerig.’
‘Skram, ik wil mijn portie al dente hebben, anders zwaait er wat,’
bromde de hospik, die de oudste van de groep was.
‘Hoe zit het met ketchup? Vooral als het eekhoorn wordt…’ voegde de verkenner er lachend aan toe.

Hij zei zelden iets, en het was moeilijk om een glimlach aan hem te ontlokken.
De verkenner had de afgelopen jaren ook niet veel te lachen gehad.
Hij was in Afghanistan geweest en had gezien hoe zijn beste vriend uiteengereten werd door een bom die was verstopt op een rotsachtig pad.
Daarna was hij ingestort. Volledig.


‘Hoe ver is het nog?’ riep de hospik.
Bermbommen en andere in elkaar geknutselde dodelijke rotzooi, ied’s oftewel improved explosive devises, hadden aan veel soldaten het leven gekost.
Het was in principe zijn taak om alle mannen weer op de been te krijgen en ze bij voorkeur klaar te stomen voor de eerste voorzichtige stappen op de arbeidsmarkt.
Hij moest een rolmodel zijn, hen inspireren en vertellen over zijn ervaringen en competenties.
Dat was niet hoe hij zichzelf zag.
Hij kon zich niet herinneren zich op enig moment in zijn leven verbeeld te hebben dat hij anderen iets te bieden had, en al helemaal niet na de scheiding en zijn ontsporing.
Nee, het voorstel was van Leif Husum gekomen, het hoofd van het Veteranencentrum in Kopenhagen.
Husum was tijdens de missie naar de Balkan een goede collega geweest, was opgeklommen tot kolonel en was nu, na een paar jaar bij de Centrale Administratie in de Ringsted Kazerne, hoofd van de Svanemøllens Kazerne in Kopenhagen.
Over een paar jaar zou hij met pensioen gaan.
Husum had zijn pijp opgestoken in zijn kantoor in de Svanemøllens Kazerne en had een kop koffie voor hem ingeschonken, waarna hij hem met een doordringende blik had aangekeken en op zijn rustige manier het idee, deze uitdaging, aan hem had voorgelegd.
Mentor? Rolmodel?

 
‘Nee, dank je,’ had hij meteen geantwoord.
‘Waarom niet?’
‘Hoe moet ik anderen vertellen wat ze moeten doen als ik…’
In de korte stilte die viel omdat hij wilde nadenken over de juiste woorden, had de kolonel zijn zin afgemaakt: ‘… dat zelf niet weet?’
‘Precies.’
‘Juist daarom, Oxen, juist daarom.’


Het hoofd van het Veteranencentrum had zijn kleine filosofische zaadje te midden van een heerlijk ruikende tabakswolk gezaaid. Daarna hadden ze gepraat over de goede oude tijd, die veel beter was geworden nu hij achter de rug was.
Gedurende de dagen na hun gezellige gesprek in de Svanemøllens Kazerne bleef hij bij zijn standpunt.
Hij weigerde de superheld met medailles te zijn die het verkeer tegenhield zodat de kleine eendjes veilig de weg konden oversteken.
Hij was daar volkomen ongeschikt voor en bleef onverzettelijk… Tot zijn volgende ontmoeting met Leyla.

Leyla bezat de merkwaardige eigenschap dat ze hem van mening kon doen veranderen met slechts verstandige woorden vol vertrouwen.
Net zoals een smalle hefboom een zwaar voorwerp kon verplaatsen. Leyla Damjanović was psycholoog en was verbonden aan de acht plaatselijke centra van het Veteranencentrum, die zich in kazernes over het hele land bevonden.
Bij haar was hij begonnen aan ‘langdurige therapie’ die geen einddatum had.
Bovendien was Leyla Damjanović een Bosnische.
Ze was als tiener samen met haar familie te midden van de stroom islamitische vluchtelingen uit de Balkan naar Denemarken gekomen. Leyla was…


‘Hallo Oxen, heb je de stekker eruit getrokken?’ riep de explosievenexpert achter hem.
Hij draaide zich om.
‘Wat bedoel je?’
‘Ik wil antwoord op mijn vraag. Hoe lang duurt het nog?’
Zijn gedachten en concentratie waren op een heel andere plek geweest. Had hij een vraag gehoord?
‘Ik hoop dat we allemaal nog heel wat tijd voor de boeg hebben… maar als je het kamp bedoelt, is het antwoord: iets minder dan een uur.’
Ze liepen verder over de bevroren grond, die vanwege de wind bijna vrij van sneeuw was, en het gras knerpte onder hun stevige laarzen. Zelfs op dit moment twijfelde hij eraan of hij de juiste man voor zijn taak was. Hij wist alleen dat hij er alles aan zou doen om deze mannen een duwtje in de juiste richting te geven. Dat had hij zichzelf beloofd. En Leyla.

Ze zagen de bosrand voor zich, waar in de schaduw nog steeds hopen sneeuw lagen.
Aan de andere kant van het bos zou het landschap zich weer openen.
De lucht die ze inademden was koud. Hij dacht dat hij haar geur als een zwakke vlaag in zijn neusgaten kon ruiken.
Leyla droeg altijd hetzelfde parfum, zwaar en gekruid, en toch licht en vluchtig.
Zowel dichtbij als ver weg. Als het niet…
‘Gaan we het bos in, chef?’ vroeg Skram, de radioman.
‘Ja, in een rechte lijn,’ antwoordde hij. ‘Aan de andere kant is een dal. Daar is het bivak.’

3

De kunstmatige pauze was de opmaat naar het effectvolle einde dat de ruim zeshonderd genodigden in de Europahal van het Aalborg Congres & Cultuurcentrum voelden naderen.
Minister van Sociale Zaken Lis Laugesen was scherp.
Ze was goed van de tongriem gesneden en had geen moment geaarzeld.
Ze was nog maar zeven maanden minister, maar had al veel respect geoogst met het inzicht en de professionaliteit die ze als voormalig hoofd Sociale Zaken van de gemeente Odense meebracht naar het ministerie, waar men zoiets eigenlijk niet gewend was.
Hetzelfde gold waarschijnlijk voor de overige ministeries van het land, waar een politiek gekozen chef met werkervaring zo ongeveer even zeldzaam was als nevel voor de zon in de Atacamawoestijn.
Het congres voor de toplaag van besluitvormers op sociaal gebied in de achtennegentig gemeenten van het land was het idee van de minister.
De deelnemers moesten de boodschap mee naar huis nemen en de koers van de regering volgen, die neerkwam op een omvangrijke sociale hervorming. De minister van Sociale Zaken keek over de rand van haar bril naar de grote hoeveelheid aanwezigen. Ze had voldoende zelfvertrouwen om een kunstmatige pauze in te lassen. Daarna sloeg ze de laatste pagina van haar voordracht om.

‘Hiermee komt er een eind aan een lange interessante dag. Neem de inspiratie mee naar huis, deel die met anderen en zorg voor een voedingsbodem. Mensen rekenen op ons. Bedankt…’

Het applaus was één lange golf die pas na geruime tijd de kust bereikte en wegstierf.
De presentatrice, die de dag en de verschillende bijdragen op het podium aan elkaar had gepraat, was een bekend gezicht van tv2 dat voor de gelegenheid was ingehuurd.
Lis Laugesen was woedend geworden en had met haar vuist op tafel geslagen toen ze het honorarium had gehoord, maar dat was mosterd na de maaltijd geweest.

‘En nu…’ zei de televisiepersoonlijkheid.
Ze zwaaide schalks met een witte envelop naar het bronzen beeld dat in het scherpe licht van een spotlight stond.
‘… gaan we over naar het laatste punt van vanmiddag… De uitreiking van de nieuwe prijs van het ministerie van Sociale Zaken, de Danish Social Work of the Year.’

De prijs, waarvoor veel aandacht in de media was geweest, had zoals gebruikelijk een mooie Engelse titel gekregen.
‘De genomineerden zijn…’ De televisiepersoonlijkheid stopte midden in de zin, alsof het om de beoordeling van een taartbodem ging in een of ander bakprogramma.
‘…  het daklozenproject Hjemløse Hjerter van de gemeente Kopenhagen, het nieuwe Opvangcentrum voor Mishandelde Vrouwen van de gemeente Aarhus en… het autonoom sociaal instituut Shelter Fonds.’


Met de prijs was ook de rijksoverheid over de drempel van het weergaloze awarduniversum gestapt, waar iedereen elkaar huldigde (en het liefst zichzelf), waar de volgende prijs onvermijdelijk The Award for the Best Award of the Year zou worden en waar binnenkort een shortlist voor vier bolletjes en een koffiebroodje bij de bakker zou komen om op zondagochtend niet met lege handen naar huis te gaan.


‘En… de winnaar is…’ De televisiepresentatrice hield de envelop omhoog, verbrak de verzegeling en haalde er een goudkleurige kaart uit. ‘… de winnaar is… het Shelter Fonds. Mag ik Martin Smed op het podium hebben?’ riep de presentatrice boven het stormachtige applaus uit.


Het was niet Al Pacino die opstond en naar alle kanten zwaaide, maar hij was net zo goed gekleed.
Zijn kostuum was donkerblauw, en de stropdas hemelsblauw.
Martin Smed glimlachte en knikte een paar keer.
De speciaal hiervoor uitgenodigde journalisten op de achterste rij sperden hun ogen open.
Een winnaar die níét uit de eigen gelederen kwam was een heel goed verhaal.
Een winnaar met juist deze achtergrond was een nog beter verhaal.
De zesenvijftigjarige Martin Smed, manager en oprichter van het Shelter Fonds, straalde vriendelijkheid en waardigheid uit terwijl hij onder donderend applaus langs de flitsende persfotografen naar voren liep en kalm het podium betrad.
Hij voldeed helemaal aan de verwachtingen en voorstellingen die de zaal had gehad van een man met zijn kwalificaties, die in dit verband ongebruikelijk waren.
Martin Smed was een bevoegd psychotherapeut en coach in meerdere disciplines.
Opzienbarender was echter dat hij een voormalig elitesoldaat was, een lid van de mythische speciale eenheid in het Deense leger, het Korps Commandotroepen.
Vanaf de oprichting in 1961 waren er maar zo’n vierhonderd mannen opgeleid en daarmee goedgekeurd als absoluut geschikt voor het doel, zowel fysiek als psychisch.
Ze waren allemaal zorgvuldig geselecteerd, op een goudschaaltje gewogen en geschikt bevonden om handelend op te treden onder de hoogst mogelijke druk waaraan een mens kon worden blootgesteld.
Velen koesterden de droom om op een dag de beroemde bordeauxrode baret van de commando’s op hun hoofd te kunnen zetten.
De meesten redden het niet.

De minister van Sociale Zaken verscheen met een overdadige bos bloemen en een bovenmaatse cheque van honderdduizend kronen voor het rode podiumgordijn.
Ze omhelsde de winnaar met volle handen.
Er werden opnieuw foto’s gemaakt terwijl de bloemen, de cheque en uiteindelijk het beeldje van eigenaar wisselden. Het applaus stierf weg toen de minister bij de microfoon ging staan.

‘Ik vind het een grote eer om het Shelter Fonds en Martin Smed te feliciteren met de prijs, en het is me een genoegen om de motivatie van de jury met jullie te delen. Die luidt als volgt: de juryleden hebben unaniem voor het Shelter Fonds gekozen vanwege alle professionele en energieke inspanningen voor de zwaksten in onze samenleving, en in het bijzonder voor een groep burgers met wie Denemarken de afgelopen jaren moeizaam is omgegaan omdat wij in tegenstelling tot bijvoorbeeld de vs geen lange traditie op dat gebied hebben… namelijk de oorlogsveteranen… degenen wier lichaam en ziel zijn getekend door de Deense deelname aan een serie internationale missies die in het begin van de jaren negentig begonnen is tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Het Shelter Fonds kan prachtige en ongekende resultaten tonen in hun werk met oorlogsveteranen die zijn getroffen door een posttraumatische stressstoornis of andere ernstige gevolgen van hun inzet.
De jury hoopt dat de toekenning van de nieuwe prijs van het ministerie van Sociale Zaken, de Danish Social Work of the Year Award, zal dienen als een aanmoediging en als inspiratie tijdens het verdere werk van het Shelter Fonds.’

De minister laste een pauze in, glimlachte breed en ging verder.

‘En ik wil daar graag voor eigen rekening aan toevoegen dat ikzelf dat ook vurig hoop. De prijs is zó verdiend. Applaus voor het Shelter Fonds en Martin Smed!’
Nadat het applaus was weggestorven en de bestuursvoorzitter en oprichter van het Shelter Fonds de cheque en de bloemen had afgegeven, liep Smed naar de microfoon en toonde het beeldje aan de zaal.
‘Wat is het mooi… Een hart tussen twee handen… Heel erg bedankt. Ik wil dit beeldje opdragen aan al onze medewerkers, die zich het hele jaar door elke dag weer zo fantastisch inzetten. Bedankt…’
De voormalig commando hield het beeldje tegen zijn hart en knikte naar het publiek. Hij leek even naar woorden te zoeken.
‘Op dit podium doe ik jullie vandaag een eenvoudige belofte.
We gaan door met ons werk voor de zwaksten van de samenleving.
En we zullen ons uiterste best doen.
Elke dag, elk uur, elke minuut.
Want er zijn helaas velen die niet voldoende middelen hebben, die niet bij machte zijn om met het dagelijks leven om te gaan, die niet bij machte zijn op te staan en een nieuwe dag tegemoet te treden. Daar zijn de oorlogsveteranen maar een klein onderdeel van. Ze hebben veel gegeven… en hebben daar heel weinig voor teruggekregen.’


Martin Smed fronste zijn voorhoofd, alsof er iets was waarover hij moest nadenken. Daarna ging hij verder:


‘Tot slot het volgende… Het Shelter Fonds is, zoals jullie misschien al weten, betrokken bij een serie projecten in het buitenland. Het doet me plezier om bekend te kunnen maken dat we tijdens de volgende bestuursvergadering van het fonds de naam zullen veranderen in The Shelter Foundation, een naam die in het dagelijks leven iets beter past bij onze werkzaamheden over de landsgrenzen. Omdat we een non-profitzorgorganisatie zijn, hebben we godzijdank geen eigenaren of aandeelhouders die een bepaalde winstmarge willen… We hebben maar één missie: het beschermen van levens die zich misschien enigszins anders ontwikkeld hebben dan dat van mij of van jullie, maar die nog steeds vol mogelijkheden zijn. Heel erg bedankt…’


De oprichter van het Shelter Fonds boog diep en stapte, het beeldje hoog boven zijn hoofd houdend, onder donderend applaus het podium af, waarna hij naast zijn secretaresse op de eerste rij ging zitten en haar het kunstwerk liet vasthouden en bewonderen.

4

Het dradenkruis van zijn telescoopvizier bleef op de rug van de man gericht, net zo lang tot de groep de bosrand aan het eind van het veld bereikte.
 De lange sportieve man die de hele tijd vooraan had gelopen bleef staan en vertelde zijn mensen met behulp van gebaren blijkbaar iets over de richting die ze zouden nemen.
 Het was alsof hij zich ervan wilde verzekeren dat de anderen een voor een heelhuids door een strook bramenstruiken kwamen, waarna ze tussen het donkere kreupelhout verdwenen.
 Voordat de leider zijn mannen volgde, draaide hij zich om en bestudeerde het terrein alsof hij zich ervan wilde verzekeren dat ze niet werden gevolgd.
Daarna verdween de groepsleider eveneens in de duisternis.
 Nadat hij de volledige bosrand had afgezocht, zowel heen als terug, kwam hij overeind en begon hij snel in te pakken.
Hij rolde de mat van isolerend schuimplastic waarop hij had gelegen stevig op en bond hem vast op zijn rugzak, samen met het kleine geweerstatief – de tripod – en het camouflagenet.
Hoewel het langzamerhand heel wat jaren geleden was dat hij als sluipschutter op de loonlijst van het leger had gestaan, miste hij instinctief zijn tweede ik: zijn waarnemer – of in de dagelijkse taal op alle plekken ter wereld waar het leger werd ingezet – zijn spotter.
Het ging simpelweg om iemand naast hem die deskundig genoeg was om de risico’s en mogelijkheden mee te bespreken.
De spotter was de meest ervaren sluipschutter van het team.
De spotter was de meester, de sluipschutter was de leerling.
Hij was zelf ontelbare malen de spotter geweest.
Deze opdracht stond echter bij voorbaat vast, en daardoor verschilde die enorm van de normale modus operandi van een team in het veld.

Zoals meestal ging het om observaties, om het krijgen van een genuanceerd beeld van een bepaalde locatie.
Meer was het niet.
Van het banale tellen, volgen en in het geheugen prenten van de plaatselijke bewoners – of mogelijke vijanden – van een groep uit leem opgetrokken huizen tot het in de gaten houden van de dagelijkse bezigheden van mannen, vrouwen en kinderen.
En plotseling, als er op een dag factoren in het gebruikelijke beeld ontbraken, wist je dat er iets ging gebeuren.
Misschien was het een dag waarop alle spelende kinderen waren verdwenen of het stoffige voetbalveld er verlaten bij lag.
Zoiets was een duidelijke combat indicator, een teken om je voor te bereiden op gevechtsacties.
Hij had dat zelf twee keer meegemaakt, in de provincie Helmand.
De eerste keer had het hem een paar lange seconden gekost om het waarschuwingssignaal te zien. De kinderen die er níét waren.
Zonder eindeloos geduld was je bij voorbaat al ongeschikt.
Hoe vaak had hij niet meegemaakt dat hij zich samen met zijn partner dagenlang min of meer op dezelfde plek bevond.
Soms bewogen ze meerdere uren achter elkaar niet.
De enige verademing kwam als je het ondanks de Imodium moest opgeven en noodgedwongen op je zij rolde omdat je je ontlasting niet meer kon ophouden, waarna je de uitwerpselen in een zak stopte, net zoals de buren thuis deden als ze hun hond uitlieten.
Deze opdracht was anders.
Hij stond van tevoren vast.
Er was geen risico dat de opdracht een zware wissel op zijn geduld zou trekken of dat hij een inschattingsfout zou maken.
Alle objecten moesten geëlimineerd worden.
Een reële operatie vanaf een reële afstand, nauwelijks meer dan vijfhonderd meter, waarschijnlijk korter.
Hij zocht in zijn zak naar een van zijn uitzonderlijk kleine veldrantsoenen, een fruit- en notenreep.
Hij ging tegenwoordig nog maar zelden ergens naartoe zonder er minstens eentje in zijn zak te hebben.
Hij was er een grootverbruiker van geworden nadat hij een paar jaar geleden was gestopt met roken. Naarmate hij ouder werd, was het ook belangrijker geworden om zijn bloedsuikerspiegel onder controle te houden.
De basisingrediënten van de gezonde snack waren amandelen, cashewnoten en dadels.
Op die combinatie kon hij lang doorgaan.

Hij had zijn favorieten: de rode die naar appels en kaneel smaakte, de roomkleurige die naar kokos smaakte en de limoengroene die naar… limoen smaakte.
Als hij genoeg had van een smaak, kon hij altijd op een andere kleur overstappen.
Er waren negen verschillende om uit te kiezen, zoals de paarse die naar vanille en bessen smaakte en die hij gedurende de winter steeds meer was gaan waarderen.
Ontegenzeggelijk een heel andere levensstijl dan in de tijd waarin hij zo’n veertig sigaretten per dag rookte en zijn kleding altijd naar tabak stonk.
Hij trok zijn neus op bij de gedachte, nam een grote hap van de limoengroene reep en begon langs de haag waarachter hij beschutting had gezocht te sluipen.
De haag bestond uit onder meer wilde kardinaalsmuts en appelbes.
Hij zag voor zich hoe de struiken in het najaar in brand stonden met hun intens rood-oranje bladeren. Nu waren ze kaal en wachtten ze op het voorjaar.
Terwijl hij liep, keek hij naar de klassieke robuuste beschermende bomen zoals zwarte els, Noorse esdoorn en wilde lijsterbes. Hun enige doel was onkruid weghouden en beschutting bieden aan wintereik, meidoorn en zoete kers.
Na een paar minuten bleef hij staan.
Hij had het eind van de haag bereikt en stond aan het begin van een kaal, rechthoekig veld.
Het was nog 150 meter naar de bosrand, die hij onbeschut moest afleggen, als een schildpad zonder schild.
In dit soort situaties vulden de teamgenoten elkaar eveneens aan.
Degene die de rol van spotter had was normaal gesproken ook verantwoordelijk voor een M10, die met een vuursnelheid van 890 schoten per minuut vijandelijk vuur bijzonder doortastend kon beantwoorden.
Hij keek op zijn horloge.
De groep had een voorsprong van dertien minuten.
Hij had geen tijd om een omweg te nemen.
Hij controleerde zijn uitrusting en bereidde zich voor op een lange sprint.
De beschermende bomen vormden de arbeidersklasse van de natuur.
Na tien tot vijftien jaar zat hun taak erop en werden ze geveld en tot houtsnippers vermalen.
Hij wist niet waarom de mannen die zich op dit moment een weg tussen de bomen door baanden overbodig waren.
Daar speculeerde hij ook niet over.
Ze hadden geen menselijke trekken en eigenschappen voor hem.
Het was gemakkelijker als ze gewoon iets waren wat op zijn pad kwam en geveld moest worden…

Hij begon voorovergebogen zigzaggend over het open veld naar de witte strook sneeuw bij de bosrand te rennen.

5

Ze hadden het loofbos met de vermoeiende laag dode bladeren op de bodem nauwelijks achter zich gelaten toen ze weer vaste grond onder de voeten kregen en het landschap dat zich onder hen uitstrekte konden bewonderen.
Hij had zijn hand enkele seconden eerder opgestoken en zijn kleine groep met een scherp commando bevolen om te stoppen.
Hij wilde het risico niet lopen dat een van zijn mannen zo vermoeid was dat hij met zijn blik op de bodem gericht gewoon verder waadde en over de rand tuimelde.
‘Wauw… Wat is het hier mooi.’ De radioman haalde zwaar adem en veegde het zweet van zijn voorhoofd met de mouw van zijn jas.
‘Lang geleden zijn we een keer met een parachute boven dit gebied gedropt,’ zei Oxen.
‘Het is een tunneldal dat tijdens de laatste ijstijd door smeltwater van een gletsjer ontstaan is. Tijdens de ijstijd daarvoor kwam het ijs tot minder ver in Scandinavië.’
‘Je bedoelt de meest recénte ijstijd, nietwaar, Oxen? Het kan heel goed zijn dat we er nog een krijgen,’ zei de explosievenexpert, en hij stak een sigaret op.
‘Ik bedoel, met al die co2 en andere ellende.’
‘Fuck, ik heb het nu al koud… Als we absoluut nog een ijstijd moeten krijgen, dan mag dat wat mij betreft Häagen-Dazs of desnoods Carte d’Or zijn,’ zei de hospik zonder een spier te vertrekken.
‘Is dat ons bivak voor de komende drie dagen?’
De verkenner knikte sceptisch naar een handvol schuilplaatsen in de luwte van wat begroeiing op de tegenoverliggende oever van een riviertje.
‘Kijk daar, Skram, dat zijn spaghettibomen. Halleluja, we zijn gered,’ bromde de explosievenexpert. ‘Laten we naar beneden gaan.’
Oxen zette zijn voet op de steile helling, deed een pas opzij en gebaarde dat zijn mensen moesten doorlopen.
‘Zorg ervoor dat jullie niets verstuiken of breken. Ik heb geen zin om jullie naar huis te dragen.
In dit jaargetijde is de grond drassig.’ Hij stak zijn hand uit om de hospik te ondersteunen.
‘Bedankt, Oxen. Die verdomde knieën van me…’
‘Het hindert niet. Laat het zand je gewoon naar beneden leiden.’
Aangezien hij zevenenvijftig jaar was en benen had die minstens zo broos waren als zijn gekwelde geest, was het belangrijk om ervoor te zorgen dat de oudste man van de groep veilig beneden kwam. Toen ze vlak daarna weer bij elkaar stonden en het zand van hun laarzen schopten, bleef hij een moment onbeweeglijk staan en keek om zich heen.
Het was waterkoud, rond het vriespunt, en er stond een matige wind. Hij wilde twee mannen een flink kampvuur laten maken dat ze konden laten branden tot ze weer naar huis gingen.
De vuurplaats lag in het midden van de cirkel die door de vier schuilplaatsen werd gevormd.
Als ze voldoende brandhout hadden, hoefde niemand het koud te hebben.

‘Kijk.’
Hij wees naar de grijze hemel, waar een zwart silhouet in grote cirkels zweefde.
Het geklets van de anderen verstomde.
‘Krijg nou wat, die is groot. Dat is een buizerd, nietwaar?’
De verkenner keek hem vragend aan. Hij schudde zijn hoofd.
‘Deze is groter. Zie je die gevorkte staart en smalle vleugels? Het is een rode wouw. In het Engels wordt hij kite genoemd, en het is duidelijk waarom. Hij lijkt net een vlieger.’
Hoog boven hun hoofden hoorden ze een schrille tweetonige roep, en enkele seconden later volgde het stootsgewijze hese geschreeuw van kraaien of roeken die blijkbaar in het stukje bos zaten dat het riviertje in westelijke richting omsloot.
Het besneeuwde kale landschap, het vocht, de kou, de echo van oergeschreeuw tijdens het eeuwige gevecht op leven en dood, dat alles kwam samen in een hevige koude rilling die door hem heen ging. Hij gaf zijn mensen het teken om verder te lopen en voelde dat alle vezels in zijn lichaam gespannen waren.
‘Eerst dat over de ijstijd, en nu een ornitholoog… De chef is absoluut een wandelende encyclopedie,’ lachte de explosievenexpert.
‘Een encyclopedie? Is die niet tegelijkertijd met het telefoonboek verdwenen?’ zei de hospik.
‘En het cassettebandje. En de Carmen-krulset van mijn oma,’ voegde radio-Skram eraan toe.
‘Klets niet zo stom. De chef is een commando. Hij is anders dan wij. Heel anders… Commando’s weten dat soort dingen. Ze zijn opgeleid om te weten wat er om hen heen gebeurt, om voor zichzelf te zorgen. Nietwaar, Oxen?’
Hij had hun vrolijke geklets genegeerd en deed nu hetzelfde met de vraag van de verkenner.
Hij keek nog een keer om zich heen in een poging de dreiging die hij instinctief voelde te identificeren.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief