leesfragment

‘De reizigers’ van Eleanor Limprecht

Twee vrouwen, twee generaties, twee reizen: De reizigers is gebaseerd op de buitengewone ervaringen van Australische oorlogsbruiden. Het resultaat is een beeldende roman over de reizen die we maken, de offers die we brengen en het verdriet dat liefde kan veroorzaken. Begin hier alvast met lezen!

1

Mijn oma. Ze staat aan de reling, haar blik gaat over het water naar de horizon. Haar huid is zacht en dun, haar kaaklijn niet langer scherp afgetekend, spierwit haar omkranst haar gezicht. Ik probeer me haar voor te stellen toen ze, jonger dan ik nu ben, deze zelfde reis in omgekeerde richting maakte, een onbekende wereld tegemoet. Op oude, omgekrulde foto’s staat ze afgebeeld in een luie dekstoel, met een hand boven haar ogen tegen de zon. Ze draagt een korte broek met een haltertop, de wind speelt met haar haren, en ze schatert het uit. Terwijl ik wacht met haar koffie, glijdt mijn blik over haar rimpelige ellebogen, over de gezwollen aderen in haar knieholten.

Dan draait ze zich om, en ze knippert de tranen weg die door de wind in haar blauwe ogen glinsteren.

‘Hannah.’ Ze pakt me glimlachend bij de arm. ‘Koffie! Wat heerlijk. En wat lief van je.’

In het vroege zonnetje lopen we over het dek, onder de gele reddingsboten langs. Alleen het lichte trillen van het dek verraadt dat we varen. Oma heeft me al verteld dat bijna niemand meer zeeziek wordt, doordat alle cruiseschepen tegenwoordig zijn uitgerust met stabilisatoren.

Heb je geen zin om ook mee te gaan?
‘Wat fijn!’ had mijn moeder gezegd toen ik vertelde dat ik met oma mee zou gaan wanneer ze voor het eerst na al die jaren naar Australië terugging. ‘Op haar leeftijd zal ze je hulp hard nodig hebben.’

‘Precies. Daarom vroeg ze het ook. Bovendien moet ik er dringend even tussenuit. Heb je geen zin om ook mee te gaan?’

Er klonk geraas uit de telefoon, en ik begreep dat mijn moeder een zucht slaakte. Op de achtergrond hoorde ik de richtingaanwijzer van haar auto en de gedempte stem van de nieuwslezer op de radio.

‘Ik kan niet zo lang vrij nemen. Maar ze heeft het al jaren over die reis. Al ruimschoots voordat opa overleed. Dus ik ben blij dat in elk geval een van ons met haar mee kan. Maar denk je dat je het aankunt? Je moet wel sterk zijn om te helpen met trappen lopen, in en uit auto’s stappen…’

‘Maak je geen zorgen. En niet om het een of ander, maar ik ben verpleegkundige, hè? Nou ja, bijna.’

‘Sorry. Je hebt gelijk.’

Op het dek heerst inmiddels grote drukte van passagiers die op weg zijn naar het ontbijt.

‘Hebt u trek?’ vraag ik.

‘Vast wel. Tegen de tijd dat ik aan tafel zit.’ Oma schuift haar arm door de mijne. ‘Kom, dan gaan we kijken wat het buffet te bieden heeft.’

Wanneer we eenmaal een keus hebben gemaakt uit de schalen met fruit en luxebroodjes, met bacon, gebakken aardappeltjes en eieren, zoeken we een tafeltje bij het raam aan stuurboord. Er zijn twee eetzalen waar het ontbijt wordt geserveerd. Ik ben vergeten hoe ze heten, maar het klonk me Italiaans in de oren, als de namen van maffiabazen.

Je kunt aan boord overal eten. Er valt niet aan te ontsnappen. Tegen bijbetaling kunnen we niet alleen genieten van de Japanse en de Braziliaanse keuken, maar ook van pizza op een niet van echt te onderscheiden Italiaanse piazza of Ben & Jerry’s. Je hoeft je sleutelkaart maar door het apparaat te halen om meer calorieën naar binnen te werken dan je thuis ooit in je hoofd zou halen.

De geroutineerde cruisereizigers zijn te herkennen aan hun sleutelkoord, variërend van de simpele variant die je gratis krijgt bij congressen en conferenties tot het rijkelijk met blingbling versierde model dat staat voor ‘bridgen’ en ‘gepensioneerd’. Oma heeft een smaakvol exemplaar van blauwe en witte kralen, ze zijn van plastic, zegt ze. Ik heb er geen, en ik heb ook geen zak in mijn jurk, dus ik heb mijn sleutelkaart in mijn beha gestopt. Ruimte zat.

Ash geeft er niet om dat ik amper boezem heb. Sterker nog, dat vindt hij juist mooi. Zegt hij. Maar ik kan het me niet voorstellen.

 

Het lijkt inmiddels al weken geleden dat we uit L.A. naar San Diego vertrokken om oma te halen. Ze woont in een seniorencomplex, in een wereld van opzichtig groene golfbanen, elektrische autootjes, Lincoln Town Cars en vrouwen met gepermanent haar, kreukvrije broeken en schoenen met witte zolen. Ook al wist ze van zijn bestaan, ze kende Ash nog niet, en ik was bang voor gênante opmerkingen bij hun eerste ontmoeting. Want oma herinnert me er regelmatig aan dat zij op mijn leeftijd al lang en breed getrouwd was. Maar ze was verrassend zwijgzaam tijdens de rit. Terwijl Ash op het stuur trommelde, bewoog zij met haar hoofd op de maat van de zachte jazzklanken uit de radio.

‘Wat doet een mens op een cruise om de verveling te bestrijden?’ vroeg Ash terwijl hij ons naar de kade reed.

‘Bridgen. Er zijn shows. Er wordt gedanst, en dan doe ik vrolijk mee als iemand me vraagt. En ik wandel over het dek. Maar ik heb nog nooit zo’n lange cruise gemaakt. Met een bestemming, in plaats van met hetzelfde begin- en eindpunt. Ik heb ook altijd wat te lezen bij me, maar daar kom ik eigenlijk nooit aan toe. Op deze reis ben ik vooral van plan om van mijn kleindochter te genieten. Heb jij een boek bij je, Hannah?’

Vanaf de bijrijdersstoel reikte ze naar achteren om haar zorgvuldig gemanicuurde hand op mijn knie te leggen. Ik legde mijn droge zeephand erop.

‘Nou en of. Een hele stapel studieboeken. En die ga ik allemaal lezen.’

‘Maar schatje, je hebt vakantie!’
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je ál je studieboeken bij je hebt, hè?’ Ash keek me aan via het achteruitkijkspiegeltje. Vanwege zijn Ray-Ban kon ik zijn ogen niet zien, dus ik wist niet of hij een grapje maakte.

‘Jawel. Ik heb ze allemaal meegenomen.’

‘Maar schatje, je hebt vakantie!’

‘Als mijn examencijfers te laag zijn, kan ik die stageplek wel vergeten. Er is superveel competitie bij pediatrie.’

Op dat moment wees oma naar buiten. ‘Volgens mij zie ik hem al. Daar! Dat enorme gevaarte. Dat is ons schip.’

Het was gigantisch, onwerkelijk groot. Naast de glimmende witte kolos zagen alle andere schepen eruit als speelgoedbootjes.

‘Een drijvend winkelcentrum,’ zei Ash. Ik gaf een schop tegen de rugleuning van zijn stoel. Hij had al meer dan genoeg gezegd over het rampzalige effect van cruiseschepen op het milieu. Thuis had ik daar van harte mee ingestemd, maar ik wilde niet ondankbaar lijken tegenover oma.

Ash zette ons af bij de passagiersterminal, omhelsde ons, en we sloten aan achter de rij toeristen met heuptasjes en felgekleurde T-shirts. Zo waren wij niet, hield ik mezelf voor. Wij gingen met een doel op reis. Terwijl oma haar paspoorten tevoorschijn haalde – ze had zowel een Amerikaans als een Australisch paspoort – legde Ash zijn hand tegen mijn gezicht. Ik duwde zijn zonnebril omhoog. In zijn pupillen zag ik de minuscule weerspiegeling van mezelf.

‘Zul je me missen?’ vroeg ik.

‘Vreselijk! Je hebt geen idee!’

Hij kuste me. Toen draaide hij zich om, liep weg en stak nog een laatste keer zijn hand op. Ik was vergeten te zeggen dat ik hem ook zou missen.

Ik zit met mijn eten te spelen, snijd het in steeds kleinere hapjes, strooi veel te veel zout op de twee lepels roerei. Aan de tafel naast ons wordt uitbundig gelachen, een vrouwenstem klinkt luid boven de andere uit. De zaal is met gordijnen en sierhekken opgedeeld in vakken, maar oogt nog altijd enorm, als een Italiaans restaurant waar de mediterrane sfeer net iets te overdadig is aangezet en waar de obers aan je tafeltje komen zingen.

De meeste passagiers zijn van oma’s generatie
De meeste passagiers zijn van oma’s generatie, maar er zijn ook gezinnen met kleine kinderen – jonge moeders met brede heupen die zorgzaam de plakkerige vingertjes van hun rusteloze kroost schoonvegen, snakkend naar het moment waarop de Kids Club opengaat – en echtparen van middelbare leeftijd die hun dagen slijten bij de Calypso Reef Pool. We zijn net vertrokken, maar ze beginnen nu al te vervellen. En ze zitten aan het ontbijt al aan de mimosa’s en de bloody mary’s. De tieners aan boord bewegen zich in groepjes, zijn onafscheidelijk van hun plastic beker frisdrank en doen er alles aan om de tafel van hun ouders te mijden. De enige demografische categorie die ontbreekt, is de mijne.

In mijn vriendenkring betekent een voorjaarsvakantie backpacken in Zuid-Afrika, snowboarden in Vermont en zelfs luieren op het strand van Cancun, onder het genot van een margarita. Maar dit is oma’s reis. Ze gaat naar huis en ze zei dat ze wel wat hulp kon gebruiken bij het koffers sjouwen en bij alle andere complexiteiten van zo’n lange reis. Maar ik heb zo’n vermoeden dat er meer achter zit. Ik zie dat ze haar servet zorgvuldig uitspreidt op haar schoot en ondertussen naar de mijne kijkt. Ze is altijd zo hoffelijk en welgemanierd. Met haar vork in haar linkerhand en haar mes in de rechter snijdt ze zelfs haar bacon in kleine stukjes, die ze vervolgens sierlijk naar haar mond brengt.

Hoewel ze al heel jong uit Australië is weggegaan, is ze de manieren en de gewoonten waarmee ze is opgegroeid, altijd trouw gebleven. Het zou voor de hand hebben gelegen dat ze haar tafelmanieren zou hebben aangepast aan de onze, door uitsluitend met haar vork te eten en haar mes alleen te gebruiken als er iets moet worden gesneden. Maar ze houdt zich zorgvuldig aan de diverse vorken en messen, en aan de volgorde waarin ze naast het bord liggen. Misschien doet ze het niet alleen uit gewoonte, maar ook omdat het haar aan thuis herinnert.

‘Wat spannend om eindelijk terug naar huis te gaan.’ Ik duw mijn bord weg. ‘Hoe lang is het geleden dat u uit Sydney vertrok?’

Ze bet haar mond met haar servet, haar lippenstift laat roze vegen achter op het linnen.

‘Achtenzestig jaar,’ antwoordt ze. ‘Maar “naar huis”, dat is niet Sydney. Thuis, dat was de boerderij. En daar ben ik op mijn zestiende weggegaan, toen mijn ouders de boel moesten verkopen.’

2

Ik herinner me het vertrek nog als de dag van gisteren. De regen die met bakken uit de lucht viel, het gejank van Blackie dat steeds zachter klonk en uiteindelijk achter ons wegstierf.

Tot op dat moment waren het de melktijden geweest die mijn leven bepaalden.

Nog maar half wakker stond ik al voor zonsopgang naast mijn bed en schoot een jurk en een schort aan, over mijn nachtgoed heen. Buiten was de hemel grijs, binnen klonk uit de keuken het gestommel van mijn broers, die hun neus snoten en zich krabden, terwijl mijn moeder thee voor ons zette. Er werd niets gezegd. Voor praten was het nog te vroeg. Het takkenvuur in de haard rookte. Op de veranda stapten we in onze laarzen, en toen liepen we naar de stal. Stenen en afgewaaide takken knarsten onder onze zolen, in het oosten verscheen het eerste, groenige licht van de nieuwe dag achter de struiken. In de stal, waar de vochtige, scherpe geur hing van hooi doordrenkt met urine, stond mijn vader al klaar met de emmers. Hij had de koeien met één poot vastgebonden. De dieren tilden snuivend hun kop uit de trog met zemelen. Sommige loeiden toen ze ons zagen, dankbaar dat hun zware uiers zouden worden leeggemolken. Ik zette mijn kruk naast de eerste koe en aaide liefkozend haar warme, zijdezachte vacht. Met twee handen tegen haar volle uier legde ik mijn vingers om de spenen en begon te trekken. Met mijn hoofd tegen de koeienflank was ik me bewust van de geur van verse melk, van de zwiepende staart, van het stampen van de ach terpoot die niet was vastgebonden. Soms vroeg ik me af wat zo’n koe dacht; zou ze zich verbeelden dat ik haar kalf was, haar verloren kind met lange, slungelachtige poten, dat was teruggekomen om te drinken? Maar meestal dwaalden mijn gedachten naar elders, want melken was me net zo vertrouwd als ademhalen, en ik ging van koe naar koe. Mijn vader kwam de volle emmers halen en goot de melk door de teems. De room werd er vervolgens afgeschept en aan de boterfabriek geleverd, een eindje verderop, de afgeroomde melk ging naar Sydney, in een grote vrachtwagen met stoomkoeling om te zorgen dat de lading koud bleef. Sommige boerderijen hadden al melkmachines, maar op kleine bedrijven zoals het onze werd al het werk nog met de hand gedaan.

Het is het enige compliment dat hij me ooit heeft gegeven.
Voorovergebogen op hun kruk lieten mijn broers ondertussen de ene na de andere wind vliegen, mopperend, nog altijd niet goed wakker. Het gebeurde maar al te vaak dat een koe schrok van hun ruwe bewegingen. Papa zei ooit dat ik van ons drieën de beste melker was. Het is het enige compliment dat hij me ooit heeft gegeven. De koeien waren me simpelweg dierbaar – hun logge lijf, hun brede, natte neus, hun snorharen waaraan dauwdruppels schitterden, hun traag knipperende ogen, hun eeuwige herkauwen, hun ruwe, verrassend droge tong. Een melkkoe is een zachtaardig, volstrekt voorspelbaar dier, een schepsel dat tevreden is in de wei, met de zon op haar rug, en dat regelmatig haar staart optilt om een zwarte vlaai in het gras te deponeren, zo groot en zo plat als een ongezuurd brood.

Vanaf mijn zesde was ik elke dag al vóór zessen op om te melken. Pas daarna liep ik terug naar de keuken om te ontbijten, met om me heen het gekwetter van de vogels in de bomen, de roep van de zwartkopzwiepfluiter, die klonk als het traag aanspannen en loslaten van een katapult, en de ‘zang’ van de roodstaartraafkaketoe, die deed denken aan een scharnier dat dringend moest worden geolied.

Mam had inmiddels de kalveren gevoerd, die nog altijd om hun moeder riepen; ze had de honden te eten gegeven en hun riem losgedaan. Met hun tong uit hun bek kwamen ze ons kwispelstaartend tegemoet rennen. Vooral Blackie was niet bij me weg te slaan. Ik had haar gered toen mijn vader haar, als ondermaatse pup, had willen verdrinken in de kreek. Dus blijkbaar voelde ze zich bij mij veilig. Ze mocht dan de kleinste van onze honden zijn, en de magerste, ze was ook sluw en razendslim. Ze kon de koeien razendsnel samendrijven, omdat ze precies wist welke ze in de hielen moest happen. Ik bewaarde alle restjes voor haar: broodkorsten, koekjes die oud en zacht waren geworden, en het afsnijdsel van het vlees op zondag. Haar tong voelde nat en warm op mijn hand, haar groene ogen hadden gouden vlekjes en een zwart lijntje, als de dramatisch opgemaakte ogen van een filmster.

Na het melken schopten we op de veranda onze laarzen weer uit – het was Jacks taak om ze schoon te maken – en gingen we naar binnen. Daar had mama al kommen met pap klaargezet, en ze had dikke boterhammen gesmeerd met boter. De honden keken vanachter de hor hijgend toe; de mist die zich gedurende de nacht in het dal had verzameld, werd door de zon verdreven en hield alleen nog stand in de koudste, donkerste hoeken. Dauw flonkerde op de spinnenwebben, grashalmen lichtten op in de eerste stralen van de nieuwe dag.

Na het ontbijt maakten we ons klaar om naar school te gaan. Als meisje had ik het voordeel – het enige voordeel – dat ik als eerste het washok mocht gebruiken. Ik schrobde mijn gezicht en mijn handen, ik kamde mijn haar en bond het in een zware vlecht die tot op mijn middel viel. Daarna ging ik terug naar mijn kamer, en ik verwisselde mijn melkkleren en mijn nachtgoed voor mijn schoolkleding: hemd, sokken, schort en bloes, stuk voor stuk ruw en grauw van het vele wassen. Een uur na zonsopgang zaten we in het zadel, op weg naar de Yatte Yattahschool, een rit van zo’n vijf kilometer over de Yackungarrah Creek en door de Myrtle Gully. Blackie liep meestal mee tot aan de kreek. Daar bleef ze zitten, en als ik dan zei dat ze terug moest gaan, begon ze te janken. Maar elke middag zat ze er weer. Ik reed op Big Bill. Die heette zo omdat hij de kleinste was van de drie paarden, met het grootste ego. Hij liep met grote voortvarendheid en het hoofd geheven, alsof hij een optocht leidde. De kinderen die het dichtst bij school woonden, kwamen lopend of op de fiets, en van de grotere boerderijen werden sommige zelfs met de auto gebracht. Maar er waren er ook altijd nog genoeg die op het paard of de pony kwamen, dus de school had een paal om ze aan vast te zetten, met een trog water.

Ik ging al sinds mijn zevende naar school
Ik ging al sinds mijn zevende naar school, en in al die jaren hadden we maar één keer een nieuwe leerkracht gekregen. In het begin had meneer Buckland voor de klas gestaan. Hij had een gezicht als een buidelrat, een heupfles voor in de middagpauze, en als je niet oplette, kon je met de ijzeren liniaal krijgen. Na een paar jaar maakte meneer Buckland plaats voor juffrouw Wren, met een dik, papperig gezicht als een drilpudding. De oudere jongens kon ze niet de baas, maar ze las ons de mooiste verhalen voor en dankzij haar verbeterde mijn handschrift aanzienlijk.

De school bestond uit één lokaal, waar de jongste kinderen het dichtst bij de kolenkachel zaten en de oudere verder naar achteren. Het rook er naar potloodslijpsel en vochtige sokken, en door het stof van de krijtjes had ik voortdurend het gevoel dat ik moest niezen. We veegden het bord schoon, klopten het stof uit de wissers, gebruikten onze potloden tot er nog maar een stompje van over was en beschreven elk stukje papier dat nog leeg was. Na het middageten mochten we een halfuurtje naar buiten, om de paarden te voeren en cricket te spelen op het gras. De kleinsten hinkelden of bungelden aan de lage takken van de bomen. Daarna volgde een slaperige middag waarin de vliegen tegen het glas zoemden en ik alles op alles moest zetten om wakker te blijven, terwijl de andere kinderen hun les opdreunden. Mijn eerste vier jaar op school keek ik naar het vuil in de nekplooien van Thomas Ryan. Pas toen hij op de vissersboot van zijn vader overboord sloeg en verdronk, drong het tot me door dat ik in al die jaren geen woord met hem had gewisseld.

Ik ging graag naar school, ik was een snelle leerling en ik genoot ervan mooie cijfers te halen, van de waardering die dat me opleverde. Bovendien zag ik op school mijn vriendinnen, Evelyn en Ada. Evelyn woonde vlakbij, haar vader was directeur van het postkantoor. Ada kwam, net als ik, van een melkveehouderij aan Little Forest Road. Ze had ook ruwe handen van het melken, en na de middagpauze had ze, net als ik, moeite om wakker te blijven. Tussen de middag stonden we samen onder de gomboom met zijn afbladderende schors. Dan ruilden we plaatjes van filmsterren die we uit tijdschriften knipten, en van jurken, afkomstig uit postordercatalogi; jurken die we bij lange na niet konden betalen, maar waarvan we droomden dat we ze ooit konden kopen. Ik wilde Evelyns blonde haar. Dat vond ik veel mooier dan mijn bruine. En ik wilde net zulke schattige kleine voetjes als Ada. Op hun beurt waren zij jaloers op mijn blauwe ogen.

Mijn vriendinnen vertelden het me als Ellis Jones naar me had gekeken.
Mijn vriendinnen vertelden het me als Ellis Jones naar me had gekeken. Want Ellis was ook een reden waarom ik zo graag naar school ging. Als oudste leerling zat hij helemaal achter in de klas, en hij kwam op de motor naar school, vanaf de boterfabriek waarvan zijn vader directeur was. Hij was langer dan mijn broers, zelfs langer dan mijn vader. Hij woonde amper drie kilometer bij ons vandaan en hij was bevriend met mijn broer Fred. Soms voelde ik dat hij met zijn goudbruine ogen naar me keek, net zoals ik nog steeds de plek voel op mijn heup waar hij me ooit vasthield toen hij me in het zadel hielp. Het was inmiddels al lang geleden, maar in mijn verbeelding voelde ik de hitte van zijn huid nog altijd dwars door mijn kleren heen. Anders dan met de verdronken Thomas Ryan, praatte ik met Ellis soms wel, ook al waren onze gesprekjes doorgaans haperend en ongemakkelijk.

‘Dag Sarah, hoe is het met je moeder?’

‘Heel goed. En met de jouwe?’

‘Ze heeft deze winter nogal last van haar keel gehad, maar inmiddels gaat het weer wat beter.’

‘Ach, wat vervelend.’

Frustrerend, vond ik het. Want toen we klein waren, hadden we geen last gehad van die ongemakkelijkheid. Toen kwam Ellis vaak met zijn vader mee wanneer die onze melk moest controleren, en dan speelden we samen; Ellis en ik en mijn broers. Hij leerde ons vloekwoorden en rare liedjes, en hij zoende me voor het eerst toen ik pas elf was, tijdens het verstoppertje spelen, achter een theeboom. Zijn lippen waren heet en droog; er hingen velletjes aan, als bij een boom die zijn bast verloor. Voordat ik kon protesteren, riep Fred: ‘Wie niet weg is, is gezien. Ik kom!’ Waarop Ellis het op een rennen zette, in de richting van de kreek.

Het gebeurde regelmatig dat Ellis van school thuisbleef, en ik vroeg me af of dat zijn eigen keuze was of die van zijn vader. Zelf bleef ik nooit thuis, tenzij het niet anders kon: als er een koe moest kalveren, of als de schapen van de buurman werden geschoren, of als mijn broers er niet waren, want dan duurde het melken drie keer zo lang. Als mijn moeder een aanval had, kon ik ook niet naar school, want dan moest ik koken, de was doen, het huis aan kant maken. O, wat miste ik het dan!

‘Wat leer je daar nou helemaal?’ vroeg mijn vader op een ochtend toen hij me hoorde klagen. ‘Lezen en schrijven, dat kun je al.’ Hij haalde een pluk tabak uit zijn buidel en rolde die tot een dunne sigaret.

‘Ik oefen met rekenen. Om nog sneller sommen te maken. En ik leer biologie, aardrijkskunde…’

Door een wolk van rook keek hij me aan.
Hij streek een lucifer af aan een paal van de veranda, hield zijn handen om het vlammetje en trok aan de sigaret totdat die begon te gloeien. Toen blies hij uit. Door een wolk van rook keek hij me aan. ‘Nou, daar zul je veel aan hebben! Waarom zou je moeten weten waar Afrika ligt? Je komt het erf amper af! Behalve om naar school te gaan.’ Jack schoot me te hulp en zei dat mama me nodig had in de keuken. Toen ik naar binnen ging, was ze er niet. Jack plofte neer aan de tafel, beet in een appel en rolde met zijn ogen. ‘Je kunt beter bij hem uit de buurt blijven. Hij is chagrijnig vanwege Fred.’

‘Vanwege Fred?’ En zo kwam ik erachter dat Fred het huis uit ging, dat hij naar Sydney vertrok. Ik ben bang dat ik in eerste instantie alleen aan mezelf dacht. Als Fred het huis uit ging, moesten Jack en ik meer koeien melken. Bovendien was ik dan de oudste, de eerstverantwoordelijke, en dat was geen pretje met zo’n onvoorspelbare vader. We zeiden dat het door de oorlog kwam. Hij had in Frankrijk gevochten, een van zijn kameraden had een been verloren, een ander was teruggekomen met een misvormd gezicht, weer een ander was een hand kwijtgeraakt, om nog maar te zwijgen van al degenen die hun leven aan het front hadden gegeven. De verwondingen van onze vader waren niet direct zichtbaar, maar waren wel de reden dat hij dronk en dat hij om de kleinste dingetjes, zoals een ontbrekende knoop aan zijn overhemd, in blinde woede kon ontsteken. Als kinderen waren we bang voor hem en gingen we hem zo veel mogelijk uit de weg wanneer hij had gedronken.

Hij had een loopneus, gesprongen adertjes op zijn neus en zijn wangen, zijn ogen waterden, zijn lippen zaten onder de blaren van de zon, en zijn dikke, vergeelde nagels waren gespleten en afgebroken. Soms vroeg ik me af hoe mijn moeder hem ooit aantrekkelijk had kunnen vinden. Maar wanneer hij hout stond te hakken, aan het werk was met de kettingzaag of stallen uitmestte, dan zag ik zijn sterke rug, zijn brede nek, zijn vaardige handen. En dan begreep ik, dankzij de afstand, wat van dichtbij onbegrijpelijk leek.

Er werd niet alleen ’s ochtends gemolken, maar ook ’s middags. Op doordeweekse dagen haastte ik me uit school naar huis, met Blackie naast me, en dan waren we tot het avondeten bezig. Daarna de afwas, vervolgens huiswerk, en dan duurde het niet lang of mijn ogen vielen dicht. In het weekend ging het werk gewoon door, maar op zondag was er gebraden lamsvlees uit de oven om naar uit te zien. Het werd geserveerd met pompoen, waarvan de schil zwartgeblakerd was; de jus werd gebonden met meel, en er ging altijd een scheut sherry of brandewijn bij, uit de kast naast het fornuis.

Mijn moeder maakte er geen gewoonte van haar kinderen te knuffelen of te vertroetelen
Mijn moeder maakte er geen gewoonte van haar kinderen te knuffelen of te vertroetelen, maar haar ogen straalden wanneer ze ons zag eten. Papa zat aan het ene hoofdeinde van de tafel, mama aan het andere, met mijn broers en ik aan weerskanten. Er was feestelijk gedekt, met het mooie kleed, servetten, het glimmend gepoetste zilver, de kristallen peper-enzoutvaatjes, boter in het blauwe schaaltje. In gedachten hoor ik nog het trompetgeschal waarmee mijn vader zijn neus snoot, zie ik mijn moeder de bonen doorgeven. De verbeten trek om haar mond en de zorgrimpel in haar voorhoofd verdwenen wanneer ze haar zondagse biertje dronk, ingeschonken door mijn vader.

Ze was een merkwaardige vrouw, mijn moeder. Hard, maar ook zacht, gevoelig. Wat ging er in haar om? Ik heb het me vaak afgevraagd. Voordat ze kinderen kreeg, had ze geschilderd. Tegen een muur in de schuur stonden de aquarellen die ze had gemaakt, met voorstellingen van bloemen, stoelen, schalen met fruit. Ik heb haar nooit een penseel zien vasthouden, zelfs niet toen ik klein was en mijn broers en ik haar oude kwasten mochten gebruiken, en haar verf, haar kostbare aquarelleerpapier. Dan deed ze ons een schort voor dat ze had gemaakt van een oud overhemd van mijn vader. Ik kan me herinneren dat ik haar ooit – ik was toen al veel ouder – heb gevraagd waarom ze niet meer schilderde. Ze haalde haar schouders op. ‘Ik was niet goed genoeg.’

Dat kon ik nauwelijks geloven. Papa had weleens verteld dat ze een prijs had gewonnen, beschikbaar gesteld door de Milton Presbyterian Church. Een prijs van tien pond. Ze hadden elkaar destijds net ontmoet, en mijn moeder had er stof van gekocht voor een jurk: roomkleurige tafzijde afgezet met kant. Daardoor had mijn vader de indruk gekregen dat ze van een chique familie was. Veel te chic om in hem geïnteresseerd te zijn. Dus hij kon zijn geluk niet op toen bleek dat haar ouders helemaal niet zo deftig waren. Haar vader was, net als de zijne, een eerlijke, hardwerkende man van boerenkomaf. Het zout der aarde. Alleen haar handen waren verfijnd, haar ogen prachtig, net als haar figuur, voordat ze kinderen kreeg. En ze had het mooiste goudblonde haar dat mijn vader ooit had gezien. Wanneer hij dat vertelde, streek mijn moeder met haar geaderde handen het grijze haar uit haar gezicht en verdween ze met een stapel borden naar de keuken. Voordat ze kinderen kreeg. Soms vroeg ik me af of wij verantwoordelijk waren voor haar verval. Of het onze schuld was dat hij zijn goudblonde droomvrouw was kwijtgeraakt.

Om twee uur ’s middags scheen de zon door de kanten gordijnen van de eetkamer, er zoemde een vlieg boven de botten op de vleesschaal en papa en Jack haalden het schaakbord tevoorschijn. Ik deed de afwas, mama pakte haar breiwerk: een dekentje voor een baby die bij een van de gezinnen van de kerk was geboren. Ik keek naar haar vingers rond de breipennen en probeerde me voor te stellen dat ze een kwast vasthield, of de hand van mijn vader. Haar trouwring was te klein geworden. Ze bewaarde hem in een kistje van rood cederhout in haar ladekast. Later op de middag zetten we de radio aan en maakte ik mijn huiswerk. Papa ging naar de pub, maar hij was voor melktijd weer thuis. Daarna aten we boterhammen met koud lamsvlees en sla uit de tuin. Bij de gedachte loopt het water me nog in de mond: witbrood dat mijn moeder zelf had gebakken, besmeerd met boter, bestrooid met peper en zout, en daarop de restjes lamsgebraad, zo dun gesneden dat het licht erdoorheen scheen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief