leesfragment

‘Rookgordijn’ van Horst & Enger

Rookgordijn: het tweede deel in de razendspannende Noorse thrillertrilogie van Jørn Lier Horst & Thomas Enger. Lees hier alvast een fragment!

Proloog

1 januari 2019

De traliedeur aan het eind van de gang sloeg dicht. Het geluid droeg ver langs de betonnen wanden.

Christer Storm Isaksen keek op van zijn boek en luisterde. Lichte, korte voetstappen op de linoleumvloer.

Frankmann.

Hij was de enige die de moeite nam een extra ronde te maken als er iets bijzonders was.

De voetstappen stopten voor de cel. Sleutels rinkelden, waarna er beheerst op de deur werd geklopt.

Isaksen legde zijn boek aan de kant. ‘Ja?’

Het bovenste scharnier knarste toen Frankmann opendeed. Het leek alsof hij de laatste week nog meer was afgevallen. Zijn uniformhemd hing losjes rond zijn magere bovenlichaam.

‘Gelukkig nieuwjaar,’ zei hij ter begroeting. Hij had een witte envelop in de hand.

‘Gelukkig nieuwjaar,’ luidde Isaksens antwoord.

Hij wilde vragen hoe de kerstdagen en oud en nieuw waren verlopen, maar hij slikte zijn woorden in. De envelop maakte hem nieuwsgierig.

‘Een brief voor je,’ zei Frankmann.
‘Een brief voor je,’ zei Frankmann. ‘Ik dacht dat je die wel meteen wilde hebben.’

Isaksen nam hem aan.

Op de envelop stond geen adres en er zat geen poststempel op. Alleen zijn naam in kleine, ronde letters. Het was een schuin handschrift, ook een beetje onduidelijk, alsof de schrijver niet veel tijd had gehad.

‘Hij lag in de brievenbus bij de ingang,’ lichtte Frankmann toe.

Isaksen voelde aan de envelop. Er zat iets in wat stijver aanvoelde dan een brief. Misschien een ansichtkaart.

Hij wreef met zijn duim over de plek waar de postzegel had horen te zitten en draaide de envelop om. Geen afzender.

De laatste keer dat hij een handgeschreven brief had ontvangen, kon hij zich niet meer herinneren. Nadat zijn moeder was overleden, was er ook een eind aan de kerstkaarten gekomen.

Frankmann bleef met een nieuwsgierige blik in de deuropening staan.

‘Normaal gesproken was dit samen met de andere post behandeld,’ zei hij, om aan te geven dat hij moest wachten tot de envelop open was. ‘De hond komt pas vrijdag,’ voegde hij eraan toe. Hij had het over de drugshond.

Isaksen peuterde een hoekje van de flap aan de achterkant los en scheurde de envelop voorzichtig open. Hij maakte de opening met twee vingers groter en keek wat erin zat.

Het was een foto.

Hij haalde hem eruit en voelde dat er druk op zijn borst kwam te staan.

Het meisje op de foto was acht, negen jaar; ze droeg een blauwe capuchontrui en had lang, bruin haar dat naar achteren was gekamd en in een paardenstaart was gebonden. Ze zat in een schoolbank met haar handen op een boek. Haar beugel kon ze niet verbergen, want ze glimlachte breed naar de camera. Op haar neus zaten allemaal sproeten. Haar ogen waren ijsblauw, net als die van hem.

‘Zij is het,’ liet hij zich ontglippen.

Frankmann deed een stap dichterbij. ‘Wie?’ vroeg hij.

Isaksen gaf geen antwoord.

Zij is het, herhaalde hij bij zichzelf. Het meisje van wie iedereen dacht dat ze dood was.

Twintig uur eerder

1

Vuurwerk verlichtte deze oudejaarsavond de stad.
Vuurwerk verlichtte deze oudejaarsavond de stad. Jankende pijlen schoten omhoog naar de hemel en explodeerden in kleurrijke formaties. De knallen varieerden in sterkte en intensiteit. De afgelopen minuten waren het er steeds meer geworden.

Een dichte nevel was over de fjord komen binnendrijven en bedekte het water aan de Rådhuskade als een deksel. Doordat de temperatuur was gedaald hadden de feestelijk uitgedoste mensen hun jassen steviger dichtgeknoopt en hun sjaals dichter om hun hals getrokken. Ze zochten steun bij elkaar in de sneeuwprut, joelden en lachten.

Emma Ramm had een dikke winterjas aangetrokken. Aan haar voeten droeg ze rubberlaarzen met twee paar wollen sokken. De meeste mensen keken omhoog met hun mobieltjes in de hand, of ze probeerden koortsachtig nu, vlak voor middernacht, contact te krijgen met familie en vrienden. Emma niet. Zij keek naar de mensen, op zoek naar tekenen of ze daar wel of niet waren om feest te vieren, ook al wist ze niet hoe die signalen eruit zouden zien.

Iets meer dan een halfuur geleden was Emma uit Irenes appartement vertrokken, midden in een ruzie met Kasper die het traditionele vriendenfeest in Amager had laten schieten ‘omdat hij het nieuwe jaar liever in een bed naast haar wilde beginnen’. Hij had niet begrepen waarom ze beslist op de Rådhuskade moest zijn als de klok twaalf sloeg; ze hield niet eens van vuurwerk.

‘Dat moet ik gewoon,’ had Emma geantwoord. Kasper had om dat kinderlijke, vage antwoord gelachen. Hij was ook chagrijnig genoeg geworden om te zeggen: ‘Prima, maar dan ga je wel alleen, want ik heb geen zin om koud en nat te worden.’

‘Ik kan wel meegaan,’ had Martine gezegd. ‘Ik wil de vuurpijlen graag zien. Mag dat, tante? Alsjeblieft?’

Emma had geglimlacht, maar haar hoofd geschud. Ze zei liever niet tegen haar nichtje dat het voor een klein kind gevaarlijk kon zijn als ze daarbij was. Trouwens, voor een volwassene ook. Veel mensen eindigden het oude jaar op de Spoedeisende Hulp met vuurwerkletsel.

De eigenlijke reden was echter een andere.

De hele herfst was Emma nauw betrokken geweest bij het oplossen van wat de kranten ‘de aftelmoorden’ hadden genoemd, en zelf was ze bijna een van de slachtoffers bij het door de moordenaar uitgedokterde nulpunt geworden. Aangezien het nieuwe jaar en het officiële aftellen naderden, was ze bang dat iemand zich had laten inspireren om iets soortgelijks te doen.

Emma had de psycholoog over haar irrationele angst verteld.
Emma had de psycholoog over haar irrationele angst verteld. Hij had geknikt en gezegd dat hij de achtergrond ervan begreep, maar dat er geen aanleiding was om te denken dat er iets dergelijks ging gebeuren. Emma had geprobeerd zichzelf ervan te overtuigen dat het absurde speculaties waren, maar het idee had zich in haar hoofd vastgezet en was steeds groter geworden. Ze had gedacht aan de grote vuurwerkshow die de gemeente Oslo elk jaar in de haven bij de Rådhuskade organiseerde en waarbij altijd duizenden mensen toekeken. Uiteindelijk had de psycholoog voorgesteld dat ze erheen zou gaan, dat het haar sterker zou maken als ze haar angst tegemoet trad en met eigen ogen zou zien dat er niets gebeurde.

Eigenlijk had ze besloten het erbij te laten, maar naarmate de avond vorderde had ze een claustrofobische angst ontwikkeld voor wat Kasper klokslag twaalf misschien zou gaan doen. Niet dat ze dacht dat hij op zijn knieën zou gaan om haar ten huwelijk te vragen – ze kenden elkaar nog maar zo’n acht maanden – maar ze vreesde dat hij haar zou vertellen dat hij van haar hield. Emma wist nog altijd niet zeker wat ze van hem vond, behalve dan dat hij een fijne vent was bij wie ze zich goed voelde, zolang ze ieder in hun eigen stad woonden en elkaar niet al te vaak zagen. Ze wilde gewoon een nagenoeg ongecompliceerd bestaan als pasbenoemde misdaadverslaggever bij news.no voortzetten, zonder te veel aan de toekomst te denken.

Ze haalde haar mobiel tevoorschijn. Bijna een minuut geleden had Kasper geprobeerd contact met haar te krijgen, maar ze had geen zin om hem terug te bellen. Het was één minuut voor twaalf. Emma haalde diep adem. De mensen vlogen elkaar om de hals. Ze proostten en morsten in de aangestampte sneeuw. Om haar heen was het een continue kakofonie van geknetter, geknal, stemmen en gejoel. Emma miste helemaal niets van het partyleven, behalve misschien de vreugderoes die ze af en toe kon voelen als ze één of twee glazen alcohol ophad, waarna die altijd was omgeslagen in het tegenovergestelde gevoel.

Iemand begon af te tellen vanaf tien. Emma voelde een scherpe, akelige steek in haar buik en borst opkomen, maar probeerde vast te houden aan de geruststellende woorden van de psycholoog dat er niets zou gebeuren. Straks kon ze naar huis gaan, naar Irene, Kasper en Martine, vrij van zorgen, klaar om het nieuwe jaar te beginnen.

Vijf!
Vier!
Drie!
Twee!
Eén…!

Opeens baadde alles om haar heen in een verblindend licht. Een enorme explosie deed de grond onder haar schudden. De druk en de warmtegolf sloegen haar omver. Losse voorwerpen vlogen door de lucht. Ze kroop ineen op de grond met haar handen om haar hoofd, terwijl ze een poging deed zich te orienteren.

Aan de kant van de steiger, ongeveer dertig meter bij haar vandaan, stond een brede zuil van oranje, gele en rode vlammen op instorten. Het piepte in haar oren, maar ze hoorde de kreten, zag hoe feestelijk geklede mensen tegen elkaar opbotsten, elkaar opzijduwden, terwijl ze panisch zochten naar vrienden, geliefden, kinderen, naar een antwoord op de vraag wat er was gebeurd.

Zwarte stukjes stof en deeltjes daalden neer uit de hemel.
Emma kwam overeind. Zwarte stukjes stof en deeltjes daalden neer uit de hemel. Een man kwam wankelend haar kant op; zijn ene arm stond in brand. Hij gilde en sloeg als een bezetene op de vlammen. Ten slotte wist hij zich uit zijn jas te wurmen.

Het gevoel van de afgelopen weken had als een knoop in haar maag gezeten, terwijl het rationele deel van haar had gezegd dat het een absurde gedachte en onmogelijk voorgevoel was.

Maar het was geen gevoel meer. Het was geen angst. Het was werkelijkheid.

Om haar heen knalde nog steeds vuurwerk.

2

Alexander Blix drong door de stroom verbijsterde mensen heen, sprong over een besneeuwd bloembed en gleed uit op een ijsbobbel, maar wist op de been te blijven. Sofia Kovic bevond zich vlak achter hem. Via zijn oortje hoorde hij dat ze de centrale waarschuwde dat er een explosie op de Rådhuskade was geweest.

Een man met een zwartgeblakerde, open wond in het gezicht doolde in het rond, een fles champagne in de hand. Een vrouw bij wie iets uit haar been stak, kwam hinkend op hem af.

Blix liep langs haar heen. Bloedende mensen lagen op de grond, kermend van de pijn. Anderen zaten half overeind, beduusd, met kapotgescheurde kleren. Een donkergrijs rookgordijn omhulde hen.

Hij bleef staan, niet zeker wetend waar hij moest beginnen.

Aan de rand van de kade lagen vier roerloze mensenlichamen. Hij rende erheen en knielde bij het eerste. Een jonge vrouw met blond haar. Een scherf was haar linkeroog binnengedrongen. Zijn vingers zochten in haar hals naar een hartslag, maar die vond hij niet. Hij ging verder naar een vrouw met verwondingen aan haar borst en buik; haar mond en haar ogen stonden wijd open. Ook bij haar vond hij geen hartslag.

Kovic had zich over een man in een grijze overjas gebogen. Ze keek op naar Blix en schudde haar hoofd.

Helemaal aan de rand van de steiger lag deels over een bolder een half verkoold lichaam. Een man, leek het. Hij vertoonde meer letsels dan de anderen. Zijn halve gezicht en grote delen van zijn bovenlichaam waren stukgereten, en er was geen reden om zijn hartslag of ademhaling te checken.

Vier doden.

De explosie had een grote krater in het asfalt geslagen. Op diverse plaatsen om hen heen brandden nog verschillende resten na de explosie. Op de radio werd gesproken over een bom; ze kregen opdracht te handelen als bij een terroristische aanslag.

Terrorisme, dacht Blix. Grote god.
Terrorisme, dacht Blix. Grote god.

Vlakbij hoorde hij een kreet en hij draaide zich om. Twee feestelijk geklede mannen wezen naar het donkere water. Daarin dreef een lichaam met gespreide armen en het gezicht naar beneden.

Blix rukte zijn oortje uit en ontdeed zich van zijn jas, opende de gordel met zijn uitrusting, liet die vallen en deed een laatste stap naar de rand, waarna hij in het water sprong. Hij had geen idee hoe koud dat zou zijn, maar toen hij door het wateroppervlak brak, voelde het alsof hij in een bassin van ijs verdween. Zijn gelaatsspieren gingen op slot. Een harde, koude band kwam om zijn hoofd te liggen. Het water drong onmiddellijk door zijn overhemd heen, zijn broek en laarzen in. Zijn borst snoerde dicht. Ook al deed hij nog zo zijn best, zijn armen en benen gehoorzaamden niet.

Dankzij de opwaartse kracht kwam hij weer boven, maar toen hij zijn hoofd uit het water stak, lukte het hem niet meteen om adem te halen, hij moest zijn uiterste best doen om zijn spieren te ontspannen.

Vanaf de kaderand hoorde hij iemand roepen: ‘Tien meter, schuin naar links.’ De stem van Kovic, die eraan toevoegde: ‘Wees voorzichtig!’

Blix haalde diep adem en probeerde te zwemmen, maar zijn lichaam was inmiddels erg zwaar geworden doordat zijn kleren het water hadden opgezogen en tegen zijn huid plakten. Door het koude water waren zijn bewegingen traag en inefficiënt, het was alsof hij bijna niet vooruitkwam. Tegelijkertijd trokken de zware laarzen hem naar beneden.

‘Nog vijf meter! Links van je!’

Blix maakte een paar grote slagen en stak zijn handen naar voren, probeerde een grijpbeweging te maken met zijn vingers die maar nauwelijks deden wat hij wilde. Kleren, een ijskoude, levenloze hand; Blix kreeg de persoon te pakken die zwaar op het wateroppervlak dreef. Hij probeerde het lichaam om te draaien, maar toen hij het half op de zij had, gleed het uit zijn handen. Door de inspanning zakte hij weer naar beneden. Hij slikte water in, hoestte, kuchte, spuugde; hij kon niets anders doen dan wachten tot zijn lijf stopte met protesteren, zodat hij zich weer op het ronddraaien van het levenloze lichaam kon concentreren.

Het was een vrouw.

Haar gezicht ging deels schuil onder donker, lang haar dat tegen de ernstig verbrande huid zat geplakt. Blix pakte haar onder haar oksels vast en trok haar met zich mee, naar de wal.

‘Hierheen!’ hoorde hij Kovic roepen. Hij keek om, zag zijn collega met een voet op een steigertrap staan, klaar hen omhoog te helpen. Bij elke zwemslag werd hij stijver en kouder. Hij spuugde en ademde, terwijl hij tegelijkertijd zijn uiterste best deed het hoofd van de vrouw boven water te houden. Achter hem deed Kovic nog een paar stappen naar beneden op de trap.

Zijn krachten lieten het bijna afweten.
Zijn krachten lieten het bijna afweten. Hij greep een traptrede vast, zodat hij zichzelf en de vrouw gemakkelijker dichterbij kon trekken. Het lukte hem zijn rechtervoet neer te zetten. Met een laatste krachtsinspanning hees hij het slappe lichaam omhoog, zodat Kovic de jaskraag kon vastpakken. Achter haar verschenen meer mensen om haar te helpen. Toen Blix de vrouw uiteindelijk kon loslaten, bleef hij een paar tellen aan de traptreden hangen. Hij hapte naar adem.

‘Heb je hulp nodig?’ hoorde hij Kovic roepen.

Blix hoestte een paar keer, schudde zijn hoofd en probeerde zichzelf omhoog te hijsen. Zijn benen gehoorzaamden echter niet, zijn armen waren stijf en ijskoud. Kovic deed opnieuw een stap naar beneden en greep Blix’ onderarm met beide handen vast. Iemand schoot haar te hulp. Samen trokken ze hem omhoog.

Op de wal ontfermde ambulancepersoneel zich al snel over de levenloze vrouw. Blix boog zich voorover en leunde met zijn handen op zijn knieën terwijl het water van hem af stroomde. Hiervoor was hij niet getraind. Absoluut niet. Normaal gesproken zat hij achter een bureau. Hij bezocht plaatsen delict en klopte bij getuigen op de deur. Het was bijna twintig jaar geleden dat hij in operationele dienst was geweest. Hij had zich vrijwillig gemeld om op oudejaarsavond te werken, zodat collega’s met kleine kinderen de jaarwisseling samen met het gezin konden vieren.

Hij proestte, rechtte zijn rug en merkte dat hij een bloedende snee aan zijn hand had.

Om hem heen knalde vuurwerk. Het geluid mengde zich met dat van sirenes. Kovic verscheen met een wollen kleed dat ze om hem heen sloeg. Naast haar stond een vrouw die Blix eerst niet herkende, maar naar wie hij probeerde te glimlachen toen hij zag wie het was.

‘Hallo, Emma,’ zei hij.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief