leesfragment

‘Saint X’ van Alexis Schaitkin

Wanneer Claire in een taxi stapt, gebeurt het ondenkbare. De chauffeur, Clive Richardson, werd jaren terug verdacht van de moord op haar oudere zus Alison op het vakantie-eiland Saint X. Vanaf dat moment raakt Claire geobsedeerd door de vraag wie haar zus was en wat er is gebeurd. Terwijl ze Clives vertrouwen probeert te winnen om hem te kunnen ontmaskeren, raakt ze juist steeds meer aan hem gehecht, verbonden door het drama dat ze beiden hebben meegemaakt.

De debuutroman van Alexis Schaitkin Saint X, is een spannend verhaal over verlies, obsessie en twee zussen die nooit de kans hebben gehad om elkaar echt te leren kennen. Lees hier alvast de eerste pagina’s.

Als je komt aanvliegen en dan onder de wolken door duikt, zie je de archipel ineens liggen; een momentopname van een kleurrijk vergezicht dat zich net zo plotseling aandient als een ijsklontje dat in warm water bliksemsnel smelt: de azuurblauwe zee, de smaragdgroene eilanden, afgebiesd met hagelwit zand; op een dag als vandaag vaart er misschien een rode tanker aan de rand van je blikveld.

Als je verder afdaalt, geeft het eiland zijn contouren prijs, zijn valleien en vlaktes en de conische vulkaantoppen, waarvan sommige nog actief zijn. Op Saba vind je Mount Scenery, je hebt Mount Liamuiga op Saint Kitts, Mount Pelée op Martinique, de Quill op Saint Eustatius, La Soufrière op Saint Lucia en ook een op Saint Vincent, La Grande Soufrière op Basse- Terre in Guadeloupe, Soufrière Hills op Montserrat, en Grande Soufrière op het nietige Dominica, dat niet minder dan negen vulkanen huisvest. Ze staan in een onheilspellende formatie gerangschikt: het alledaagse leven, schouder aan schouder met de immer aanwezige dreiging van natuurgeweld. (Op sommige eilanden dwarrelen op gezette dagen fijne, bleke asvlokken naar beneden, die op de met gras begroeide weiden en de boomkruinen blijven liggen.)

Grofweg in het hart van de archipel ligt een eiland dat ongeveer veertig kilometer lang is en twaalf kilometer breed. Het is plat, kaal, stoffig, bedekt met een dunne, droge aardkorst; het landschap wordt gedomineerd door ondiepe, zilte poelen en inheemse vegetatie die voornamelijk uit tropische struiken bestaat: stranddruif, cactussen, wilde plumeria’s. (Ook hier staat een vulkaan, Devil Hill, die echter dermate klein is en zijn magma zo zelden naar de oppervlakte stuwt, dat hij feitelijk geen bedreiging vormt en ook als bezienswaardigheid niets voorstelt.) Op het achttienduizend inwoners tellende eiland strijken jaarlijks ongeveer negentigduizend toeristen neer. Van bovenaf lijkt het eiland op een vuist waarvan een uitgestrekte vinger naar het westen wijst.

De noordzijde van het eiland grenst aan de Atlantische Oceaan. De kust is hier smal en rotsachtig, het peil van het soms woelige water wisselt per seizoen. Vrijwel alle mensen wonen aan deze kant, de meesten in de kleine hoofdstad, de Basin, waar uit betonblokken opgetrokken scholen, supermarkten en kerken tussen de pastelkleurige koloniale huizen zijn neergezet: het bloemblaadjesroze, in Georgian-stijl gebouwde landhuis van de gouverneur-generaal; het mintgroene gebouw van de nationale bank; de celestekleurige Koninklijke Gevangenis. (Een gevangenis pal naast de bank: een bij de plaatselijke bevolking geliefd ingrediënt van menige mop.) De stranden aan deze kant van de kust zijn vernoemd naar hun tekortkomingen: Salty Cove. Rocky Shoal. Manchineel Bay. Little Beach.

Aan de zuidzijde van het eiland spoelen de golven van de Caribische Zee aan op zand dat zo fijn is als poeder.
Aan de zuidzijde van het eiland spoelen de golven van de Caribische Zee aan op zand dat zo fijn is als poeder. De kust wordt hier gedomineerd door resorts. De Oasis, Salvation Point, de Grand Caribbee, en het kroonjuweel van het eiland, Indigo Bay, alle versierd met bougainvilles, hibiscus, en flamboyante, schitterende kunstbloemen die het eiland een weelderig, vruchtbaar aanzien moeten verschaffen.

Het eiland wordt omringd door diverse onbewoonde eilandjes, waarvan Carnival Cay, Tamarind Island en Fitzjohn (beroemd, in elk geval bij de plaatselijke bevolking, als broedplaats van de Fitzjohn-hagedis) de meest in het oog springende zijn. De eilandjes zijn populaire dagtochtbestemmingen: snorkelen, romantische picknicks, rondleidingen door de kalksteengrotten. Ironisch genoeg ligt het eilandje met de naam Faraway Cay het dichtst bij het hoofdeiland, ter hoogte van Indigo Bay nog geen vijfhonderd meter uit de kust. Te oordelen naar het parelmoerkleurige strand, de ongerepte natuur en de heldere waterval in het midden, zou het een minstens zo populaire bestemming moeten zijn als de overige eilandjes, als het niet volledig in bezit zou zijn genomen door wilde geiten, die zich in leven houden met zeepostelein en vijgencactussen.

De bezoekers van het eiland hebben weinig oog voor zijn geografie. De meesten zullen de contouren ervan desgevraagd niet kunnen natekenen. Ze zullen het niet kunnen aanwijzen op een kaart, het niet kunnen onderscheiden van alle andere kleine eilandjes in de zee tussen Florida en Venezuela. Als ze per taxi van het vliegveld naar hun hotel rijden, of van hun hotel naar een Caribisch fusionrestaurant, of als ze tegen zonsondergang aan boord stappen van de catamaran Faustina voor een tochtje, of in Hibiscus Harbour van hun cruiseschip stappen, of per speedboot naar Britannia Bay worden gebracht voor een rondleiding langs de oude suikerplantage, hebben ze geen flauw benul of ze zich in noordelijke, zuidelijke, oostelijke of westelijke richting voortbewegen. Het eiland ligt heerlijk anoniem in het glasheldere water.

Eenmaal thuis zijn alle namen snel weer vergeten. Ze herinneren zich de naam van het strand waar hun resort aan lag niet meer, of de naam van het eiland waar ze altijd gingen snorkelen. (Het strand daar was bezaaid met zanddollars, alsof die totaal niet zeldzaam zijn.) Ze vergeten hoe het restaurant heette waar ze zo graag kwamen en weten enkel nog dat het vernoemd was naar een of andere exotische bloem. Ze vergeten zelfs de naam van het eiland waar ze vakantie hebben gevierd.

Als je op Indigo Bay inzoomt, geeft het resort zijn details prijs. De lange oprit met kaarsrechte palmbomen, de met marmer beklede lobby met het zwevende koepeldak, het onoverdekte paviljoen waar elke ochtend tot tien uur ontbeten kan worden, de spa, het limaboonvormige zwembad, de fitness- en zakencentra (beide worden aangeduid met een naambord waarop centre staat; Amerikaanse gasten reageren altijd een beetje laconiek op deze Britsheid, die op een eiland dat zo ver van Engeland ligt nogal potsierlijk aandoet). De ligstoelen staan in een halve cirkel op het strand, parallel aan de contouren van de waterlijn; inheemse vrouwen installeren zich op een melkkrat onder een door de zon verschoten blauwe parasol en vlechten het haar van jonge meisjes in. Er hangt een klassiek tropische geur, plumeria, vermengd met de in de zonnebrandcrème verwerkte kokosnoot, en de milde ziltheid van de equatoriale zee.

Op het strand liggen gezinnen omringd door plastic schepjes, zwembandjes, onmogelijk kleine waterschoenen; stelletjes op huwelijksreis liggen in strandhuisjes dicht tegen elkaar aan; pensionado’s verslinden in de schaduw dikke thrillers. Ze hebben geen flauw idee van de ophanden zijnde gebeurtenissen, hier en nu, op Saint X anno 1995.

We schrijven het einde van de ochtend.
We schrijven het einde van de ochtend. Kijk. Er loopt een meisje over het strand. Haar tred is loom, alsof het haar totaal niet interesseert hoe laat ze op haar bestemming aankomt. Ze wordt al langslopend nagestaard: opzichtig door de jonge mannen, heimelijk door de heren op leeftijd, afgunstig door oudere vrouwen. (Ook zij zijn ooit achttien geweest.) Ze draagt een lang, wapperend gewaad over haar bikini, maar wel alsnog ietwat uitdagend, zoals het een tiener betaamt. Een gevlochten strandtas bungelt achteloos aan een van haar schouders. Ze draagt een zilveren kettinkje om haar enkel met een stervormig bedeltje eraan, en rubberen teenslippers aan lange kaarsrechte voeten. Haar roodbruine haar, donker en steil als van een paard, wordt met een geel haarelastiek bijeengehouden in een zorgvuldig nonchalante knot. Dit is Alison, dus nooit Ali.

‘Goedemorgen, slaapkop,’ zegt haar vader als ze hun ligstoelen heeft bereikt.

‘Mogge,’ zegt ze gapend.

‘Je hebt het cruiseschip gemist dat hier vlak voor onze neus langs kwam varen. Je kon de opvarenden van een enorme waterglijbaan aan dek af zien glijden,’ zegt haar moeder.

(Hoewel de gasten van Indigo Bay de gewoonte hebben te klagen zodra deze reusachtige schepen hun uitzicht komen bederven, ontlenen ze tegelijkertijd een zeker genoegen aan dat soort momenten waarop ze hun eigen superioriteit bevestigd zien door andermans wansmaak: zíj hebben er niet voor gekozen een vakantie vol platvloerse overdaad door te brengen op een schip met de uitstraling van een bedrijventerrein.)

‘Klinkt geweldig.’ Alison trekt een strandstoel onder de parasol vandaan en zet hem in de zon. Ze haalt een gele walkman uit haar strandtas. Ze gaat in de stoel liggen, zet de koptelefoon over haar oren en trekt de zonnebril over haar ogen.

‘Zullen we met z’n allen gaan zwemmen?’ vraagt haar vader.

Alison reageert niet. Ze doet niet alsof ze hem niet hoort omdat de muziek hem overstemt, denkt haar vader. Ze negeert hem gewoon.

‘Misschien moet iedereen eerst een beetje in de stemming komen,’ zegt haar moeder gemaakt opgewekt.

‘Hé, Clairey,’ zegt Alison. ‘Als ik ga schatgraven, neem ik een zeester voor je mee.’

‘Als ik ga schatgraven, neem ik een zeester voor je mee.’
Ze praat tegen het kleine meisje dat tussen de stoelen van haar vader en moeder in het zand zit, en met opperste concentratie het zand in kleine hoopjes veegt.

‘Als ik ga schatgraven, neem ik een zeester en een hond voor je mee,’ zegt het kleine meisje.

Haar verschijning is even opmerkelijk als die van haar zus mooi is. Ze heeft bijna wit haar, en haar huid is ongewoon licht van tint. Grijze ogen, bloedeloze lippen. Ze ziet er door deze mengeling van eigenschappen even schokkend als gewoontjes uit. Dit is Claire, zeven jaar oud. Clairey, zoals ze binnen het gezin wordt genoemd.

‘Als ik ga schatgraven, neem ik een zeester, een hond en een piccolo voor je mee.’

‘Een piccolo,’ fluistert Claire. Ze spert haar ogen verwachtingsvol open.

De vader wenkt een van de twee mannen die op het strand aan het werk zijn. Ze zijn allebei gebruind, en dragen een korte witte broek en een witte polo, voorzien van een borstzakje waarop met gouddraad het logo van het resort is geborduurd. De meeste gasten zullen hen in gedachten gemakshalve ‘de dikke’ en ‘de dunne’ noemen. De man die nu op het gezin afstapt is de dunne, Edwin.

Als hij hen is genaderd, gaat Alison rechtop zitten en fatsoeneert haar kapsel.

‘Jullie zijn al vroeg aan het genieten, zie ik,’ zegt hij.

‘Ja, heerlijk,’ zegt de moeder buitensporig enthousiast.

‘Jullie eerste keer op ons eiland?’

‘Ja,’ bevestigt de vader. ‘We zijn gisteravond geland.’

De winterse gezinsvakantie, in steeds een ander resort op een ander eiland, zal hen een week lang vrijwaren van hun ondergesneeuwde stoep die ze in de resterende donkere en koude maanden zullen moeten trotseren. Ze hebben ooit palmbomen gezien die zo krom waren gegroeid dat de kruinen het zand raakten. Ze hebben water zo helder als gletsjers gezien, en op boterzacht zand gelopen. Ze hebben aan het einde van de dag de zon zien veranderen in een enorme oranje dooier die in zee uit elkaar viel. Ze hebben ooit naar een met minuscule blauwe sterren bezaaide nachtelijke hemel gestaard.

‘Ons eiland laat zich voor u in elk geval vandaag van zijn beste kant zien.’
‘Ons eiland laat zich voor u in elk geval vandaag van zijn beste kant zien.’ Met zijn magere arm maakt hij een onbestemd gebaar richting de lucht, de zee. ‘Wat kan ik op deze mooie ochtend voor u betekenen?’

‘Twee rumpunches en twee vruchtenpunches,’ zegt de vader.

Alison slaakt een korte zucht.

De dunne komt even later terug. (Te laat, denkt de vader, zoals alle vaders op dit stuk strand; de dunne is een kletskous, en een lanterfanter.) Hij torst een dienblad met daarop met maraschinokersen en hibiscusbloemetjes versierde drankjes.

‘Er staat vanmiddag een volleybalwedstrijd op het programma,’ zegt hij. ‘We hopen dat jullie komen kijken.’

‘O, lieverd, echt iets voor jou!’ zegt de moeder tegen Alison.

Het meisje draait zich naar haar toe. Hoewel haar blik verscholen gaat achter een zonnebril, weet de moeder zeker dat haar dochter haar nu vernietigend aankijkt.

De dunne klapt in zijn handen. ‘Uitstekend! Mogen we ook op uw aanwezigheid rekenen, juffrouw?’

Het meisje zet haar zonnebril recht. ‘Misschien.’ (Ze heeft de laatste tijd een talent ontwikkeld om zelfs de meest onschadelijke boodschap een verwijtende ondertoon mee te geven. Dat is haar moeder niet ontgaan.)

‘Je ligt zeker liever in het zonnetje, of niet soms?’ zegt de man.

Alisons gezicht wordt knalrood.

De vader doet een greep in zijn portemonnee en vist een aantal biljetten uit de dikke stapel die hij gisteren bij de bank heeft opgenomen. (Was dat echt nog maar gisteren? Hij voelt de wonderbaarlijk verkwikkende werking van het eiland nu al.)

‘Dank u wel, meneer.’ De dunne steekt het geld in zijn broekzak en vervolgt zijn ronde over het strand.

‘Op het paradijs,’ zegt de vader.
‘Aardige jongen,’ zegt de vader.

‘Vriendelijk,’ bevestigt de moeder.

‘Nou?’ zegt de vader, en hij heft zijn glas.

De moeder glimlacht. Clairey tuurt aandachtig naar haar kers. Alison roert met gespeelde verveling in haar vruchtenpunch.

‘Op het paradijs,’ zegt de vader.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief