leesfragment

‘Schemervluchten’ van Helen Macdonald

0

Na het succesvolle De H is van havik publiceert Helen Macdonald een verrassende essaybundel over de natuur in al haar facetten: Schemervluchten.

Macdonald neemt de lezer mee op een persoonlijke reis: ze observeert de massale trek van zangvogels vanaf de top van het Empire State Building, ze spot tienduizenden kraanvogels in Hongarije en ze gaat op zoek naar de laatste wielewaal in de populierenbossen van Suffolk. 

Hieronder kun je alvast genieten van een van haar essays: Nesten.

Nesten

Als kind wilde ik bioloog worden. Daarom bouwde ik gestaag aan een natuurcollectie, die ik uitstalde op de vensterbanken en boekenplanken van mijn slaapkamer, als zichtbaar blijk van alle beetjes kennis die ik aan de bladzijdes van boeken had onttrokken. Er lagen gallen, veren, zaden, dennenappels, losse vleugels van vlinders zoals kleine vossen en dagpauwogen, afkomstig uit spinnenwebben; van dode vogels afgesneden vleugels, gespreid en op karton gespeld om te drogen; schedels van kleine dieren; braakballen – bosuil, kerkuil, torenvalk – en oude vogelnesten. Een daarvan was een vinkennest dat ik kon wiegen op de palm van mijn hand, een ding van paardenhaar en mos, plakjes bleek korstmos en uitgevallen duivenveren; ik had ook het nest van een zanglijster, geweven van stro en zachte twijgjes met een binnenkant van schilferende klei. Maar die nesten leken nooit goed te passen bij de rest van mijn dierbare verzameling. Dat kwam niet doordat ze het verglijden van de tijd tastbaar maakten, me deden denken aan vogels die hadden rondgevlogen, het leven in de dood. Dat soort gedachten ontwikkel je pas veel later in je leven. Het kwam deels doordat ze een emotie in me opriepen die ik niet kon duiden, maar vooral doordat ik het gevoel had dat ik ze eigenlijk helemaal niet in mijn bezit mocht hebben. Nesten waren bedoeld voor eieren, en eieren moest ik vooral niet verzamelen, wist ik. Zelfs wanneer ik op een halve witte schaal stuitte waarvan een duif strootjes had gepikt en die hij op een grasveld had laten vallen, hield een moreel gebod mijn hand tegen. Ik kon me er nooit toe zetten om zoiets mee naar huis te nemen.

In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw verzamelden natuurvorsers routinematig vogeleieren, en ook de meeste kinderen die in de jaren veertig en vijftig opgroeiden op het platteland deden dat. ‘We namen er uit elk nest maar één,’ vertelde een vriendin me verlegen. ‘Dat deed iedereen.’ Door een simpele speling van de geschiedenis beschikken mensen die twee decennia ouder zijn dan ik over bepaalde kennis van de natuur die bij mij ontbreekt. Veel van de mensen die in hun jeugd vogelnesten hebben geplunderd denken ‘kneu’ zodra ze een bosje gaspeldoorn zien en vragen zich onwillekeurig af of de vorig jaar geplante heg geschikt is voor het nest van een vink of een roodborstje. Ze leggen andere associaties dan ik wat betreft de manier waarop we het landschap met hoofd, oog, hart en hand opvatten. In mijn eigen geschiedenis van het platteland waren nesten er niet om gevonden te worden. Het waren zorgvuldig onderhouden blinde vlekken, zwartgelakte zinnen in bekende teksten. Desondanks oefenden ze toen ik nog heel jong was, een grote aantrekkingskracht op me uit. Voor kinderen wemelen bossen, velden en tuinen van de tastbare maar magische plekken: tunnels, holen en hutten waarin je je kunt verschuilen en veilig voelt. Als kind wist ik hoe het zat met die nesten. Het waren geheimen.

Ik volgde de vluchten van merels, mezen, lijsters en boomklevers door onze tuin.
Ik volgde de vluchten van merels, mezen, lijsters en boomklevers door onze tuin. En elke lente zorgden hun nesten er weer voor dat ik ‘thuis’ anders ervoer. Dat de aanwezigheid van die vogels condenseerde tot dat ene raakpunt, het nest, benauwde me. Vragen over het thema kwetsbaarheid drongen zich op aan mijn gedachten, ik vreesde voor roofzuchtige kraaien en katten, begon de tuin niet als een veilige maar als een gevaarlijke plek te beschouwen. Hoewel ik nooit naar nesten op zoek ging vond ik ze toch. Zat ik achter het keukenraam een kom Weetabix te eten, zag ik een heggenmus de forsythia in fladderen, een vogel zo klein als een muis, één en al veeg, vlek en gefluister. Ik wist dat ik moest wegkijken, maar hield schuldbewust mijn adem in en volgde de verdwenen vogel, omhoog en opzij via takjes naar zijn nest, aan de hand van de bijna onzichtbare beweging van bladeren. Vervolgens zag ik een waas van vleugels wanneer de vogel de heg uit schoot en vertrok. En zodra ik had vastgesteld waar het nest zat en zag dat de ouders weg waren, moest ik er meer van weten. De meeste nesten die ik ontdekte bevonden zich boven mijn hoofd, dus dan bracht ik een hand omhoog en kromde mijn vingers tot de toppen iets raakten, soms warme, glanzende gladheid. Of de ondraaglijke kwetsbaarheid van klein vlees. Ik wist dat ik een indringer was. Nesten waren als blauwe plekken; mijns ondanks moest ik ze aanraken, terwijl ik ze liever kwijt dan rijk was. Ze brachten alles wat vogels voor me betekenden aan het wankelen. Ik hield vooral van vogels omdat ze vrij leken te zijn. Bespeurden ze gevaar, een valstrik, enige vorm van onraad, dan konden ze wegvliegen. Als ik naar ze keek was het alsof ik hun vrijheid deelde. Maar nesten en eieren pinden vogels vast. Ze werden er kwetsbaar van.

In de oude vogelboeken die in mijn kindertijd zij aan zij op de planken stonden werden nesten omschreven als ‘vogelhuizen’. Dat vond ik verwarrend. Hoe kon een nest nou een huis zijn? Destijds waren huizen in mijn beleving vaste, blijvende, betrouwbare toevluchtsoorden. Nesten waren anders; het waren seizoensgebonden geheimen om te gebruiken en te verlaten. Maar vogels zetten mijn opvatting over de betekenis van ‘huis’ op nog allerlei andere manieren op losse schroeven. Sommige brachten het jaar op zee door, of waren voortdurend in de lucht en voelden alleen aarde of gesteente onder hun poten als ze nesten maakten en eieren legden, die ze aan het land bonden. Dat maakte het allemaal alleen maar nóg mysterieuzer. Het was een verhaal over de manier waarop levens zouden moeten verlopen, dat ergens leek op – maar toch heel anders was dan – het verhaal dat mij als kind was verteld. Je groeit op, trouwt, krijgt een huis, krijgt kinderen. Ik wist niet waar in dit plaatje de vogels thuishoorden. Ik wist niet waar ik thuishoorde. Het was een verhaal dat me zelfs toen al van mijn stuk bracht.

Tegenwoordig heb ik een andere opvatting over ‘thuis’.
Tegenwoordig heb ik een andere opvatting over ‘thuis’: het is een plek die je met je meedraagt, niet per se één vaste locatie. Misschien hebben de vogels me dat bijgebracht, of hebben ze me op weg geholpen. Sommige vogelnesten zijn een vorm van thuis omdat ze een onlosmakelijk geheel vormen met de vogels waardoor ze worden gemaakt. Roeken vormen een roekenkolonie: vogels van veren en botjes, maar ook de verspreide bouwsels van takkenbossen die ze in februari in de bomen maken. Huiszwaluwen die ’s zomers vanuit de ingang van hun gevelnesten naar buiten turen zijn organismen met vleugels, snavels en ogen, maar vertegenwoordigen ook complete bouwsels van verzamelde modder. Toch lijken sommige vogelnesten zo ver af te staan van het begrip ‘nest’ dat het woord vervaagt en bijna op drift raakt. Zo heb je nesten die zijn gevormd uit stukjes oud gesteente, botjes en hard geworden vogelpoep, waarbij een overhang voor schaduw zorgt. Een ander nest heeft de vorm van een vlot van planten dat stijgt en daalt met eb en vloed. En nog weer een ander is een donker hol onder dakpannen waar je kunt rondscharrelen op je muizenpoten en waar je je vleugels meezeult als gevederde, staalkleurige bladeren. Slechtvalk. Fuut. Gierzwaluw.

Nesten fascineren me steeds meer. De laatste tijd vraag ik me af waarom ze de ene soort entiteit zijn als er eieren in liggen en een heel andere als ze kuikens bevatten. Waarom nesten en eieren goede onderwerpen zijn om over na te denken als we stilstaan bij het idee van individualiteit en de begrippen ‘identiek’, ‘anders’ en ‘reeks’. Waarom de vorm van een nest deel uitmaakt van het fenotype van een specifieke vogelsoort, maar waarom lokale omstandigheden tot prachtige eigenaardigheden kunnen leiden. Waarom wij mensen geïntrigeerd zijn door vogels die nesten van onze spullen bouwen: Mexicaanse roodmussen die hun nest bekleden met sigarettenpeuken, Bullocks troepialen die nesten maken van garen, wouwen die hun horst verfraaien met ondergoed dat ze van waslijnen hebben gestolen. Een vriend van me heeft weleens een nest van een rosse ruigpootbuizerd aangetroffen dat bijna volledig uit stukjes ijzerdraad bestond. Het heeft iets bevredigends om te mijmeren over de inlijving van menselijk afval in vogelcreaties, maar ook iets verontrustends. Wat maken zij van wat wij van deze wereld maken? Onze wereld doorsnijdt die van hen, en op een merkwaardige manier delen we onze woongebieden. We worden al heel lang blij van vogels die op ongebruikelijke plekken nestelen. Prachtig vinden we het, een roodborstje dat jongen grootbrengt in een oude theepot, een vrouwtjesmerel die roerloos op een nest boven op een stoplicht zit; het zijn nesten die iets van hoop in zich dragen, want de vogels gebruiken onze spullen voor hun eigen doeleinden, maken onze technologieën overbodig, trager, statisch, geven er een betekenis aan die niet meer geheel de onze is.

Maar zo zijn nesten.
Maar zo zijn nesten. Hun betekenis is altijd samengesteld uit dingen die deels vogel en deels mens zijn, en terwijl de kom of wand van een nest wordt opgetrokken dringen zich vragen over ons eigen leven aan ons op. Maken vogels net als wij plannen, denken ze zoals wij, weten ze echt hoe ze knopen moeten leggen of de ene na de andere snavel vol modder moeten aanvoeren, of gebeurt dat allemaal instinctief? Begint het bouwsel dat ze maken met een of andere abstracte vorm, een beeld in hun kop op basis waarvan de vogels plannen, in plaats van dat ze bij elke handeling denken: zo, laat ik dit hier eens aanbrengen? Zulke vragen houden ons bezig. Wij maken dingen volgens een plan, maar weten ook allemaal instinctief waar dit of dat hoort. We voelen het aan wanneer we spullen op een schouw of meubels in een kamer neerzetten. Kunstenaars voelen het aan wanneer ze een collage of een beeldhouwwerk maken, wanneer ze pigment op een oppervlak aanbrengen in de wetenschap dat zo’n veeg donkere verf juist op die ene plek de boel in evenwicht brengt dan wel verstoort, bezien in relatie tot andere onderdelen van het tafereel. Wat is dat in ons? Het verschil tussen vaardigheid en instinct intrigeert ons, zoals we ook scherp de verschillen tussen kunst en kunstnijverheid in de gaten houden. Als we zo opgetogen zijn wanneer een zeekoet pigment op de ronddraaiende schaal van haar ei spettert voordat ze het legt, met tot gevolg een dynamisch druipeffect dat in zijn uitbundigheid en details doet denken aan de schilderijen van de abstract-expressionisten, wat zegt dat dan over ons? Ik moet denken aan de verzamelwoede die zich soms manifesteert bij miljardairs die De Koonings en Pollocks hamsteren, en dan weer bij handelaren die margarinebakjes vol schitterend gespikkelde eieren van grauwe klauwieren onder bedden en vloerplanken verstoppen.

We zien onze eigen opvatting over ‘thuis’ en ‘gezin’ weerspiegeld in de dieren om ons heen; we constateren, overpeinzen en concluderen, en bewijzen dat onze aannames correct zijn aan de hand van een samenstel van takjes, modder, schalen en gevederde spiegels. Ook in de wetenschap nemen de vragen die we stellen doorgaans zo’n vorm aan. Ik denk aan de uitstekende reputatie van Niko Tinbergen op het vlak van de ethologie, en herinner me ook zijn geduldige aandacht voor de manier waarop geritualiseerde gebaren agressie konden laten wegvloeien uit kolonies broedende meeuwen en het verband tussen dat verschijnsel en zijn getob over de relatie tussen overbevolkte steden en menselijk geweld. Ik denk aan de jonge Julian Huxley die, helemaal in de war van zijn ontluikende seksualiteit, op een lentedag getuige was van het baltsgedrag van futen en begon te mijmeren over wederzijdse seksuele selectie en geritualiseerd gedrag. En in Henry Eliot Howards werk over vogelgedrag bespeur ik zijn angst voor het huwelijk, destijds in het interbellum; hij breekt zich het hoofd over het begrip territorium, over nestelen, niet-monogame copulatie, en wil wanhopig graag begrijpen waarom bepaalde vrouwtjes seksuele aantrekkingskracht uitoefenen om mannetjes van hun vaste partner weg te lokken. En ook in de literatuur, overal. Broedvogels die het Engelse klassenonderscheid overnemen in Arthur, de koning van eens en ooit van T.H. White, waarin kliffen aan de kust vol alken en drieteenmeeuwen lijken op ‘een immense menigte viswijven op de grootste tribune ter wereld’ en zinnen slaken zoals ‘Zit me hoedje nog goed?’ en ‘Tjemig, dat is niet eerlijk!’, terwijl bij diezelfde White vluchten aristocratische kleine rietganzen hoog boven het gepeupel noordwaarts trekken onder het zingen van Scandinavische sagen waarin ganzen een hoofdrol spelen.

De meesten jagen met windhonden.
Vrienden van me die zijn opgegroeid in kleine plattelandsgemeenschappen hebben meestal weinig op met de geldende regels voor natuurbeleving en de wetten waarmee ze worden gehandhaafd. De meesten jagen met windhonden. Sommigen zijn stropers. Anderen hebben in het verleden eieren geraapt. Weer anderen doen dat waarschijnlijk nog steeds, al hoor ik daar niets over. De meesten beschikken over beperkt financieel of sociaal kapitaal, en de claim die ze op het hen omringende landschap leggen is dan ook veel vaker gebaseerd op kennis van de plaatselijke omgeving dan op landbezit. Het verzamelen van eieren in deze traditie zet me aan het denken over begrippen zoals eigenaarschap, investeringen en recreatiemogelijkheden in de natuur voor armlastige gemeenschappen. Het doet me denken aan Billy, de jongen uit Kes van Barry Hines die niet wil voetballen, die niet in de mijnen wil werken, die alle hem voorgehouden toonbeelden van mannelijkheid verwerpt. Hoeveel kans om tederheid te ervaren heeft hij? Hij aait een nestje babylijsters over hun rug. Hij houdt een torenvalk waar hij dol op is. Op welke soorten schoonheid kan iemand aanspraak maken? Als je een grootgrondbezitter bent krijg je het complete pakket: een lucht die oogt als moiré, de hagen, het vee, alles. Maar als je een fabrieksarbeider bent? Daar zit ’m de kneep. Eieren verzamelen vereist vaardigheid, moed in het groen, met vallen en opstaan opgedane kennis van de natuur. Voor wie van verstilde schoonheid houdt kan het een obsessie worden. Het is een bezigheid waarmee de tijd wordt stilgezet. Verzamelaars eigenen zich de macht toe om nieuwe levens en nieuwe generaties te dwarsbomen. En eieren verzamelen is ook, tegelijkertijd, een middelvinger naar de elite met al haar regels over wat wel en wat geen fatsoenlijke relatie tot de natuur is.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werd eieren verzamelen in kringen van natuurhistorici als iets bijzonder treurigs beschouwd. Destijds kregen Britse vogels nieuwe betekenissen. Ze waren het wezen der natie, datgene waarvoor we vochten. In dat milieu bracht men de zeldzaamheid van soorten die op Brits grondgebied onder druk stonden, zoals kluten, kleine plevieren en visarenden, in verband met het bedreigde vaderland. Daarom stond in die kringen het stelen van eieren gelijk aan hoogverraad. En de vogels beschermen tegen de plunderingen van verzamelaars vertoonde overeenkomsten met militaire dienst. In talloze boeken en films uit die periode geven gewonde militairen die op het slagveld hun moed hebben getoond vervolgens blijk van hun patriottisme door zeldzame vogels te beschermen die proberen hun kroost groot te brengen. Zo is het bedreigde nest in The Awl Birds van J.K. Stanford uit 1949 dat van een stel kluten, terwijl het om een exemplaar van kleine plevieren gaat in Adventure Lit Their Star van Kenneth Allsop, uit hetzelfde jaar. Wetenschapshistoricus Sophia Davis schrijft dat de schurken in deze boeken eierverzamelaars zijn, die steevast worden aangeduid als ‘geteisem’ en ‘een bedreiging voor Engeland’, en dat de nesten op de betreffende bladzijden worden bewaakt door helden wie het lot der natie na aan het hart ligt. Bewakers van eieren die in groepsverband de nesten van zeldzame vogels in de gaten hielden waren een heuse erfenis van de oorlog. Na een verblijf van jaren in een Duits krijgsgevangenenkamp hield ornitholoog George Waterston samen met zijn collega’s het eerste Schotse visarendennest sinds een halve eeuw in de gaten via de telescoopviziers van hun geweren. En in de jaren vijftig schreef J.K. Stanford over zijn eigen ervaringen met het bewaken van kluten. ‘Koortsig van de stiekeme sfeer,’ memoreert hij, ‘zaten we daar tot lang na zonsondergang, op alles voorbereid, zelfs op een amfibische overval door gewapende oölogen.’ Eierverzamelaars worden tegenwoordig meestal gezien als hopeloos verslaafde figuren, die ook nog eens last hebben van een groot gebrek aan ethiek. Dergelijke typeringen waren in kringen binnen de naoorlogse ornithologie diep ingedaald als staatsgevaarlijk.

Eieren en oorlog; bezit, hoop en thuis.
Eieren en oorlog; bezit, hoop en thuis. In de jaren negentig, lang nadat mijn natuurhistorische verzameling uiteen was gevallen en het huis van mijn jeugd was verdwenen, werkte ik in een valkenfokkerij in Wales. In één vertrek stonden rijen kostbare broedmachines met valkeneieren erin. De schalen achter het glas hadden de vaalbruine tinten van wal noten, theevlekken en uienschillen. Het was vóór de komst van nieuwere broedmachines, die de druk van een broedplek nabootsen met een plastic zak vol warme lucht. Dit waren broedmachines waarin warme lucht langs eieren op rekjes van ijzerdraad werd geblazen. We wogen de eieren elke dag, en als het embryo binnen afzienbare tijd zou uitkomen gingen we het schouwen; we plaatsten het ei op een lampje en trokken de vormen van de schaduw die afstak tegen de heldere luchtkamer na met een zacht potlood, zodat de schaal in de loop van een paar dagen een reeks kringen te zien gaf die op getijdenbewegingen of ver uit elkaar liggende jaarringen leken. Om de een of andere reden verliet ik de broedkamer altijd met een zekere spanning, een vaag, verontrustend gevoel van duizeligheid. Het gevoel kwam me bekend voor, maar ik kon het niet duiden. Uiteindelijk, op een regenachtige zondagmiddag, kwam ik erachter wat het was. Bladerend in de fotoalbums van mijn ouders stuitte ik op een foto van mij een paar dagen na mijn geboorte: een broos, mager wezentje in een zee van fel kunstlicht met om één arm een polsbandje van het ziekenhuis. Ik lag in een couveuse omdat ik extreem prematuur was. Mijn tweelingbroer had zijn geboorte niet overleefd. En dat vroege verlies, gevolgd door weken waarin ik in m’n eentje op een deken in een perspex kist in wit licht had gelegen, had iets met me gedaan wat weerklonk in die ruimte vol eieren op bewegende ijzerdraadrekjes in kasten met vochtige, warme lucht. Nu kon ik dat beklemmende gevoel benoemen. Het was eenzaamheid.

Op dat moment werd ik me bewust van het bijzondere vermogen van eieren om ons te laten nadenken over menselijk lijden en leed. Daarom, zo besefte ik, voelde ik me als kind zo ongemakkelijk bij de nesten uit mijn verzameling; ze voerden me terug naar een periode in mijn leven waarin het bestaan niets anders inhield dan het doorstaan van isolement. En toen. En toen kwam er een dag. Een dag waarop ik, tamelijk onverwachts, ontdekte dat een kuiken dat elk moment uit zo’n roofvogelei kon komen reageerde wanneer ik mijn mond dicht bij het ei hield en zachtjes met mijn tong klakte. En daar stond ik dan, in dat vertrek met zijn klimaatbeheersing. Ik sprak door de schaal heen met iets wat nog geen licht of lucht had ervaren, maar dat weldra met honderd kilometer per uur in één ontspannen glijvlucht zou meegaan met de door hem waargenomen draaiingen en kolken van een westelijke bries en de wolk rond een heuvel, om vervolgens met scherp gepunte vleugels te gaan rondcirkelen, hoger en hoger, zo hoog dat het in de verte de Atlantische Oceaan kon zien schitteren. Ik sprak door een eierschaal heen en huilde.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief