leesfragment

‘Six stories’ van Matt Wesolowski

0

Een unieke thriller: een misdaadverhaal in podcastvorm. Elk interview zorgt voor een nieuwe aanwijzing in de zaak en terwijl je de verschillende getuigenissen leest, word je gedwongen zelf uit te vinden hoe Tom stierf. Wie liegt? Wie kun je vertrouwen?

Nieuwsgierig? Lees hier alvast een fragment van Six stories, een thriller van Matt Wesolowski.

Scarclaw Fell

2017

Ik herken dit stuk bos. Het feit dat ik het herken, doet me deugd, geeft me het gevoel dat ik iets bereikt heb. Hoe vaker ik hier kom, hoe beter ik ermee bekend raak. De bomen die met hun vertrouwde, misprijzende blik op me neerkijken.

De eerste keer dat ik hier kwam, raakte ik erdoor overweldigd. Het was een groot geheel; chaos. Het kon op geen enkele manier op orde worden gebracht. Het bos springt als het ware vanuit het duister op je af; de bomen afgeladen met krassende, etende vogels, de gebogen varens die lui tegen je schenen slaan als je langsloopt.

Ik vroeg me aanvankelijk af of ik er bulldozers op los moest laten, zodat alles zou worden weggevaagd, net als pa bij het Woodlands Centrum had gedaan. Maar nu ben ik blij dat ik daarvan af heb gezien. Op een eigenaardige manier wordt het bos steeds mooier. Deze gedachte geeft me een akelig, beklemd gevoel; zo zou ik niet moeten denken. Het hoort niet. Maar de kleine spinnenwebben met elk een enkele regendrup erin en de gaspeldoorns her en der verspreid over de hoogvlakte bewijzen het tegendeel.

Er huist iets magisch tussen de bomen.

Ik leer op mijn eigen manier dit land te begrijpen. De volslagen onverschilligheid tegenover iedereen die er woont. Evenals de rest van ons bevindt het bos zich in de schaduw van de hoogvlakte, die in de verte oprijst als een rollende golf van steentjes, voorzien van een schuimkop van wolken.

Scarclaw Fell. Het zou zo uit Game of Thrones kunnen komen.

Ik blijf staan in een open stuk tussen de bomen.
Ik blijf staan in een open stuk tussen de bomen. Ik heb tien minuten gewandeld en kan het gebouw achter me nauwelijks meer zien.

Pa was dolblij toen hij het huis eindelijk mocht bouwen op de plek waar ooit het Scarclaw Fell Woodlands Centrum had gestaan. Bij de voordeur hangt een koperen plaat. Ik heb me met hand en tand verzet tegen de naam die pa had verzonnen: het Jachthuis. Het klinkt zo… truttig. Ik denk dat hij alles wat zich hier heeft afgespeeld wilde uitwissen.

Pa vulde de boekenkasten van het Jachthuis met oude, in leer gebonden boeken. Iets wat de toeristen mooi zouden vinden, maar ik betwijfel of ze er ooit een hebben gelezen. Ik heb ze onlangs bekeken. De bladzijden zijn dik, met de kleur van vergeelde oude botten. De geur van pijptabak komt je tegemoet als je een boek openslaat, als een geest uit het verleden.

Dat doe ik daar: jagen op oude geesten; het verleden oprakelen; nadenken.

Ik vraag me soms af wie ik ben, welke rol ik in al die ellende heb gespeeld. Ben ik, Harry Saint Clement-Ramsay, een soort dr. Frankenstein die de doden uit de aarde opgraaft om oude wonden te helen? Had ik wel moeten toestemmen met een interview?

Had ik de doden wel moeten wekken? Zullen mijn woorden de vrede verstoren die na twintig jaar eindelijk op Scarclaw Fell was neergedaald?

***

Hij had een masker op.

Een wit geval, waarvan de wangen en neus van bleek plastic onder de kap uitstaken. Het voorhoofd was zo rond als een schedel.

Het had komisch moeten zijn. Zoals de maskers die de ellendelingen dragen als ze tegen de multinationals ageren. Maar ik vond het griezelig.

We zagen hem vanuit de beveiligingskamer naar de poort van Mayberry Estate rijden. We hadden de maandenlange stroom e-mails geprint, waarin hij smeekte, bedelde en beloften deed. Ik had een Hummer verwacht, met geblindeerde ramen en zo. Hij was per slot van rekening een internetberoemdheid, toch?

De Ford Ka met een lading geplette insecten op de motorkap was dan ook het laatste waarin we hem hadden verwacht. Tomo belde me. Ik nam op en liet de telefoon aanstaan. Ik stopte hem in mijn zak. Tomo zette hem op de luidspreker. Dat hadden we geoefend. De geheime code was: ben je nog langs de boerderijwinkel geweest? Niet bijster origineel, maar zodra ik dat had gezegd, zouden de jongens binnen een minuut vanuit de beveiligingskamer bij het hek zijn.

Wacht tot hij dichterbij is, dacht ik.
Wacht tot hij dichterbij is, dacht ik, terwijl ik me ondertussen afvroeg of ik er wel mee door moest gaan. Als de jongens niet in de buurt waren geweest en paraat waren, dan weet ik niet wat er gebeurd zou zijn. Misschien had ik me wel teruggetrokken, de aftocht geblazen.

Hij had me gewaarschuwd dat hij het masker zou dragen. Toen ik hem googelde, las ik erover en snapte ik enigszins waarom hij het ophad. Maar toen hij de auto uitstapte, begon ik nog meer te twijfelen. Ik had me bijna omgedraaid om het hek te sluiten. Als hij zelfs zijn gezicht niet wilde laten zien… Hij had iedereen wel kunnen zijn.

Ik denk dat dat de bedoeling was.

Ik was bang. Maar dat mocht hij niet merken. Justin had een jachtgeweer, al had ik geen idee of het geladen was. Tomo had een mes, vers uit de verpakking en vlijmscherp. Ze zouden me beschermen. Maar ergens leek het wel alsof ze de herinnering aan die nacht van twintig jaar geleden wilden veiligstellen. De herinnering aan wat we hadden gezien. De herinnering aan wat we hadden ontdekt.

De kerel met het masker stapte uit en iemand die ik niet als mezelf herkende liep naar hem toe en gaf hem een hand. Die persoon vertoonde geen angst. Ik meende zelfs een glimlach in zijn stem te bespeuren.

Voor hetzelfde geld trok hij rare gezichten, keek hij boos, vloekte hij woordeloos, haatte hij me hartgrondig van achter dat masker. Ik zou het nooit weten.

Hij bedankte me. We stapten in mijn auto. Hij bevestigde een microfoontje aan een van mijn revers en startte de opname.

Toen gingen we praten.

***

Ik blijf in de open ruimte in het bos staan en schenk thee in de beker van de thermosfles. Alles is nat en ik wil niet gaan zitten. Het is natuurlijk een cliché, maar niemand neemt ooit eens de moeite om naar de stilte te luisteren, of wel? Als ik hier ben, onder de takken, luister ik wel. Toen ik hier pas kwam, had ik oortjes bij me. Er zat er een in mijn rechteroor, maar het andere bleef ongebruikt.

Het is niet stil in het bos, niet echt.
Het is niet stil in het bos, niet echt. Als je goed luistert, dan hoor je van alles: geritsel en gekwetter. Als het regent, lijkt het geruis van de bladeren op een kakofonie van groene tongen en ’s ochtends is het verontwaardigde getier van de vogels bijna komisch te noemen.

Ik ga ’s nachts niet meer naar het bos. Al een hele tijd niet meer.

De laatste keer dat ik hier in het donker heb rondgewandeld, is bijna twintig jaar geleden. Ik was toen samen met Jus en Tomo. Op die avond troffen we hém aan. Die jongen. Op de plek waar het bos minder dichtbegroeid is, bij de kale heuvel, waar het pad een grote modderpoel is.

Ik vind de stilte maar niets, want als ze valt, dan zie ik het allemaal weer voor me.

Het is al bijna twintig jaar geleden, maar wat er die avond is voorgevallen, wat we daar ontdekt hebben, dat staat me nog altijd heel helder voor de geest.

De man met het masker zei dat hij het begreep, zei dat hij begreep dat sommige geesten nooit rust vinden. Ik denk dat het toen pas goed tot mij doordrong, en tot pa. Het zou misschien helpen, zei hij, als ik hem vertelde wat er gebeurd was.

Helpen.

Dat woord zou ik nooit met ons in verband hebben gebracht. Mensen geloofden niet dat de Saint Clement-Ramsays hulp nodig hadden. We hadden geld, dus ging het voor ons niet op. Rijke mensen hebben geen hulp nodig.

Twintig jaar geleden stond het Scarclaw Fell Woodlands Centrum er nog. Van het Jachthuis was zelfs nog geen sprake. Alles – het bos, de heuvel, het Woodlands Centrum – was van pa. En de toiletten en de douches werkten nog, dus konden ze onze rug op, vonden Tomo, Jus en ik. We lieten de auto’s in de plassen op het weggetje naar het gebouw staan.

In die tijd was het Woodlands Centrum een spuuglelijk vierkant jarenzeventiggeval, met veel mdf en linoleum. Er hing een speciale geur: stoom, aarde, warme regenjassen; en in de keuken rook het naar vegetarische worstjes en gebakken eieren. Bij de deuren bevond zich een spoor van modderige afdrukken van regenlaarzen. Er stonden vouwstoelen, er hingen spinnenwebben in de hoeken en de gietijzeren radiatoren waren geschilderd. Iemand – de padvinders, een van de groepen die bijeenkwamen in het Woodlands Centrum – had van crêpepapier een bordje voor op de muur gemaakt met: LAAT ALLEEN JE SCHOENAFDRUKKEN ACHTER EN NEEM JE VUILNIS MEE NAAR HUIS. Met eronder een glimlachende das. Een van zijn ogen was met een zwarte pen doorgekrast.

Was het maar zo gegaan.
Eerlijk gezegd was het nu niet bepaald leuk, die eerste dag in augustus 1997. Jus, Tomo en ik waren alle drie een jaar of eenentwintig, tweeëntwintig. Het regende pijpenstelen, dus zaten we de godganse middag met z’n drieën in het langwerpige eetgedeelte bier te drinken en monopoly te spelen. We werden behoorlijk lazarus en irriteerden elkaar mateloos. We hadden trek, maar we hadden geen zin om te koken en van chips met een dipsaus raak je niet verzadigd. We waren een stel oerdomme stadsjongens. Er waren geen snackbars in de buurt en geen van ons was nuchter genoeg om naar het dorp te rijden of op zoek te gaan naar een benzinestation. Jus kwam met een fles oude whisky aanzetten. Dat hield in dat we zouden blijven zuipen totdat we er misselijk van werden, tegen negen uur in slaap zouden vallen, en het geruis en geknisper van de bomen onze dromen zouden verstoren terwijl we lagen te ronken.

Was het maar zo gegaan.

***

Ik drink de thee op en gooi de theeblaadjes in het kreupelhout. De ochtend breekt aan en de opkomende zon verlicht het bos. Ik duik de beschutting van takken en braamstruiken in en wurm me ertussendoor. Zo was het toen ook gegaan, we hadden het pad verlaten. We waren zo dronken en alles was zo natgeregend dat we het pad niet meer konden vinden.

Ik kijk nog eens achterom en zie nog steeds het verlichte raam van het Jachthuis. Ik probeer me voor te stellen hoe het Woodlands Centrum toen op die jongen overkwam. Zo was hij destijds in 1996 aan komen lopen, door de takken. Het zal er toen niet veel anders hebben uitgezien: een verlicht raam, de belofte van warmte en onderdak.

Ik worstel me door het bos. Je moet pas goed opletten waar je loopt als de grond omhooggaat. Dat is nu duidelijk te zien, maar toentertijd niet. Hier kwamen ze in 1996 terug, daar ben ik van overtuigd: een paar kilometer ten noordwesten van het Jachthuis (of het Woodlands Centrum zoals het toen heette) kronkelt een natuurlijk pad tussen de bomen door. Ik volg het.

Tijdens de wandeling komt er een nostalgisch gevoel bij me naar boven drijven, een verlangen. Alsof ik het me ergens kan herinneren.

Alsof ik nu deel uitmaak van alles wat hier is voorgevallen.

Wat op een bepaalde manier ook zo is.

Aflevering 1: Dolers

– Pa kocht het land hier net voordat… voordat hét gebeurde. Echt maar een paar weken daarvoor.

Toen kwam dus die klotezooi.
Toen kwam dus die klotezooi.

O, sorry, mag ik tijdens de opname wel vloeken?

Dit is de stem van Harry Saint Clement-Ramsay. Harry is de zoon van lord Ramsay, de eigenaar van het land rondom Scarclaw Fell. Tevens eigenaar van de hoogvlakte.

Scarclaw Fell; voor diegenen die oud genoeg zijn en het zich kunnen herinneren, heeft deze naam een bepaalde betekenis.

Die betekenis is tegenwoordig grotendeels vergeten.

Dat ik Harry persoonlijk kon spreken, is een enorme doorbraak. De Ramsay-erven hebben al die maanden niet gereageerd op mijn e-mails en brieven. Ik dacht dat we het konden vergeten. Zonder Harry zou deze podcast niets voorstellen; dan zou het niets meer zijn dan speculaties over wat er die dag in 1996 is gebeurd. Een hark die door de verdroogde aarde van een oud graf wordt gehaald.

Het is nu twintig jaar na de gebeurtenis en de Ramsays hebben zich er nooit over uitgelaten.

Tot nu toe.

In pak en laarzen, met rode wangen en een sportief figuur, ziet Harry eruit als iemand uit een goede familie. Hij is vriendelijk, maar op zijn hoede. Hij doet me denken aan een politicus die net voor een verkiezing het plebs bezoekt. Elk woord wordt zorgvuldig afgewogen.

Wat Scarclaw Fell betreft, geeft Harry ontwijkende antwoorden, hij let goed op wat hij zegt. En eerlijk gezegd kan ik hem dat niet kwalijk nemen.

– Ik denk dat pa alle oude tunnels – de mijnschachten en zo  – wilde volstorten. En het vervolgens wilde verkopen aan een projectontwikkelaar, weet je wel? Om er blokhutten op te zetten voor bijvoorbeeld visvakanties. Maar ik neem aan dat het te veel werk was. En na wat er gebeurde, was de aandrang gewoon… verdwenen. In de hoogvlakte bevindt zich een heel gangenstelsel, met scheuren en verborgen gaten. En dan zijn er ook nog het veen en het moeras en dingen waar ze… waar wíj… nou ja. Het is enorm gevaarlijk. Geen idee waarom ze daar überhaupt waren. Je gaat daar toch niet voor de lol naartoe?

Voor de gebeurtenissen in 1996 was Scarclaw Fell niet erg bekend. Tegenwoordig is de naam weer in vergetelheid geraakt, ondanks de bijna beroemde foto op de cover van The Times, waarop door de wolken in een waas van Engelse miezerregen de op een haak lijkende piek is te zien. De meeste mensen kennen de naam Tom Jeffries ook niet meer.

Misschien staat dat op het punt te veranderen.
Misschien staat dat op het punt te veranderen.

– Ik vraag me soms af of het anders had kunnen gaan. Als pa de aannemer een uur eerder had gebeld, zouden ze het gebouw gesloopt hebben en de hekken hebben gerepareerd. De bordjes hadden er dan voor gezorgd dat mensen er niet meer in konden, en dan was dit alles niet gebeurd. Een uur later had pa dan gezegd: ‘Sorry, het maakt niet uit dat u al heel lang geleden hebt geboekt, het is nu eenmaal veranderd.’ En dan was het daarbij gebleven en zou ik nu niet met je praten.

Een uur maar, en nu is die jongen gestorven.

Voorover in het moeras. Iemands zoon, iemands kleinzoon.

Hij was pas vijftien, toch?

Jezus.

***

Welkom bij Six stories. Ik ben Scott King.

In de komende zes weken nemen we de vreselijke gebeurtenis onder de loep die in 1996 op Scarclaw Fell heeft plaatsgevonden. We bekijken het van zes verschillende kanten; en zien door zes paar ogen wat er is voorgevallen.

En daarna is het, zoals altijd, aan jullie. Jullie weten inmiddels wel dat ik geen oordeel vel. Dat laat ik aan jullie over.

Voor de nieuwe luisteraars wil ik even duidelijk maken dat ik geen agent, forensisch wetenschapper of fbi-profiler ben. Dit is geen onderzoek en ik ga ook geen nieuw bewijsmateriaal onthullen. Mijn podcast is meer bedoeld als een discussiegroep over een voormalig plaats delict.

In deze eerste aflevering gaan we na wat er die dag gebeurd is en introduceer ik de mensen die erbij aanwezig waren. We horen het verhaal niet alleen van Harry, maar ook van iemand die er rechtstreeks bij betrokken was en erbij was. Iemand die Tom Jeffries heeft gekend en die het nog steeds zwaar heeft met hetgeen er op die dag in 1996 is gebeurd. Diegene ervaart het als een ondraaglijke last die hij elke dag met zich meetorst.

We kijken terug op wat voor sommigen een eenvoudige, uitgemaakte zaak is. Een tragedie die voorkomen had kunnen en moeten worden. Voor anderen blijft het een boeiend mysterie, waarbij geen duidelijke antwoorden zijn.

Nog niet althans.

Goed, even wat geschiedenis. Zet je schrap, ik houd het kort.
Goed, even wat geschiedenis. Zet je schrap, ik houd het kort.

De hoogvlakte torent boven een van de mooiste landschappen in Engeland uit: Northumberland in het noordoosten van Engeland. Scarclaw Wood was ooit een oud gletsjermeer, gevuld met zand en grind. De hoogvlakte, een helling bestaande uit zandsteen, wordt nu aangemerkt als een stuk natuurschoon. Erbovenop staan verschillende stenen grafheuvels uit de IJzertijd. Ook zijn er overblijfselen van enkele boerderijen op de hellingen te vinden. Aanwijzingen dat er steencirkels en prehistorische graven zijn geweest, maken het landschap nog bijzonderder. De horizon van de hoogvlakte heeft een scherpe hoek, alsof iemand er een enorme hap uit heeft genomen. Daar heeft Scarclaw waarschijnlijk zijn naam aan te danken. Evenals in de rest van Northumberland zijn ook hier onverklaarbare versieringen in de vorm van napjes en ringen op de rotsen onderaan de heuvel aangebracht.

Onder het hoogste punt van de hoogvlakte bevindt zich een netwerk aan loodmijnen die stammen uit de vijftiende eeuw. Ze zijn nu allemaal verlaten en rond 1900 gesloten vanwege verzakkingen. In de jaren veertig heeft men pogingen ondernomen om de mijnen weer te openen, maar die liepen op niets uit. De meeste tunnels zijn ingestort en de resulterende uithollingen en verzwakte grond aan de oppervlakte hebben tot eigenaardige moerassen en gevaarlijke punten geleid, die deels door de natuur en deels door de mens zijn veroorzaakt. Een wandeling door het moeras van Scarclaw Fell is te vergelijken met een dansje met de dood. De aarde kan je, zonder enige waarschuwing vooraf, plotseling verzwelgen. Toch is niet alleen het moeras een gevaar voor de onwetenden; de meeste luchtschachten van de mijnen zijn in de loop der tijd door de natuur verborgen. Ze heeft de grote spleten met mos en heide bedekt. Alleen aan de overblijfselen van de vermolmde hekken die lang geleden zijn geplaatst, is nog te zien wat daar ooit was. Bezoekers aan het bos en de hoogvlakte wordt dringend aangeraden om niet van het pad af te wijken. Veel stukken zijn lang geleden omheind, maar het blijft gevaarlijk op Scarclaw Fell.

 In dit niemandsland met riet en moerasgras staat de ruïne van een gemaal: een vale, afbrokkelende toren, begroeid met mos, en een muur met één raam erin als enige overblijfselen van een afgelegen dorpje.

– Ik weet niet wat er met die jongen gebeurd is… ik heb werkelijk geen idee. Dat weten we geen van allen. Dat de politie het lijk nooit heeft gevonden is gewoon… absurd, vind je niet? Een heel jáár.

Harry en ik nemen het interview op in zijn auto, op de oprit van lord Ramsays Mayberry Estate. Hij verzekert me dat zijn vader er niet is en dat het vergeefse moeite zou zijn om zelfs maar een verklaring aan hem te willen ontfutselen.

– Mijn vader en ik hebben het er nooit over, niet meer in elk geval. We zwijgen erover als het graf. O jee, sorry, dat was een misplaatste uitdrukking. Maar je snapt wat ik bedoel, ja toch? Mijn vader acht zich nog steeds schuldig aan de vermissing, maar wat had hij eraan kunnen doen? Er waren voortekenen, ze wisten wat daar was, ja toch? Ze waren er al tig keer geweest. Zij waren degenen die dat gebouw hebben geïsoleerd. Dat was in de zomer; ze kropen eronder in zo’n witte schildersoverall en timmerden een hele lading polystyreen tegen de onderkant van de vloer aan. Belachelijk, toch? Het was per slot van rekening maar een veredelde schuur.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief