leesfragment

‘Sofia draagt altijd zwart’ van Paolo Cognetti

De Italiaan  Paolo Cognetti, bekend van de geliefde roman De acht bergen, beschrijft met grote emotionele zeggingkracht en psychologische diepgang de moeizame volwassenwording van de onvergetelijke Sofia. Ze is altijd op de vlucht, voor haar vrienden, voor haar ouders, voor haar geliefden en bovenal voor zichzelf.

Laat je hieronder vast meenemen in het eerste hoofdstuk van Sofia draagt altijd zwart.

Levenslicht

Op een nacht keek de verpleegster uit het raam van de afdeling en zag zijn bestelbus voor het ziekenhuis staan. De koplampen knipperden drie keer, doofden en gingen daarna weer aan toen zij zwaaide. Ze vroeg haar collega of ze haar even wilde aflossen en liep de trap af naar de dienstingang, en daar, in de herfstregen, draaide hij zijn raampje open en zei dat hij een aantal beslissingen had genomen. De verpleegster keek hem onderzoekend aan, niet zeker of ze hem moest geloven. Ze checkte of niemand hen zag en ging de man voor naar een lege kamer op de eerste verdieping, waar ze ongestoord konden praten.

De snor van de man rook niet alleen naar sigaretten, zoals gebruikelijk, maar ook naar wijn. Eenmaal in de kamer omhelsde hij haar en manoeuvreerde haar in de richting van het bed, maar de manier waarop stond haar niet aan en dus duwde ze hem van zich af. Hij reageerde beledigd, opende het raam, stak een sigaret op en keek naar buiten. Na een tijdje zei hij: ‘Als het nog even zo doorregent, krijgen we nog vinnen, net als de vissen.’

‘Nou?’ zei de verpleegster, ‘ga je me nog vertellen wat je komt doen?’
‘Nou?’ zei de verpleegster, ‘ga je me nog vertellen wat je komt doen?’

De man antwoordde niet meteen, keek naar de regen en nam nog een paar trekjes. Daarna zei hij dat hij die nacht niet naar huis ging. Hij was met slaande ruzie vertrokken en had naar zijn vrouw geschreeuwd dat ze hem maar moest vergeten. Hij vertelde niet dat hij daarna naar het café was gegaan, maar dat was wel duidelijk. Het was kwart voor twee. Hij haalde een hand door zijn natte haar en de verpleegster stelde zich voor dat hij met andere mannen aan de bar had staan drinken, over vrouwen had gepraat, met de serveerster had geflirt, en dat hij daarom zo laat was. Hij zei: ‘Als jij me ook al niet wilt, slaap ik wel in de bestelbus, mij maakt het niets uit.’ Toen hij haar nogmaals probeerde te omhelzen liet ze hem begaan, sloot haar ogen en dwong zichzelf niet aan zijn opeenstapeling van smoezen en leugens te denken.

Later die nacht werd ze opgepiept voor een spoedbevalling. Een jonge vrouw van tweeëntwintig, in de zevende maand. Ze baarde een minuscuul, blauwzuchtig meisje, plus een flinke hoeveelheid bloed. De verloskundige gaf het een paar tikjes tegen de billen om het te laten huilen en ademen, maar het meisje ademde noch huilde en moest gereanimeerd worden. De arts had het idee dat er iets niet klopte aan die premature bevalling: uiteindelijk bleek dat de moeder zonder het tegen iemand te zeggen maagzweermedicijnen had geslikt die verboden waren tijdens de zwangerschap, maar nu was ze te zeer van slag om tekst en uitleg te geven. Ze had een zware bloeding gehad en lag in bed te schreeuwen en zichzelf te vervloeken. Ze dienden haar een kalmeringsmiddel toe, gaven haar een infuus en wachtten tot ze sliep – het onderzoek naar de toedracht kwam later wel.

Uitgeput en onthutst liep hij af en aan tussen zijn vrouw en zijn dochter, en vroeg zich af wie van de twee schuldig was aan de ellende van de ander.
Aan de couveuse van het meisje hing een kaartje met de naam Sofia Muratore. Haar vader kwam meerdere keren per dag naar haar kijken. Uitgeput en onthutst liep hij af en aan tussen zijn vrouw en zijn dochter, en vroeg zich af wie van de twee schuldig was aan de ellende van de ander. Omdat hij zijn kind niet mocht aanraken, bekeek hij het eindeloos door het glas, niet zeker of hij zich eraan moest hechten en of hij het prachtig dan wel monsterlijk moest vinden, zoals je dat hebt met pasgeboren baby’s, en met exotische amfibieën.

De verpleegster maakte er een gewoonte van ’s nachts tegen Sofia te praten, als niemand het zag. Ze ging bij de couveuse zitten en stak van wal. Het was net als praten tegen de planten op haar balkon: misschien had het wel helemaal geen zin, maar zij voelde zich er prettig bij en voor het kind was het vast ook niet slecht. Nacht na nacht vertelde ze Sofia haar hele verhaal: over de boerderij waar ze was opgegroeid, over het leven dat ze tot haar dertigste had geleid, over de priester die haar ervan had overtuigd dat ze een roeping moest vinden, over de wrede nonnen op de verpleegstersopleiding, over de dag waarop ze naar de stad was gekomen en had gehuild bij het zien van haar appartement. Ze had moeten leren om hard te zijn. Net zoals ze had moeten leren omgaan met bloed, braaksel, uitwerpselen en ontstoken wonden, dingen waarmee je geconfronteerd werd als een lichaam openlag, als het werd aangetast door ziekte of verminkt door een ongeluk, en waar je blik onwillekeurig naartoe werd getrokken. Ze vertelde haar al die dingen in de eenvoudigste bewoordingen die ze kende.

‘Sofia,’ zei de verpleegster, ‘weet je wat dat is, een geboorte? Het is een schip dat ten oorlog vaart.’
Op een nacht dat ze daar zo tegen Sofia zat te praten, hoorde ze het geluid van een claxon, ze liep naar het raam en zag de bestelbus van de man op de parkeerplaats staan. Hij knipperde met zijn koplampen maar ze verroerde zich niet. Ze bleef stokstijf staan om er zeker van te zijn dat de boodschap duidelijk was. De man stapte uit, keek omhoog naar het raam, rookte een sigaret, gooide vervolgens de peuk op de grond en vermorzelde hem onder zijn schoen alsof zij die peuk was, stapte weer in, keerde en reed weg. ‘Sofia,’ zei de verpleegster, ‘weet je wat dat is, een geboorte? Het is een schip dat ten oorlog vaart.’

Die ochtend verklaarde de kinderarts dat het meisje buiten levensgevaar was en brachten ze het eindelijk naar haar echte moeder.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief