leesfragment

‘Stad van de levenden’ van Nicola Lagioia

0

In Rome werd Luca Varani eerst langzaam gemarteld en stierf daarna een uiterst pijnlijke en eenzame dood. De daders zijn twee jongens, met een heel normale achtergrond.
De zaak krijgt meteen veel publiciteit, maar er lijkt geen enkel motief te zijn. Als journalist van de krant la Repubblica volgt Nicola Lagioia de zaak bijna vijf jaar op de voet. Hij interviewt familie en vrienden en correspondeert uitvoerig met een van de daders in de gevangenis. Hij daalt af in een schaduwstad, een tweede Rome dat via verwaarlozing en corruptie wordt overgenomen door het kwaad.

Lees hier de eerste hoofdstukken van Stad van de levenden van Nicola Lagioia.

Eerste deel
Commensaal van de mens

Rome is de enige stad in het Midden-Oosten zonder Europese wijk.
Francesco Saverio Nitti

Laten we de problemen in Rome niet wijten aan overbevolking. Toen er nog maar twee Romeinen waren, doodde de een al de ander.
Giulio Andreotti

Op 1 maart van het jaar 2016, een lichtbewolkte dinsdag, waren de hekken van het Colosseum net opengegaan om de toeristen de beroemdste ruïnes ter wereld te laten bewonderen. Duizenden lichamen liepen naar de loketten. De een struikelde over de stenen. De ander ging op zijn tenen staan om de afstand tot de Tempel van Venus te meten. Daar in de verte kookte de stad woede in haar eigen verkeer, in bussen die om negen uur ’s ochtends al motorpech hadden. Onderarmen scandeerden scheldwoorden door de open raampjes. Aan de rand van de straat schreven verkeersagenten boetes uit die niemand ooit zou betalen.

‘Ja hoor… ga dat maar aan de burgemeester vertellen!’ De medewerkster van loket nummer vier barstte in een spottend gelach uit, tot hilariteit van haar collega’s.

De toerist op leeftijd staarde haar door het glas verbijsterd aan. Hij zwaaide met twee valse toegangskaartjes die hij kort daarvoor had gekocht bij twee valse medewerkers op de archeologische site.

Dat ‘gaan klagen bij de burgemeester’ was een van de meest gemaakte grappen van de afgelopen weken. Het was begonnen in de gemeentekantoren en had zich vervolgens verspreid onder taxichauffeurs, hoteleigenaren, vuilnismannen en schaafijsverkopers die, bij gebrek aan een duidelijkere autoriteit, door toeristen werden aangeklampt te midden van de oneindig slecht functionerende stedelijke dienstverlening.

De toerist trok zijn wenkbrauwen op. Was het mogelijk dat zelfs de échte autoriteit, in dat officiële tenue, hem in de maling nam? Achter hem werd het geroezemoes van de menigte steeds luider.

‘Volgende!’

De toerist verroerde zich niet.

De lokettiste bleef hem aanstaren, een kille glimlach tekende zich af op haar gezicht.

‘Next one!’

.

Veel van deze toeristen hadden de nacht doorgebracht in de goedkope hotels in de wijk Monti, in de afgeleefde bed and breakfasts rond de Porta Maggiore. Met de neus omhoog om een engel te bewonderen, waren ze languit op hun gezicht gevallen. Gestruikeld over een vuilniszak, over de omgevallen paal van een verkeersbord. In de lucht het sneeuwwitte marmer, op straat de ratten. En de meeuwen aten de ratten. Wie niet goed was geïnformeerd, had tevergeefs staan wachten tot er een bus kwam, maar was daarna te voet naar het Colosseum gegaan. Daar stonden ze nu. Je zou je kunnen opwinden over hoe traag de rij vorderde, maar de levenloze schoonheid overrompelde hen allemaal: de hemel boven de bogen van travertijn, de tweeduizend jaar oude zuilen, de basilica van Maxentius. Onheil weerklonk in de grandeur, alsof onzichtbare krachten in staat waren om iedereen die hen tegensprak het schimmenrijk in te sleuren. Een dreiging waar de Romeinen warm noch koud van werden.

De lokettiste hielp een andere toerist. Dat deed ook haar collega van het loket ernaast. Voor de loketten stond een ontzagwekkende menigte, maar ze hadden wel erger meegemaakt. Het Jubeljaar van Barmhartigheid was slecht begonnen. Een fiasco, schreven de journalisten die de paus slechtgezind waren. Het jaar van vergeving der zonden, van verzoening, van sacramentele boetedoening trok niet méér pelgrims dan het aantal dat kwam voor de viering van het jaar van libatie, van straffeloze anarchie, van verantwoordelijkheden afschuiven.

De oude toerist stapte uit de rij en liep in de richting van piazza dei Cinquecento. Naast hem liep een jongen. Ze bereikten de straat en verdwenen tussen de oleanders.

‘Zeg, wat stinkt hier zo?’ zei de lokettiste ineens. Ze staarde naar haar beeldscherm, haar hand op de muis.

Een Chinese toerist stond te wachten op zijn coupons.

Nadat ze de printopdracht had gegeven, keek de lokettiste naar haar hand. Ze schrok op. Naast de muismat waren twee roodbruine vlekken verschenen. Voordat de lokettiste met haar ogen kon knipperen, waren het drie vlekken geworden. En nu zaten er al vier vlekken op haar bureau.

‘Mijn god!’

De Chinese toerist week achteruit. De lokettiste sprong geschrokken overeind, overvallen door het ergste gevoel dat een inwoner van deze stad denkt te kunnen hebben: bezocht worden door rampspoed waarvoor alle anderen gespaard blijven. Ze keek omhoog. Er vielen druppels van het plafond. Toen deed de lokettiste wat iedereen in Rome doet als bij een openbare instantie het bloed van de muren druipt. Ze riep haar leidinggevende.

Een paar uur later waren twee van de vier loketten van het Colosseum gesloten.

_______________

‘Bloed van een dode rat,’ zei de inspecteur voor archeologisch erfgoed.

‘Een muis?’ vroeg iemand op de achterste rij. De menigte grinnikte.

Woensdag 2 maart. De persconferentie was georganiseerd ter ere van het voltooien van de interne renovatie van het Colosseum. Maar een verslaggever vroeg plompverloren waarom twee loketten de hele vorige dag gesloten waren geweest.

De inspecteur moest wel in details treden. Een dikke grijze rat was klem komen te zitten in de tussenruimte boven het verlaagde plafond van het loket. Hij was gespietst op een profielbalk en had waarschijnlijk geprobeerd zich los te wringen, waardoor het alleen maar erger was geworden. ‘De dienstdoende medewerkster zag het bloed op haar bureau druppen. De loketten zijn toen gesloten voor de rattenbestrijding.’

.

De rattencrisis haalde de voorpagina’s van de dagbladen. De laatste tijd doken de knaagdieren constant op uit de riolen. Ratten rond station Termini. Ratten in de via Cavour. Ratten op een steenworp afstand van het operagebouw. Ze staken over zonder acht te slaan op het verkeer. Ze liepen souvenirwinkels binnen en maakten de toeristen aan het schrikken.

De kranten vermeldden nog dat er in Rome meer dan zes miljoen ratten waren. In New York en Londen was er aan knaagdieren ook geen gebrek, maar in Rome waren ze de koningen van de stad geworden.

‘Dat krijg je van jarenlang beroerd bestuur,’ verklaarde een stedenbouwkundige.

‘Het probleem ligt voornamelijk bij de afvalverwerking,’ zei een medewerker van de verdelgingsdienst, ‘vergeet niet dat ratten commensaal van de mens zijn.’

De afvalverwerking in Rome beleefde een tragisch seizoen. Overal lag vuilnis. De vuilniswagens kwamen langzaam vooruit. Grote zakken vuilnis belegerden de straten. De paramedici van het Sant’Eugenio-ziekenhuis (ook in de ziekenhuizen scharrelden ratten rond) verklaarden tegen de pers dat dát het definitieve schandaal was, de klap die de stad zou wakker schudden. Zo dachten velen erover. Maar meteen daarna bekroop hen het vermoeden dat zij zélf degenen waren die in slaap waren gevallen. De vleugel van een enorme meeuw wierp een schaduw over de stad. De Romeinen moesten er weer om lachen.

‘Ja hoor… ga dat maar aan de burgemeester vertellen!’

De grap oogstte zoveel succes omdat er in die tijd in Rome helemaal geen burgemeester wás. De gemeente was onder bewind gesteld. Een gerechtelijk onderzoek genaamd Mondo di Mezzo had de stad op zijn kop gezet. Wethouders, adviseurs, notabelen, gemeentebestuurders, ambtenaren, intriganten, ondernemers en een verbluffend aantal gewone criminelen moesten allemaal voor de rechter verschijnen. Zeldzaamheid binnen die zeldzaamheid: er waren in Rome twee pausen.

.

Op dergelijke momenten van verwarring speurden de inwoners van Rome, trouw aan een oud gebruik, vaak de hemel af in afwachting van een teken. Maar ook dit – tussen de wolken zoeken naar een geheime code – dreigde in 2016 te klinken als een oplichterstruc.

.

De moord werd gepleegd op vrijdag 4 maart.

.

De volgende dag raakte Rome overstroomd door een regenbui.

____________

Op zondag 6 maart lag Mario Angelucci na een week werken languit op de bank tv te kijken.

Hij was vierenvijftig jaar oud, mager en kalend. Hij werkte voor de lokale radio. Hierdoor had hij een gevoel ontwikkeld voor de klank van stemmen. Als hij in de studio achter het mengpaneel zat, hoefde hij de gedachtegang van de spreker niet te volgen: hij hoorde de ‘coda’ van het radiogesprek, bracht zijn vinger naar de zwarte knop en de overgang begon een halve seconde nadat de stem was opgehouden met spreken.

Mario zapte naar een ander kanaal en zocht puffend een nieuwe positie tussen de kussens. Net daarvoor had hij iets gehoord wat hem onrustig had gemaakt. Hij had niet goed genoeg op de woorden gelet, maar wist dat het belangrijk was. Hij vond het nieuws uiteindelijk op Rai i. De nieuwslezeres zei juist dat een jongen van in de twintig op beestachtige wijze was omgebracht in een appartement in een buitenwijk van Rome.

De camera toonde een oranje gebouw dat zich aftekende tussen de winterkale bomen. Mario Angelucci sperde zijn ogen open. De moord had plaatsgevonden in Rome, en hij woonde in Rome. De moord was gepleegd tussen Collatino en Colli Aniene, waar hij zich nu bevond. Maar op tv was vanbuiten hetzelfde raam te zien dat hij vanbinnen zou kunnen opendoen als hij zou opstaan en ernaartoe zou lopen. Angelucci werd overrompeld door een van de vreemdste gewaarwordingen van zijn leven. Hij voelde zich alsof de blik van God op hem was gericht. En wat gebeurt er gewoonlijk als God Zijn Oog opent en op jou laat vallen?

‘Via Igino Giordani 2.’

De nieuwslezeres had zojuist zijn huisadres genoemd en daarmee bevestigd dat hij niet gek aan het worden was. Mario Angelucci sprong overeind en liep snel naar de gang. Zijn hart klopte in zijn keel. Zijn zoon was eenentwintig jaar, hij had hem de vorige avond voor het laatst gezien, zijn vrouw en hij hadden hem gedag gezegd toen hij was uitgegaan en hadden hem niet meer horen thuiskomen. Zaterdagavond. De dag van de week waarop jongeren zich in de nesten werken.

Mario Angelucci bereikte het eind van de gang. Hij gooide de deur wijd open en werd bedwelmd door een onaangename, bedompte lucht. Toen ging het licht aan in de kamer. Handdoeken, stripboeken, verfrommelde sokken, een rol wc-papier. Mario Angelucci zag omgewoelde dekens op een bed waarin van alles gebeurd had kunnen zijn en, ook op het bed, een onbetamelijk snurkende knul van één meter negentig lang.

.

Een week later, toen de moord in Italië het gesprek van de dag was, besprak Mario Angelucci het voorval met zijn collega’s.

‘Het was nog erger dan een paniekaanval, jongens. Ik zag een film voor me die echt nergens op sloeg.’

Zijn collega’s van de radio vroegen hoe hij had kunnen geloven dat zijn zoon bij dat verhaal betrokken kon zijn.

‘Wat zal ik zeggen, ik weet het zelf ook niet.’

In de kranten stond dat de moord was gepleegd in een appartement op de tiende verdieping.

‘Kende je de bewoner?’ vroeg een collega aan Angelucci.

‘Alleen van gedag zeggen,’ antwoordde hij.

‘Maar wat dacht je toen je zo in paniek was, dat je zoon de dode jongen was of de moordenaar?’

‘Wat mij betreft had het allebei kunnen zijn,’ antwoordde de man. ‘In deze stad is alles mogelijk.’

Toen toonde Angelucci, die er met zijn uitgeholde gezicht en samengeknepen lippen altijd een beetje streng uitzag, ineens een stralende glimlach. Opluchting. Opluchting dat hij gespaard was gebleven, dat hij was genegeerd, niemand weet immers van tevoren op wie het Oog zal vallen, en hoewel bepaalde tragedies maar één op de honderdduizend mensen treffen, moet toch íemand die pechvogel zijn: voor die ene spat de illusie dat sommige dingen ons nooit zullen overkomen uit elkaar – opdat ze voor de anderen intact kan blijven.

.

Om 13.30 uur op zondag 6 maart wist Mario Angelucci dat zijn gezin gered was.

Een paar uur later kreeg Andrea Florita, een advocaat aan de andere kant van de stad, een telefoontje. Florita was vierenveertig jaar oud. Hij was mager en had een open, intelligent gezicht. Net als veel collega’s had hij zijn praktijk opgezet in de wijk Prati. In de stad zijn macht en pracht evenredig verdeeld over de twee oevers van de Tiber. Aan de rechterzijde de keizerlijke fora, het Quirinaal, de nationale regering. Aan de linkerzijde de gerechtsgebouwen, de Rai, de Sixtijnse Kapel. Die zondag had Florita de dag met zijn zoon doorgebracht. ‘Mijn zoon is nog klein. Ik zet de televisie liever niet aan als hij erbij is. Toen ik de telefoon opnam, had ik geen idee wat er was gebeurd.’

De advocaat hoorde aan de andere kant van de lijn de stem van een volwassen man.

‘Goedenavond, meneer Florita, u spreekt met Giuseppe Varani. Mijn zoon is vermoord.’

Pas laat op de avond begreep Florita dat hij advocaat van de benadeelde partij was geworden in een van de meest spraakmakende processen van de afgelopen jaren. Na het gesprek met Giuseppe Varani kwam hij op weg naar huis een bekende tegen. Voordat Florita kon zeggen wie zijn nieuwe cliënt was, vroeg diegene hoe hij over de moord dacht.

Iedereen vroeg aan anderen hoe ze over de moord dachten. Ze wilden vooral kwijt hoe ze er zelf over dachten. Binnen een paar uur was het misdrijf in Rome het hoofdonderwerp van gesprek geworden. Het werd besproken door de taxichauffeurs bij Termini, de barista’s op piazza Bologna, de vriendengroepjes in Monti en Testaccio. Om maar te zwijgen over wat er gebeurde in de huizen. Vaders maakten ruzie met hun zoons. Vrouwen berispten hun echtgenoot over de consequenties van een te vrije, of juist een te strikte opvoeding.

‘Heb je het gelezen?’ ‘Heb je het gehoord?’ ‘Heb je gezíen wat er is gebeurd?’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief