leesfragment

‘Stormval’ van Tove Alsterdal

0

In een opwelling slaat Olof Hagström op een smalle weg in de bossen af, naar het ouderlijk huis dat hij meer dan twintig jaar geleden verliet. Als Olof een kijkje in het huis neemt, vindt hij daar het levenloze lichaam van zijn vader, die met messteken is omgebracht.
Politierechercheur Eira Sjödin wordt op de zaak gezet, en Olof lijkt de enige verdachte. Ze herkent Olof, hij was de veertienjarige jongen die de moord op Lina bekende. Hij was de jongen uit Eira’s nachtmerries.

Lees hier de eerste pagina’s van Stormval, een psychologische thriller van Tove Alsterdal!


Daar rees de enorme schaduw van de Skuleberg op, de roversberg. Een flits van een tankstation aan de rand van zijn gezichtsveld, daarna weer sparrenbos. Hij moest al meer dan tweehonderd kilometer lang plassen.

Hij sloeg een zijweg in, strompelde de auto uit en stapte in de wild bloeiende berm.

Hij draaide zich om naar het bos en liet zijn water lopen.

De geuren waren speciaal. De bloemen in de berm. Het vocht in het gras en de nevel in de avondlucht, de boterbloemen, de wilgenroosjes en het fluitenkruid dat een meter hoog stond. Misschien timotheegras, dat wist hij niet, het kwam hem alleen bekend voor.

Er zaten vorstscheuren in het asfalt, dat overging in grind. Over enkele tientallen kilometers kon hij links afslaan en de E4 weer op rijden, dat was geen grote omweg. Voor hem opende het landschap zich, groene heuvels en golvende dalen, het had iets moois, als de zachte vormen van een warme, mollige vrouw.

Hij reed langs slapende boerderijen en leegstaande huizen, een vennetje zo glad dat het spiegelbeeld van het bos wel het bos zelf leek. Elke spar leek op de andere. Ooit had hij op een berg staan uitkijken over de eindeloze bossen van het Ådal en begrepen dat er geen einde was.

Er was geen verkeer toen hij bij de splitsing in Bjärtrå kwam. Hij herkende het gele houten huis recht voor zich. Nu was er alleen bouwafval te zien achter de stoffige etalageruit, maar het bord hing er nog, het was een supermarkt geweest. Olof moest denken aan het snoep dat hij ’s zaterdags kreeg, aan de smaak van gummikikkers en dropvisjes. Hij reed de verkeerde kant op, verder landinwaarts. Hij zou de noordkant van Stockholm toch nog wel voor de ochtend kunnen bereiken, dan sliep de baas trouwens, niemand keek naar de tijd of naar het exacte benzineverbruik. Vijf kilometer extra stelde niets voor. Olof zou het kunnen wijten aan caravans en wegwerkzaamheden, ze wisten allemaal hoe het er ’s zomers uitzag op de Zweedse wegen.

In deze tijd. Eind juni.

Het kwam door de geuren, door het licht, hij kreeg een droge mond en zijn benen werden gevoelloos, met heel zijn wezen wist hij dat het toen gebeurd was. Toen het schooljaar afgelopen was en de langste dagen begonnen, de verveling, toen hij uit de tijd werd gegooid. Olof herinnerde het zich als een grauw halfduister, ook al moest het net zo licht zijn geweest als nu, de eeuwige zomernacht, bleke middernachtelijke uren als de zon even achter de horizon duikt.

Hij reed langs dingen die hij was vergeten, of waar hij nooit meer aan had gedacht. Toch waren ze hier aldoor geweest. Het grote gele huis waar zomergasten verbleven met kinderen die niet op de grote weg mochten fietsen. Het Amerikaanse huis met de eigenaardige veranda en de weiden waar renpaarden in groepjes naar de weg stonden te staren. De met wit plastic omhulde hooibalen op het land, waar je op kon klimmen en ‘de berg is mijn’ kon spelen, en daar was de treurberk aan de linkerkant, waar hij vaart minderde en van de weg reed. Het was een ontzettend grote boom geworden. De takken bogen diep door naar beneden, met sluiers van felgroene bladeren die de brievenbussen aan het zicht onttrokken.

Hij wist heel goed welke hij moest hebben, eentje van grijze kunststof, de derde van de rij. Er stak een krant uit. Olof wurmde zich uit de auto en liep erheen om de naam te lezen.

Hagström.

Hij wuifde de muggen weg en trok de krant eruit, Tidningen Ångermanland, er lagen nog twee opgevouwen exemplaren onder, daarom paste hij er niet in. Reclame voor de aanleg van een glasvezelkabel, een rekening van de gemeente Kramfors. Er woonde nog iemand die post kreeg, een krant, iemand betaalde voor water en het ophalen van vuilnis, of wat het ook was. Er ging een schok door hem heen toen hij de naam van de geadresseerde las.

Sven Hagström.

Olof propte alles weer in de brievenbus. In de auto haalde hij een reep chocola uit de tas op de vloer om iets te kauwen te hebben. Hij klokte een blikje energiedrank weg en sloeg de muggen dood die naar binnen waren geglipt. Eén had zich al volgezogen en er kwam een rode vlek op de leren bekleding. Die wreef hij met spuug en wc-papier weg. Daarna reed hij langzaam verder over de oude tractorweg. Het gras in het midden sloeg tegen de bumper, de auto hotste af en toe door een kuil. Langs het huis van de Strinneviks en de grijze schuur die vaag te zien was in het groen, een heuvel af en daarna op, en hij kwam op de top waar het sparrenduister eindigde en de natuur zich opende naar de rivier en de verten. Olof durfde niet te kijken. Het rode huis schoot in zijn ooghoek voorbij. Aan het eind van de weg keerde hij en reed langzaam terug.

De verf rond de ramen zag er afgebladderd uit. Hij zag geen auto, maar die stond misschien in de garage. Het gras stond hoog rond de houtschuur, er schoten takjes omhoog die binnenkort boompjes zouden worden.

Olof wist niet waarom hij had gedacht dat het anders zou zijn: verlaten en vervallen of verkocht aan vreemden die er waren komen wonen.

Dat was kennelijk niet gebeurd.

Achter de vuilcontainer remde hij af en hij schakelde de motor uit. Het gazon zag geel van de paardenbloemen. Hij herinnerde zich hoe hard hij moest trekken om ze eruit te krijgen. Hij moest ze weghalen voordat ze paardenbloembollen werden en de zaadjes zich op de wind verspreidden, met een hak tot op de wortels steken, zodat ze niet terugkwamen, in zijn herinnering waren zijn handen klein. Hij keek naar zijn brede hand, die nu de contactsleutel zou moeten omdraaien.

De zon klom boven de sparrentoppen uit. De stralen raakten de binnenspiegel en prikten in zijn ogen, die hij sloot. Hij zag haar voor zich, of in zich, het was onduidelijk waar ze zich precies bevond, maar zo had hij haar telkens weer gezien, nacht na nacht na nacht al die jaren, als hij niet als een blok in slaap viel, apezat, uitgeput, halfdood, dan zag hij haar altijd het bos in gaan, telkens weer. Ze wandelde in en uit bij hem. Zo dichtbij, niet ver hiervandaan, afdalend naar de rivier.


Die blik als ze het pad inslaat. Is die glimlach voor hem bedoeld? Wenkt ze? Kom dan, Olof, kom! Was dat echt tegen hem?

En daar zijn de stemmen om hem heen, de geur van benzine van de opgevoerde brommers en van het saffie dat de muggen weghoudt.

Kijk dan, Olof, je bent er al bijna. Ga achter haar aan. Lina is geen droogpruim. Toe joh, je ziet toch dat ze het wil? Hij is misschien homo, of niet? Ben je dat, Olof, heb je weleens een meisje gezoend of zoen je alleen met je moeder?

Hé, Olof, kom op nou! Je hebt het nog nooit gedaan, hè? Gewoon snel met je hand onder haar shirt, zo doe je dat, maak ze geil voordat ze te veel na kunnen denken.

Hij hoort hun stemmen nog in zijn hoofd als hij over het pad loopt. Daar wappert de rok, het gele vest tussen de takken.

Lina.

Zijdezachte armen, lachend naar brandnetel geurend, brandende bosjes rond zijn kuiten, muggenwolken en krengen van dazen en bloed op haar arm waar hij een paardenvlieg doodsloeg, gewoon ‘pats’ en haar lach, nou bedankt, Olof, wat ben jij een held. Dan zijn haar lippen vlakbij. Hij denkt aan hun zachtheid, als mos, vochtig, zinkend, hoe hij naar binnen wordt gezogen. Zijn tong erin voordat ze kan praten, hoort hij ze zeggen, sommigen willen de hele nacht praten, pas daarvoor op, dan word je gewoon een vriend, nee, hup, met je hand naar de borsten, knijp erin en speel ermee, ze vinden het ook fijn als je aan hun tieten zuigt, als je dat doet ben je binnen, echt, maar je mag niet aarzelen, meisjes leren al die dingen over nee zeggen en dichtknijpen, ook al zijn ze nat en geil en dromen ze ervan, maar je kunt niet zomaar aan komen denderen met je pik, je moet het op hun manier doen. Met je vingers naar binnen en in haar kutje friemelen, dan gaat de boel open en kun je ertegenaan, dat snap je wel, toch?

En Olof ligt op zijn neus in de brandnetels en ze is boven op hem, ze is overal.


Er was geen lucht in de auto, alleen benauwdheid en hitte, hij moest naar buiten.

De ochtendnevel hulde de baai beneden in dunne sluiers. Aan de andere kant van de rivier verrezen de eeuwige bergen, er stegen stoompluimen op uit de Väjafabriek. In de stilte hoorde hij het geratel van de populieren in een wind zo zwak dat je hem niet voelde, en het gezoem van zwoegende hommels tussen lupines en geurloze kamille. Toen hoorde hij het gejank. Deerniswekkend, als van een gewond of ongelukkig dier.

Het kwam uit het huis. Olof probeerde geruisloos de paar stappen terug naar de auto te zetten, voordat de hond zijn aanwezigheid zou merken, maar dat was onmogelijk met zo’n lichaam, gras en twijgen braken onder zijn gewicht. Hij hoorde zijn eigen gehijg boven het gezoem van de insecten uit en dat hoorde de hond natuurlijk ook, die als een gek begon te blaffen. Hij jankte en krabde, sprong tegen een muur of een deur. Olof moest denken aan het wilde geblaf van de jachthonden, hoe ze zich tegen het hek van hun hokken wierpen als je over de kleine weggetjes fietste. De politiehonden. Toen ze langs de rivier geleid werden om sporen van Lina op te pikken, hun geblaf op een afstand toen ze haar spullen vonden.

Hij zou in de auto moeten stappen en wegrijden, voordat die ouwe wakker werd en een gestalte op zijn erf zag. Zou hij dan het jachtgeweer pakken, dat Olof vast had mogen houden, maar waar hij nooit mee had mogen schieten omdat hij daar niet oud genoeg voor was? Meubels en kleuren tuimelden rond in zijn geheugen, de groengeverfde veranda, het bloempatroon op het behang, het bed boven, onder het schuine dak, dat van Olof was.

Toen zag hij het water dat langzaam langs de gevel stroomde. Was er een leiding gesprongen? En waarom zat de hond opgesloten? Je kon horen dat hij niet in de gang bij de voordeur zat, wat de natuurlijke plek zou zijn voor een jachthond, voor elke hond, de geluiden kwamen van verder weg. Uit de keuken misschien, die aan het uiteinde van de gang lag. Olof zag lichtblauwe lambrisering voor zich, witgeschilderde kastjes, een pruttelende pan op het fornuis.

De hond was vast alleen in huis. Niemand kon door dat geblaf heen slapen.

De steen schoot hem te binnen, de ronde op de hoek van het huis. Een paar pissebedden kwamen tevoorschijn toen hij hem optilde. De sleutel lag er nog.

Het was moeilijk om het sleutelgat te raken, zo erg trilde zijn hand. Olof had niet het recht de deur open te maken. Je moet weten dat ze alle contact hebben afgewezen.

De speciale geur van het huis kwam hem tegemoet, een gevoel dat hij weer kind was. Het schilderij van een oude man met een grote snor die op hem neerkeek, een minister-president van honderd jaar geleden, nu waren ze op gelijke hoogte. En daar stond het bankje met het gevoerde kussen waar je op kon zitten om je schoenen uit te trekken, de van stofresten geweven kleden die oma had gemaakt. Je zag ze bijna niet vanwege alle spullen die door elkaar en op elkaar lagen, werktuigen en gereedschap, die in de hele gang slechts een smal looppad overlieten, tassen met lege blikjes en flessen. Zijn moeder zou nooit hebben toegestaan dat het zo dichtslibde.

De klauwen krabden en sloegen tegen het hout. Olof had gelijk gehad, de hond zat in de keuken opgesloten. Er was een bezem klemgezet in de deurpost. Niemand mag zijn hond dat aandoen, in de wirwar van alles wat zich in hem roerde, was dat iets waar hij zeker van was.

Hij trok de bezem weg en zocht dekking achter de keukendeur toen hij die opendeed. De bezem in zijn hand voor het geval hij zich tegen de kaken van de hond zou moeten beschermen, maar het dier vloog langs hem heen, een zwarte gedaante, recht de vrijheid in. Er kwam een stank van urine en hondenpoep achter hem aan, walgelijk, hij had zijn behoefte binnen moeten doen, dat arme beest.

Toen zag hij het water uit de badkamer stromen. Het kwam tussen de deur en de drempel door, spoelde over de vloerkleden in de woonkamer en vormde stroompjes en meertjes op het bruine linoleum.

Het plaatje van het draaislot stond op wit, niet op rood, zoals wanneer het bezet was. Olof had geleerd om de wc-deur op slot te doen, als hij er met zijn stripbladen zat, dat moest wel als je een vervelende grote zus had die schreeuwde dat ze erbij moest.

Hij opende de deur en het water stroomde over zijn schoenen.

Daar dreven een badspons, viezigheid, plukken haar en dode vliegen rond. Het gestreepte gordijn was dicht. Olof voelde het koude water door zijn sokken heen dringen toen hij naar binnen stapte. Dat kon hij dan nog wel doen, proberen het water af te sluiten voordat hij wegging, zodat het huis niet helemaal verpest werd. Hij trok het douchegordijn open.

Daar zat iemand. Een krom lichaam, in elkaar gezakt op een vreemdsoortige stoel. Olof begreep het en toch ook niet. De oude man hing daar gewoon, in elkaar gezakt, spierwit. De zon viel door het raam naar binnen en liet de huid glimmen, glinsteren, als een vis bijna. Slierten haar zaten op de schedel geplakt. Olof slaagde erin nog een stap te zetten om bij de kraan te komen en eindelijk hield de douche op met klateren.

Zijn eigen hese ademhaling was het enige geluid, en dat van vliegen die tegen de ruit botsten. Het laatste druppen van het water. Hij wilde het niet meer zien en kon toch niet stoppen met kijken. Het naakte lichaam zoog zijn blik aan en hield die vast. De huid was opgezet en leek los te zitten, groenige vlekken verspreidden zich over de rug. Olof hield zich aan de wastafel vast en boog naar voren. De ogen van de man kon hij niet zien, maar midden op de dikke neus zat een bobbel, van een klap met een bandystick in zijn jonge jaren. Hij zag zijn piemel, krom als een worm tussen zijn benen.

Toen kwam de wastafel los van de muur. Een enorme dreun, alsof het huis instortte, en hij verloor zijn evenwicht. Hij plonsde in het rond, stootte zijn hoofd tegen de wasmachine en gleed uit toen hij overeind wilde komen.

Hij kroop op handen en voeten de badkamer uit en stond toen op.

Weg, naar buiten.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief