nieuws

‘Strijd en metamorfose van een vrouw’ van Édouard Louis

0

Édouard Louis groeit op met het idee dat zijn moeder alles heeft opgegeven. Hij droomt van een andere moeder. Een moeder die lacht, die straalt. Hij loopt weg van huis en de afstand tussen moeder en zoon wordt steeds groter. Dan, midden in een nacht, belt ze haar zoon. Ze vertelt hem dat ze haar man heeft verlaten, en een baan en een eigen appartement heeft gevonden. Als Édouard haar in Parijs ontmoet herkent hij haar nauwelijks. Strijd en metamorfose van een vrouw is het verhaal van haar bevrijding. Lees hier alvast de eerste pagina’s.

I

Het begon allemaal met een foto. Ik wist niet dat dit portret bestond en dat ik het in mijn bezit had – van wie heb ik het gekregen en wanneer?

De foto werd door haarzelf genomen toen ze rond de twintig was. Ik denk dat ze de camera achterstevoren moet hebben gehouden om haar gezicht in de lens te krijgen. In die tijd bestond de mobiele telefoon nog niet en jezelf fotograferen lag niet voor de hand.

Ze hield haar hoofd schuin en glimlachte licht, met haar haren plat over haar voorhoofd gekamd, onberispelijk, haar blonde haren rond haar groene ogen.

Het was alsof ze wilde verleiden.

Ik kan de woorden niet vinden om het uit te leggen, maar op dit kiekje doet alles in haar houding, in haar blik, in hoe haar haren vallen, aan vrijheid denken, aan de oneindige mogelijkheden die ze had, en misschien ook aan geluk.

Ik geloof dat ik vergeten was dat ze voor mijn geboorte vrij was geweest… en gelukkig?

Waarschijnlijk heb ik daar wel aan gedacht toen ik nog bij haar woonde, soms, ooit moet ze jong zijn geweest en vol dromen, maar toen ik deze foto terugvond, had ik daar al een hele tijd niet meer aan gedacht, het was een te abstract gegeven, te abstracte informatie. Niets of bijna niets van wat ik in mijn jeugdjaren over haar wist door vijftien jaar contact te hebben met haar lichaam, had me eraan kunnen herinneren.

Toen ik dit portret zag, voelde ik de taal uit me verdwijnen. Haar zo vrij te zien, met heel haar lichaam op de toekomst gericht, deed me terugdenken aan de jaren waarin ze met mijn vader samenleefde, aan zijn vernederingen, de armoede, twintig door mannelijk geweld en gebrek verminkte en haast volledig geruïneerde levensjaren, tussen haar vijfentwintigste en vijfenveertigste, de leeftijd waarop anderen experimenteren met het leven, met vrijheid, met reizen, met zichzelf leren kennen.

Toen ik deze foto zag dacht ik eraan terug dat het niet natuurlijk was, die twintig geruïneerde levensjaren, maar dat ze hadden plaatsgevonden door de werking van externe factoren – de samenleving, mannelijkheid, mijn vader – en dat alles dus anders had kunnen zijn.

Door de aanblik van het geluk voelde ik hoe onrechtvaardig dat geruïneerde leven was.

Ik moest huilen bij dit portret omdat ik zonder het te willen, of eigenlijk misschien samen met haar, en soms tegen haar, heb bijgedragen aan het ruïneren van haar leven.

De dag van de ruzie met mijn jongere broertje – het was zomer. Ik kwam thuis na een middag op de trappen van het gemeentehuis van het dorp en kreeg ruzie met mijn jongere broer waar jij bij was. Mijn broer schreeuwde, schold en zocht naar de meest kwetsende toon om tegen mij te zeggen: In elk geval lacht iedereen in het dorp je achter je rug uit. Iedereen zegt dat je een homo bent.

Het is niet zozeer wát hij zei dat me had gekwetst, of het feit dat ik wist dat het waar was, maar het feit dat hij het in jouw bijzijn zei.

Ik ging naar mijn kamer, pakte de fles met gekleurd zand die op mijn klerenkast stond, liep terug naar mijn broertje en gooide hem voor zijn voeten kapot. Hij had die fles op school gemaakt. De juffrouw had de kinderen in zijn klas gezegd zandkorrels in kleurstoffen te dopen en dan een colafles te vullen met die korrels en zo een veelkleurig object te maken; ze had mijn broertje gevraagd voor wie hij zijn fles wilde maken en hij had mij gekozen, voor mij had hij zich ingespannen, voor mij had hij een hele dag besteed aan het vervaardigen van dat voorwerp.

Toen ik de fles voor zijn voeten kapotgooide slaakte hij een gil, verborg zijn gezicht in de zitting van de bank en huilde. Jij kwam naar me toe, gaf me een klap en zei dat je nog nooit zo’n gemeen kind had gezien. Ik had al spijt van wat ik had gedaan, maar had me niet kunnen beheersen. Ik nam mijn broertje kwalijk dat hij in jouw bijzijn iets had onthuld over mij, over mijn leven, over mijn lijden.

Ik wilde niet dat je wist wie ik ben.

Het hele eerste deel van mijn leven was ik bang dat je me zou kennen. Toen er op de middelbare school ontmoetingen werden georganiseerd tussen ouders en leraren, zorgde ik ervoor dat jij het niet wist, in tegenstelling tot de andere kinderen met goede cijfers. Ik verstopte de uitnodigingen, ik verbrandde ze. Toen er aan het eind van het jaar een voorstelling werd gegeven in de feestzaal van het dorp, met sketches, liedjes en dansjes, lieten de andere kinderen hun ouders en hele familie komen. Ik deed al het mogelijke om je afwezigheid te organiseren. Ik zei je dat de dansjes en liedjes oninteressant waren, ik verzon technische problemen, ik gaf je niet de ware data van de voorstelling. Ik loog je voor. Later ontdekte ik in films en series op televisie het vaak gebruikte beeld van een kind dat vanaf het podium reikhalzend uitkijkt of zijn ouders al verschijnen in de zaal om de voorstelling bij te wonen die in de loop van het jaar et de gedachte aan hen is voorbereid, en herkende ik me niet in het wachten en in de teleurstelling als ze niet kwamen. Alsof ik mijn jeugd andersom had geleefd.

Ik wilde niet dat je wist dat de andere kinderen op school geen vriendschap met me wilden sluiten, want wie bevriend was met iemand die als homo bekendstond, werd scheef aangekeken. Ik wilde niet dat je wist dat twee jongens me ettelijke keren per week opwachtten in de gang naar de bibliotheek van diezelfde school om me te slaan en in het gezicht te spugen als straf voor wat ik was: Ben je echt een flikker?

Ik wilde niet dat je wist dat ik al op mijn negende of tiende ondervond wat neerslachtigheid en wanhoop betekenden, dat ik door die gevoelens vroeg oud was geworden, dat ik elke ochtend wakker werd met deze vragen in mijn hoofd: Waarom was ik wie ik was? Waarom was ik geboren met die meisjesmanieren, met die manieren waarin de anderen – en ze hadden gelijk – het bewijs van mijn afwijking zagen? Waarom was ik geboren met dat verlangen naar andere jongens en niet naar meisjes, zoals mijn vader en broers? Waarom was ik niet iemand anders? Die keer, vele jaren later, dat ik tijdens een ruzie tegen je zei dat ik een afschuwelijke jeugd had gehad, keek je me aan alsof ik gek was en je zei: Maar je glimlachte de hele tijd!

Hoe had ik je die dag kwalijk kunnen nemen dat je zo reageerde terwijl je daarmee in zekere zin aangaf dat ik gewonnen had, dat het me was gelukt al die tijd voor je verborgen te houden hoe mijn leven was en uiteindelijk te voorkomen dat je mijn moeder werd?

De eerste bladzijden van dit verhaal hadden als titel kunnen hebben: Gevecht van een zoon die geen zoon wilde worden.

Het jaar waarin ze op vakantie wilde – ze kwam de keuken binnen en vertelde ons dat haar besluit vaststond. We gingen op reis. Ze dacht terug aan de vorige keren dat ze in de bergen was geweest, als kind, toen de artsen haar naar het Centraal Massief stuurden omdat ze erge last van astma had. Ik was daar met mijn vader, zat naast hem televisie te kijken toen ze meedeelde: We gaan naar de bergen. Mijn vader lachte. Hij bleef naar zijn programma kijken en gaf als commentaar: Waar is dat nou weer goed voor

Auteursfoto (c) Arnaud Delrue

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief