nieuws

Sue Stuart-Smith over hoe we gelukkiger worden van wieden, zaaien en snoeien

In Tuinieren voor de geest onderzoekt psychiater Sue Stuart-Smith wat voor effect tuinieren heeft op ons geestelijk welzijn, het vermogen tot zelfreflectie en op onze creativiteit. Dat wieden, zaaien en snoeien invloed heeft op onze innerlijke wereld blijkt ook uit resultaten van horticulturele therapie, waarbij tuinieren als remedie wordt voorgeschreven om psychische problemen, zoals verslaving, depressie, eenzaamheid en PTSS, te behandelen.
Stuart-Smith baseert zich voor haar boek op de neurowetenschap en de psychoanalyse, en put rijkelijk uit haar eigen praktijk en uit het echte leven. Ze laat zien hoe tuinieren zich niet slechts beperkt tot het verzorgen van bloemen en planten, maar dat het helend kan werken en inspiratie kan bieden om de geest te verrijken. Lees hieronder alvast meer over  Tuinieren voor de geest of ontdek de artikels die afgelopen weekend verschenen op www.tijd.be en www.hbvl.be.

1 Begin

‘Stap in het licht van de dingen,
laat de natuur je leraar zijn.’ – William Wordsworth (1770-1850)

Lang voordat ik psychiater wilde worden en ik ook maar in de verste verte vermoedde dat tuinieren misschien een belangrijke rol in mijn leven zou gaan spelen, kreeg ik te horen hoe mijn grootvader er na de Eerste Wereldoorlog weer bovenop is gekomen.

Hij was geboren als Alfred Edward May, maar werd altijd Ted genoemd. Toen hij nog maar nauwelijks zijn jongensjaren ontgroeid was, nam hij dienst bij de Royal Navy, waar hij als marconist aan boord van een onderzeeboot werd gestationeerd. In het voorjaar van 1915 liep zijn boot tijdens de Gallipoli-campagne aan de grond in de Dardanellen. Net als de meeste andere bemanningsleden kwam hij er levend uit, maar werd hij vervolgens gevangengenomen. Ted hield destijds een dagboekje bij en daarin heeft hij de eerste maanden van zijn Turkse gevangenschap vastgelegd, maar de periode daarna, die hij onder bijzonder zware omstandigheden doorbracht in een reeks werkkampen, wordt daarin niet beschreven. Het laatste van die werkkampen was een cementfabriek aan de kust van de Zee van Marmara, waaruit hij uiteindelijk in 1918 overzee zou ontsnappen.

Ted werd gered en behandeld aan boord van een Brits hospitaalschip, waarin hij net voldoende op krachten wist te komen om aan de lange thuisreis over land te beginnen. Hij verlangde ernaar om herenigd te worden met zijn verloofde, Fanny. Hij had als sterke en gezonde jongeman afscheid van haar genomen, maar toen hij maanden later gehuld in een rafelige oude regenjas en met een Turkse fez op zijn hoofd bij haar voor de deur stond, kende ze hem bijna niet terug, want hij woog nog geen veertig kilo en was volkomen kaal geworden. De meer dan zesduizend kilometer lange thuisreis was ‘verschrikkelijk’ geweest, vertelde hij Fanny. Tijdens het medisch onderzoek door de Royal Navy bleek hij zo ondervoed dat ze hem hooguit een paar maanden te leven gaven.

Fanny voerde hem echter trouw elk uur kleine hapjes soep, zodat zijn spijsvertering geleidelijk aan weer op gang kwam. Ted begon aan zijn trage herstelproces en niet lang daarna trouwden ze. In dat eerste jaar zat hij vaak urenlang met twee zachte borstels over zijn kale hoofd te strijken om zijn haar weer te laten groeien. Toen dat eindelijk gebeurde, bleek het een weelderige bos, maar was het wel spierwit.

De volgende fase van Teds herstel begon in 1920, toen hij zich aanmeldde voor een eenjarige opleiding tot hovenier.
Liefde, geduld en doorzettingsvermogen stelden Ted in staat om te ontkomen aan de sombere prognose van de artsen, maar zijn ervaringen in het gevangenkamp lieten hem niet meer los, en ’s nachts waren zijn angsten het hevigst. Hij was vooral bang voor spinnen en krabben, omdat die voortdurend over de gevangenen heen waren gekropen terwijl ze probeerden te slapen. Nog jarenlang vond hij het onverdraaglijk om alleen te zijn in het donker. De volgende fase van Teds herstel begon in 1920, toen hij zich aanmeldde voor een eenjarige opleiding tot hovenier – een van de vele initiatieven in de naoorlogse jaren om getraumatiseerde ex-militairen weer te laten terugkeren in de samenleving.

Na deze opleiding vertrok hij naar Canada, terwijl Fanny thuis achterbleef. Hij ging op zoek naar nieuwe kansen, in de hoop dat zijn lichamelijke en geestelijke krachten van op het land werken nog verder zouden toenemen. In die tijd waren er Canadese overheidsprogramma’s waarbij ex-militairen werden aangemoedigd om te immigreren, en duizenden Britse mannen die waren teruggekeerd uit de oorlog, maakten de lange overtocht.

Ted werkte als seizoenarbeider bij de graanoogst in Winnipeg en vond daarna een vaste baan als tuinman op een ranch in Alberta. Fanny kwam over en een deel van de twee jaar die hij daar werkte hebben ze samen doorgebracht, maar om de een of andere reden is hun droom om in Canada een nieuw bestaan op te bouwen niet tot bloei gekomen. Toch was Ted na zijn terugkeer sterker en gezonder dan voorheen.

Een paar jaar later kochten Fanny en hij een kleine boerderij in Hampshire, waar Ted varkens, bijen en kippen hield en bloemen, fruit en groenten teelde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij vijf jaar bij het radiostation van de admiraliteit in Londen; mijn moeder herinnert zich nog de pigskin koffer vol thuis geslacht vlees en zelf verbouwde groenten die hij altijd met zich meenam als hij op de trein stapte; als hij terugkwam, zat er dan suiker, boter en thee in. Ze vertelt met enige trots dat het gezin tijdens de oorlog nooit margarine hoefde te eten, en dat Ted zelfs zijn eigen tabak verbouwde.

Ik herinner me zijn goede humeur en hartelijke karakter. De vriendelijkheid die hij uitstraalde, was in mijn kinderlijke ogen afkomstig van een robuuste man die goed in zijn vel zat. Hij straalde rust uit en liep niet met zijn trauma’s te koop. Hij kon urenlang bezig zijn in zijn tuin en zijn broeikas, met zijn onafscheidelijke pijp in zijn mond en zijn tabakszak onder handbereik. Dat lange en gezonde leven – hij is bijna tachtig jaar oud geworden – en de wijze waarop hij zich verzoend had met een deel van zijn afschuwelijke ervaringen, wordt in onze familiemythologie toegeschreven aan de heilzame effecten van zijn werk in de tuin en op het land.

Toen ik twaalf was, overleed Ted plotseling aan een aneurysma terwijl hij aan het wandelen was met zijn geliefde Shetland sheepdog. De plaatselijke krant publiceerde een overlijdensbericht met als kop: ‘Voormalig jongste duikbootbemanningslid overleden’. In dat bericht stond te lezen dat Ted tijdens de Eerste Wereldoorlog twee keer dood was gemeld, en dat hij en een aantal andere krijgsgevangenen na hun ontsnapping uit de cementfabriek 23 dagen uitsluitend op water hadden geleefd. Het overlijdensbericht besloot met zijn liefde voor tuinieren: ‘Hij besteedde een groot deel van zijn vrije tijd aan het onderhoud van zijn grote tuin, en heeft zich plaatselijke roem verworven als kweker van enkele zeldzame orchideeën.’

Het overlijdensbericht besloot met zijn liefde voor tuinieren.
Ergens diep in haar innerlijk moet mijn moeder daarop teruggevallen zijn toen mijn vader nog voor zijn vijftigste overleed en haar als betrekkelijk jonge weduwe achterliet. In de tweede lente na zijn dood vond ze een nieuw huis en nam ze de taak op zich om de verwaarloosde tuin weer op te knappen. Hoewel ik destijds, zoals dat met jongeren gaat, erg met mezelf bezig was, viel het me toch op dat ze naast al het spitten en wieden ook een proces doormaakte waarin ze zich verzoende met zijn dood.

In dat stadium van mijn leven was tuinieren niet iets waarvan ik dacht dat ik er ooit veel tijd aan zou besteden. Ik was geïnteresseerd in de literaire wereld en vast van plan om me aan het leven van de geest te wijden. Wat mij betrof was tuinieren een vorm van huishoudelijk werk in de openlucht, en onkruid wieden trok me al net zomin als scones bakken of gordijnen wassen.

Tijdens mijn studie was mijn vader voortdurend ziekenhuis in en ziekenhuis uit gegaan, en hij overleed toen ik aan mijn laatste jaar begon. Ik werd ’s ochtends vroeg gebeld met het nieuws, en zodra het licht werd, liep ik door de stille straten van Cambridge naar het park en daardoorheen naar de rivier. Het was een zonnige oktoberochtend en de wereld was groen en stil. Het gras, de bomen en het water boden op de een of andere manier troost. In die vredige omgeving kon ik de afschuwelijke werkelijkheid onder ogen zien en tot me laten doordringen dat hoe mooi de dag ook zijn mocht, mijn vader daar geen getuige meer van was.

Misschien heeft deze plek vol groen en water me herinnerd aan gelukkigere momenten, en aan het landschap dat ik als kind had leren kennen. Mijn vader had een boot op de Theems liggen, en toen mijn broer en ik klein waren, hebben we vele vakanties en weekends op het water doorgebracht. Eén keer zijn we zelfs op expeditie gegaan naar de bron van de rivier, of in ieder geval naar een plek daar zo dichtbij mogelijk. Ik herinner me de stille, mistige ochtenden nog, en het verrukkelijk onbekommerde spelen in de zomerse uiterwaarden, en het vissen met mijn broer – dat was wat we toen het liefst deden.

In mijn laatste paar trimesters in Cambridge kreeg poëzie voor mij nieuwe emotionele betekenis. Mijn wereld was onherroepelijk veranderd en ik zocht houvast in verzen over de troost van de natuur en de cyclus van het leven. Dylan Thomas en T.S. Eliot boden allebei troost, maar het meeste had ik aan Wordsworth, de dichter die zelf had geleerd:

Om de natuur te bezien, niet als in het uur
van de gedachteloze jeugd; maar terwijl ik vaak
de stille, trieste muziek der mensheid hoor (…).

***

Verdriet isoleert, ook als dat verdriet gedeeld wordt. Een verlies dat een gezin verwoest, wekt de behoefte om op elkaar te leunen, maar tegelijkertijd lijden alle gezinsleden onder het verlies van een dierbare, en zijn ze allemaal de instorting nabij. Mensen zijn dan geneigd om elkaar te beschermen tegen al te veel rauwe emotie, en dus kan het soms gemakkelijker zijn om je gevoelens uitsluitend aan de oppervlakte te laten komen als er geen andere mensen bij zijn. Bomen, water, stenen en lucht mogen dan op geen enkele manier beïnvloed worden door menselijke emoties, ze wijzen ons ook niet af. De natuur laat zich niet door ons raken en omdat we haar niet met onze gevoelens kunnen aansteken, kunnen we in haar gezelschap een vorm van troost vinden die de eenzaamheid van het verlies draaglijker maakt.

In de eerste paar jaar na de dood van mijn vader voelde ik me aangetrokken tot de natuur, zij het niet in tuinen, maar aan zee. Zijn as was niet ver van zijn huis aan de zuidkust uitgestrooid in het water van de Solent, de drukbevaren zeestraat tussen Engeland en het eiland Wight, maar ik vond vooral troost op de lange, verlaten stranden van noordelijk Norfolk, waar vrijwel geen schip te bekennen was. De horizon hier was breder dan ik ooit had gezien. Het voelde als het einde van de wereld en ik had het gevoel dat ik hier zo dicht bij hem in de buurt kwam als het maar kon.

Omdat ik voor een van mijn tentamens Freud had gelezen, had ik belangstelling gekregen voor de werking van de psyche. Mijn plan om te promoveren in de Engelse literatuur liet ik varen, en ik besloot in plaats daarvan medicijnen te gaan studeren. In het derde jaar van de artsenopleiding trouwde ik met Tom, voor wie tuinieren een manier van leven was. Omdat hij daar zo van hield, besloot ik zijn voorbeeld te volgen, maar eerlijk gezegd was ik nog steeds een tuinscepticus. Tuinieren leek me destijds gewoon het zoveelste huishoudelijke klusje, al was het een stuk prettiger (als de zon scheen tenminste) om zulke klusjes buiten te doen dan binnen.

Een paar jaar later verhuisden we samen met onze nog piepkleine Rose naar een paar verbouwde boerenschuren niet ver van het huis van Toms familie in Serge Hill in Hertfordshire. In de jaren daarna kreeg Rose gezelschap van Ben en Harry, terwijl Tom en ik ons op het aanleggen van een volkomen nieuwe tuin stortten. The Barn, zoals we ons nieuwe huis hadden genoemd, werd omgeven door open veld, en omdat het op een noordelijke heuvelhelling lag, hadden we vooral beschutting nodig tegen de wind. We spitten een paar stukken grond om op de stenige helling, plantten bomen en heggen, en maakten omheiningen van met leem opgevuld vlechtwerk; en daarnaast spanden we ons erg in om de grond te verbeteren. Niets van dit alles hadden we gekund zonder enorm veel steun en aanmoediging van Toms ouders en een aantal hulpvaardige vrienden. Als we een keien feestje gaven, hielp Rose samen met haar grootouders, ooms en tantes mee om eindeloze reeksen emmers vol te stoppen met keien en kiezels en die vervolgens weg te sjouwen.

Ik was me echter wel sterk bewust van de groeiende betekenis van de tuin in het leven van onze kinderen.
Ik was lichamelijk en emotioneel ontworteld geraakt en moest opnieuw het gevoel zien op te bouwen dat ik hier thuis was, maar ik zag tuinieren nog steeds niet als een bezigheid die me zou kunnen helpen om me thuis te gaan voelen. Ik was me echter wel sterk bewust van de groeiende betekenis van de tuin in het leven van onze kinderen. Ze begonnen met hutten bouwen in het struikgewas en brachten urenlang door in zelfverzonnen werelden, die de tuin tot een plek maakten die zowel in hun fantasie als in de werkelijkheid bestond. Pas toen Harry, onze jongste, de kleuterleeftijd had bereikt, begon ik eindelijk zelf planten te telen. Ik raakte geïnteresseerd in kruiden en verslond er hele boeken over. Dit nieuwe studiegebied leidde tot experimenten in de keuken en een kruidentuintje dat inmiddels ‘van mij’ was. Er waren een paar tuinrampen, waaronder een invasie van komkommerkruid en een bijzonder hardnekkige soort zeepkruid, maar gerechten met allerlei zelfgekweekte kruiden maakten ons leven aangenamer, en van daaruit was het maar een kleine stap om ook zelf groenten te gaan kweken. Ik vond het fantastisch, maar het ging me in dat stadium alleen nog maar om de oogst!

Tegen die tijd was ik halverwege de dertig en werkte ik als psychiater in de Engelse gezondheidszorg. Doordat mijn tuinwerk concrete resultaten opleverde, vormde dat een fraai contrast met mijn professionele leven, waar ik te maken had met de veel minder tastbare eigenschappen van de geest. Mijn werk ‘op zaal’ en in allerlei klinieken speelde zich namelijk binnenshuis af, maar het tuinieren bracht me weer in contact met het buitenleven.

Ik ontdekte hoe plezierig het was om met niets bijzonders in gedachten door de tuin te zwerven en op te merken hoe de planten veranderden, groeiden, verlepten of juist vrucht droegen. Geleidelijk aan begon ik anders tegen alledaagse klusjes aan te kijken. Het drong tot me door dat het bij wieden, schoffelen en water geven er niet zozeer om gaat dat je snel klaar bent, maar juist om er al doende volledig bij betrokken te raken. Water geven is kalmerend – zolang je er geen haast mee hebt – en, vreemd genoeg, voel je je als je klaar bent al net zo opgefrist als de planten zelf.

Planten opkweken uit zaad was het grootste genoegen dat ik destijds aan mijn tuin beleefde – en ook nu heb ik daar nog steeds veel plezier in. Aan zaad is op geen enkele manier te zien wat eruit gaat komen en hun omvang houdt geen verband met het latente leven dat ze bevatten. Bonen komen spectaculair snel op. Erg mooi zijn ze niet, maar je kunt hun brute kracht onmiddellijk voelen. De zaadjes van de tabaksplant zijn zo fijn als stofkorreltjes, zodat je niet eens kunt zien waar je ze hebt gezaaid. Het lijkt onwaarschijnlijk dat er ooit iets uit zal opkomen, laat staan dat ze je hele wolken vol geurige tabaksplantbloemen zullen opleveren, maar toch gebeurt dat. Ik kan voelen hoe nieuw leven tot hechting leidt doordat ik merk dat ik bijna dwangmatig telkens weer naar mijn zaadjes en zaailingen ga kijken. Als ik naar de broeikas loop, stap ik met ingehouden adem naar binnen omdat ik de stilte van al dat ontluikende leven niet wil verstoren.

Als je aan het tuinieren bent, valt tegen de seizoenen in wezen niets in te brengen, al kun je sommige dingen wel een beetje uitstellen – ik strooi dat zaad volgende week wel uit, die bollen plant ik van het weekend wel. Er komt een moment waarop je je realiseert dat je getreuzel elk ogenblik een gemiste kans kan worden, maar net zoals je vanzelf door de stroom wordt meegevoerd als je in een rivier springt, gaat het ook met zaad en zaailingen. Als ze eenmaal geplant zijn, word je meegesleurd door de energie van de aardse kalender.

Als ze eenmaal geplant zijn, word je meegesleurd door de energie van de aardse kalender.
Ik geniet het meest van tuinieren in de voorzomer, als de groeikracht op zijn sterkst is en er veel geplant moet worden. Zodra ik eenmaal begonnen ben, weet ik niet meer van ophouden. Ik werk door in het wegstervende avondlicht totdat het zo donker is dat ik vrijwel geen hand voor ogen meer kan zien. Als ik ophoud, straalt het huis aan alle kanten licht uit en lokt de warmte me weer naar binnen.

Natuurlijk is er geen enkele manier om te tuinieren zonder dat er van alles mislukt. Telkens weer zijn er van die momenten waarop je vol verwachting naar buiten stapt en dan geconfronteerd wordt met de trieste restanten van prachtige jonge sla of hele rijen genadeloos kaalgevreten boerenkool. De gedachteloze eetgewoonten van slakken en konijnen kunnen machteloze woede opwekken, en de vasthoudendheid en het doorzettingsvermogen van allerlei soorten onkruid kunnen dodelijk vermoeiend zijn.

Niet alle voldoening die je kunt ontlenen aan het verzorgen van planten heeft te maken met het scheppen van nieuw leven. Het mooie van destructief zijn in de tuin is dat dat niet alleen mag, maar zelfs noodzakelijk is, want als je niet zo nu en dan dingen stukmaakt, raakt je hele tuin overwoekerd. Heel veel dingen die je doet tijdens het tuinieren zijn doortrokken van agressie, zoals bijvoorbeeld planten snoeien, de moestuin stevig omspitten, slakken afslachten, kriebelmuggen doodslaan, kleefkruid uitrukken en brandnetels wieden. Je kunt je daar vol enthousiasme en zonder enige terughoudendheid op storten, want het is allemaal vernietigen omwille van het scheppen. Nadat je urenlang op zo’n manier in de tuin hebt gewerkt, kun je je lichamelijk helemaal op voelen, maar innerlijk toch ook weer helemaal nieuw, zowel gezuiverd als van nieuwe energie voorzien, alsof je in de loop van dat proces ook aan jezelf hebt gewerkt. Het is een soort van tuincatharsis.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief