leesfragment

‘Summer’ van Monica Sabolo

Tijdens een picknick aan het Meer van Genève loopt het negentienjarige meisje Summer weg. Ze is verdwenen in het bos, of opgeslokt door het donkere water van het meer. Vijfentwintig jaar later wordt Benjamin nog altijd gekweld door de herinnering.

Het plotselinge gemis van Summer maakte geheimen wakker in het gezin, dat vooral veel waarde hecht aan uiterlijk vertoon. Gaandeweg komen er allerlei leugens aan de oppervlakte…

Nieuwsgierig? Lees hieronder alvast de eerste pagina’s van Summer van Monica Sabolo!

In mijn dromen is er altijd het meer. De zomer dat het gebeurde, die zomer waarvan me niets is bijgebleven, of alleen een paar beelden, als scherpe en glanzende foto’s, in die maand juli dat ons leven voorgoed veranderde, was het zo vreselijk warm dat de vissen in het Meer van Genève boven kwamen drijven. Als je aan de waterkant ging staan zag je die donkere gedaanten aan de oppervlakte verschijnen, als monsters die naar lucht hapten, en je kon je de binnenkant van hun bek voorstellen, het weerzinwekkende roze vlees.

Voor het gevoel dat ik geen lucht meer krijg. Dat ik stik.
Volgens dokter Traub, bij wie ik nu al drie maanden en twee weken in behandeling ben, met een frequentie van twee sessies per week – drie maanden dat ik nu al tegen zijn bezwete voorhoofd, zijn wijkende haarlijn aan kijk, over hoeveel jaar, drie, vier, is hij kaal? –, staan die vissen die steeds weer terugkomen in mijn dromen misschien wel voor mezelf. Voor het gevoel dat ik geen lucht meer krijg. Dat ik stik.

Vierentwintig jaar en dertien dagen geleden is het gebeurd. Vierentwintig jaar en dertien dagen dat ik me niets meer kan herinneren, alleen een paar flitsen, een explosie van wit en licht, en daarna niets meer.

Vissen, donker, slijmerig. Varens, lichtgevend, geplet. De haren van de vriendinnen van mijn zus die terwijl ze naar links en naar rechts kijken over hun blote schouders zwieren, ze zoeken Summer en roepen haar naam.

In mijn dromen glimt het meer als een gladde spiegel of een glazen plaat. Het water lijkt tegelijk warm en ijskoud.

Ik heb zin om erin te duiken en te gaan kijken, maar de vissen zijn donker en de onderwaterplanten ontvouwen zich als tentakels. Buigzame, glanzende wieren die heen en weer wiegen in de stroming.

Soms is Summer er, roerloos, vlak onder de waterspiegel. Haar ogen zijn wijd open. Ze probeert iets te zeggen, of misschien adem te halen. Haar haren bewegen mee met de stroom, het is alsof ze leven. Ik strek mijn hand uit, mijn vingers beroeren het water. Maar ze is het niet, het zijn de algen die de vorm van een lichaam hebben aangenomen. Of soms is het een rap en donker dier dat onder water tussen de stenen door schiet.

Toch weet ik dat ze daar ergens is.
Toch weet ik dat ze daar ergens is.

Sinds die dag, die dag in juli dat mijn zus ging picknicken aan de oever van het meer – immense, lichtgevende varens, vochtige, glibberige rotsen – en ik van haar mee mocht, met haar en haar vriendinnen – cascade van losse haren, bontgekleurde bikini’s, glanzend gelakte nagels, caleidoscoop van roze, rood en vermiljoen, in close-up – heb ik niet veel aan haar gedacht. Bijna nooit, hoe vreemd en harteloos dat ook mag lijken. En toch was ik dol op haar. Op klassenfoto’s kon je niet om haar heen, zij was die breedlachende schoonheid met dat onwaarschijnlijk blonde haar, het soort meisje waar alle jongens in de klas verliefd op zijn. Ik sta op foto’s nooit in het midden, altijd wat achteraf, met mijn achterlijke kop.

Mijn zuster, Summer, geboren aan het begin van de zomer.

Mijn zuster Summer, verdwenen in de zomer.

Nog geen drie weken na haar verjaardag. De zomer dat ze negentien werd.

Mijn moeder zei altijd dat ze als pasgeboren baby zulk wit haar had dat het licht gaf.

Mijn moeder die geen Engels sprak en allesbehalve romantisch was aangelegd, had haar dochter een cheerleadersnaam gegeven, de naam van een Californisch popsterretje. Een naam die deed denken aan een bloemenveld waar bonte vlinders rondfladderen. Of aan een knalrode Corvette die over een kustweg langs de oceaan scheurt.

Mijn zus leek echt net een schoonheidskoningin uit een Amerikaanse soap, zo’n volmaakt meisje met van die elastieken benen, onwerkelijk witte tanden en in haar ogen een ongrijpbare glimp van pijn of verdriet. Een van die meisjes die dromen koesteren die te groot voor hen zijn, of die jongens op hun hart trappen, een diepe wrok bij hen nalaten, en dan eindigen in de achterbak van een terreinwagen, ergens diep in een bos.

Maar dat ik zulke melodramatische gedachten heb komt waarschijnlijk omdat ze er niet meer is. Ik dacht dat soort dingen nooit toen ons leven nog gewoon het leven was en het leek alsof dat altijd zo zou blijven. In die jaren was ze gewoon mijn grote aanbeden zus die met blauw opgemaakte ogen chocomel door een rietje dronk, mijn grote zus die me de verblufte en opgewonden sneren van de jongens in mijn klas opleverde (‘ach je lult, is dat je zus?!’; ‘hé Wassner, je zou die zus van jou wel een beurt willen geven, hè?’; ‘weet je zeker dat je niet geadopteerd bent?’).

Ik ben het levende bewijs dat je kunt leven zonder de mensen van wie je het allermeest houdt, de mensen die de duizenden minuscule stukjes bij elkaar houden waaruit we bestaan. We zijn doodsbang om hen te verliezen omdat ze ons het gevoel geven dat we echt bestaan, of in ieder geval een beetje bij de wereld horen, maar als ze er ineens niet meer zijn, denken we er niet meer aan.

Ik heb geen flauw idee waar ze is, net zomin als ik weet waar de magere en nerveuze puber van veertien is gebleven die ik toen was. Misschien zijn ze wel ergens samen, in een parallelle wereld waar je belandt als je door een spiegel of in het water van een zwembad stapt.

Haar mond is open, trillend als de bek van die donkere vissen.
’s Nachts praat Summer onder water tegen me. Haar mond is open, trillend als de bek van die donkere vissen.

Kom me halen Benjamin alsjeblieft ik ben hier kom me halen alsjeblieft alsjeblieft.

Als een geruis, het gemurmel van water.

Ik ben hier.

Dokter Traub, die vaak glimlacht – te vaak, alsof hij alles weet, alsof hij weet waar ze is, alsof die glimlach, die samengeknepen vlezige lippen de geheimen van ons leven omvatten –, dokter Traub zegt dat het normaal is. Ik heb het nooit kunnen verwerken.

Het is klassiek, zegt dokter Traub.

Klassiek? In een zucht je zus verliezen? Ze lacht, ze rent, verdwijnt in het hoge struikgewas, en opeens is het voorbij, ze is niet dood, of misschien wel, we weten het niet, niemand vraagt het zich nog af, niemand heeft het verwerkt, het is gewoon gebeurd, of misschien is het wel een droom, ze is gewoon verdwenen, achter een boom, en daarna niets meer, vierentwintig jaar en dertig dagen lang, ergens, in de wind, de bomen, het water. Waar anders?

Ik knik en wacht op mijn recept (Deroxat, 50 mg per dag, Xanax, 4 mg per dag), ik weet niet wat hij bedoelt. Ik kijk naar zijn haar dat op zijn retour is en eruitziet alsof hij net uit het zwembad komt, ik glimlach, het is een tweede natuur van me geworden. Dokter Traub glimlacht ook, alsof hij tevreden is over hoe ons gesprek verloopt, alsof alles normaal is, alsof we op de goede weg zijn, o mijn god.

Dokter Traub heeft graag dat ik hem over mijn dromen vertel. Hij gaat breeduit in zijn stoel zitten en knikt instemmend, hij heeft vast het gevoel dat hij me heeft waar hij me hebben wil. Je zou bijna denken dat hij de heer over alle dromen is, hij heerst over de nacht, de diepe wateren waar ik in rondzwem, in dat onderwaterwoud dat als een warrige bos haar naar de oppervlakte komt.

De gedaante van Summer lost op en met haar valt de hele wereld in miljoenen deeltjes uiteen
Maar ik weet dat dokter Traub daar nooit is geweest. Niemand is daar ooit geweest. Zelfs ik, die soms door die andere wereld dwaal, meegevoerd in het donkere water of misschien wel heel hoog in de hemel, een van die zomers dat de lucht zo vochtig is dat lichamen worden opgetild en zachtjes worden meegevoerd, als een bootje in de stroming, zelfs ik ben daar maar een bezoeker. Ik word wakker met een metalige of modderige smaak in mijn mond, de gedaante van Summer lost op en met haar valt de hele wereld in miljoenen deeltjes uiteen. Een regen van as in een immense hemel versluiert de tijd, wat gebeurd is en wat nog moet komen, en gaat op in het donker, nachtstof in de nacht.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief