leesfragment

‘Tom Clancy Erecode’ van Mark Cameron

0

Het begint met een sms. President Jack Ryans vriend (en voormalig CIA-agent) pater Pat West waarschuwt hem voor een ‘honey trap’ – een val die is opgezet door een geheim agente die uit is op informatie – en een mogelijke moordaanslag. Daarna blijft het stil. Doodstil. En dus heeft Jack twee problemen. Hij moet zijn vriend helpen, die verdwenen is in Indonesië, en hoe groot de dreiging van de honey trap is. Maar terwijl hij zich hierop concentreert speelt er zich achter zijn rug een ander, schimmig spel af…

Lees hier de eerste pagaina’s van Erecode, de nieuwste thriller in de Tom Clancy-reeks.

1

Was de jonge vrouw aan de bar iets aantrekkelijker geweest, dan zou Geoff Noonan misschien een valstrik hebben vermoed.

Pas op je tellen.’ Dat zeiden ze altijd. O, hij paste wel op, hoor, en dit ging prima zo.

Die beveiligingsgorilla’s op het werk waren jaloers op de reisjes van anderen, vertrouwden op acroniemen, griezelige statistieken en domme regels als die ‘pas op je tellen’-bullshit bij elke vergadering. Deze pretbedervers wezen je er vrolijk op dat een ‘vijf ’ in Plymouth nog steeds een ‘vijf ’ was in Phuket of Phnom Penh, of waar dan ook wat dat betreft. Graag herinnerden ze iedereen eraan dat achten en negens niet op een magische manier met een vijf probeerden aan te pappen. Nooit. Als de situatie te mooi was om waar te zijn, dan was het een val. Noonan was een techneut, een softwareontwikkelaar, slim genoeg om te weten dat de ongelikte gorilla’s meestal gelijk had[1]den. Maar soms… Soms gaven de omstandigheden iets anders aan. Soms had een lekkere meid niet in de gaten dat ze een lekkere meid was, vooral als ze net lekker genoeg was.

Noonan zag dat de Indonesische schoonheid haar tenen op de dwarsstang van de barkruk krulde, zoals een kat de punt van zijn staart heen en weer kan bewegen om overtollige energie kwijt te ra[1]ken. Dit was mooi, hoor, maar niet te mooi. Of toch? Neuh. Het was niet alsof ze een acht was of zo.

De Magma Lounge in het Hilton in Bandung, Indonesië, had van die grote leren banken waarin mensen leken te worden opgeslokt, vooral als ze korte benen hadden, zoals Noonan. Weggezakt in on[1]mogelijk zachte kussens waren zijn gedachten niet bij zijn vrouw, zijn twee kinderen, de baby op komst of zijn schoonvader, een federale rechter in Hartford. Het risiconiveau van zijn daden en de ge[1]volgen van een verhouding hadden hem nog even aan het denken moeten zetten voordat hij deze vrouw vroeg om bij hem te komen zitten, maar ze kwamen geen moment in hem op. Hij was te druk bezig met hoe hij zich overeind kon hijsen zonder als een sukkel over te komen zodra het moment daar was.

Het meisje aan de bar was naar Noonans smaak knap genoeg, maar niet zo mooi om de alarmbellen te laten rinkelen. Het was in elk geval twijfelachtig of hij die gehoord zou hebben. Zijn voorganger van de Eerste Gemeentekerk in Beacon Hill had er onlangs tijdens een huwelijkstherapiesessie op gewezen dat Geoff het vermogen ontbeerde om schuldgevoelens te hebben voordat hij een grens overschreed; dat kriebeltje in de nek dat de meeste mensen waar[1]schuwde voordat ze de fout in gingen. Noonan had wel een geweten. Het duurde alleen even voordat het ging opspelen. Meteen na de daad, wat het ook was, zwolg hij steevast in een schuldgevoel. Alleen leek hij zich dat gevoel vooráfgaand aan een daad niet te herinneren, en dat onvermogen bracht hem constant in de problemen.

Opnieuw ving hij de blik van het meisje.
Opnieuw ving hij de blik van het meisje.

Voorlopig zagen de problemen er verdomme behoorlijk lief uit. Haar honingkleurige huid en volmaakte gelaatstrekken deden vermoeden dat ze Soendanees was, de grootste etnische groep in Bandung. En in West-Java, wat dat aangaat. Volgens de meeste Indonesiërs waren Soendanezen de aantrekkelijkste mensen van hun land. Lastig om tegen in te gaan, hoewel Noonan moest toegeven dat sinds hij en zijn bazen vijf dagen eerder in Jakarta waren aangekomen voor de gamebeurs, hij weinig lelijke meiden had gezien. Bandung was zelfs beter, en erger, maar vooral beter.

Blauwe ogen en strokleuraccenten in het donkere haar van het meisje deden vermoeden dat ze aardig wat Hollandse takken in haar stamboom had, een overblijfsel uit de Verenigde Oost-Indische plantages waar thee en kinabomen waren verbouwd, waaruit nog steeds kinine werd gewonnen. De strakke, vuurrode jurk had een hartvormige halslijn onder haar sleutelbeenderen. De vuistgrote, zwoele zwelling van haar zichtbare decolleté contrasteerde op een sexy manier met hoe ze nerveus de tenen van een sierlijke voet krulde en een schoen aan de andere voet liet bungelen. Noonan schoof naar voren op de diepe kussens om zijn derde dirty martini van de avond van de ober aan te nemen. Hij hield het glas omhoog naar het meisje. Altijd gevaarlijk, zo’n toost in de lucht. Er was altijd een kans dat ze naar iemand of iets achter hem keek. Noonan hield zijn adem in tot haar kleine mond zich tot een fijne glimlach vormde en ze het gebaar met haar eigen glas beantwoord[1]de; een sapje zo te zien. Dat was geen verrassing, aangezien de meeste Soendanezen moslim waren. Hij vroeg zich af of haar vroomheid haar ervan zou weerhouden om met een kerel aan de bar aan te pap[1]pen. Misschien had ze hier met een vriendin afgesproken.

Daar ging hij dan nu achter komen.

Ze kwam over het bloementapijt op hem af getrippeld, de rode jurk zo strak om haar buik dat hij de welving van haar navel tegen de stof kon zien. De nervositeit was inmiddels verdwenen. Haar tred was zelfverzekerd, maar niet hooghartig, alsof ze wist dat ze aantrekkelijk was maar niet van plan was om dit als wapen in te zetten. Gewoon om zeker te zijn keek Noonan even over zijn schouder. Hij wilde niet voor paal staan als hij overeind kwam om haar te begroeten en zij hem voorbijliep om met de een of andere vriendin te praten.

Er was niemand, een feit dat Geoff Noonan een stoot adrenaline bezorgde die van zijn hoofd tot in zijn tenen reikte. Dit zou eigenlijk best weleens kunnen lukken.

Noonan was zelfbewust genoeg om te weten dat hij een grensgevalletje zes was.
Noonan was zelfbewust genoeg om te weten dat hij een grensgevalletje zes was. De meiden op het werk noemden hem de Gifdwerg, wat niet aardig was omdat een meter zeventig echt niet zo klein was. Hij vermoedde dat het meer te maken had met de moppen die hij tapte in de kantine.

Toen de vrouw halverwege was kwam hij uit de bovenmaatse bank overeind, waarbij hij extra zijn best deed om niet te wankelen.

Dit exemplaar was een solide zeven, met naar Noonans smaak iets te hoekige heupen, en van boven was ze niet zo vol als hij normaal mooi vond, maar ja, ze was zeker weten een zeven. Een zeven die aanpapt met een zes. Dat kon werken. Bovendien was hij Amerikaan. Dat was een punt waard. Toch? Misschien wilde ze gewoon een gratis drankje terwijl ze haar Engels oefende, maar zelfs dat zou beter zijn dan in zijn eentje in een bar zitten na de dag die hij had gehad.

Vanbinnen kriebelde iets veel aangenamers dan een schuldgevoel.

Twee weken geleden was Geoff Noonan bij Parnassus Games in Boston een geniale zij het ietwat enge softwareontwikkelaar geweest, tevreden om online te gokken en misschien stiekem een stripclub vlak bij Boston Common te bezoeken terwijl zijn vrouw op zwangerschapscontrole was. Hij was niet bepaald iemand die overliep van gewetensbezwaren, maar tot voor kort had hij nooit overwogen om zijn bedrijf aan de hoogste bieder te verkopen.

Toen Todd Ackerman bij een fietsongeluk zijn beide benen brak veranderde alles. Ackerman zou de techconferentie in Jakarta bijwonen, maar vanwege zijn verwondingen was die taak overgelaten aan Noonan. Samen hadden ze verscheidene stukjes technologie ontwikkeld, technologie waardoor ze door hun bazen werden opgemerkt. De twee softwareontwikkelaars waren in praktisch alles elkaars tegenpolen, op hun kennis van computergames na. Ackerman was de honkbalster van zijn collegeteam geweest. Noonan werd nog steeds voor elk team als laatste gekozen, of het nu sport betrof of niet. Ackerman was dol op conferenties in verre landen. Van vreemd eten ging Noonan aan de racekak. Menigten bezorgden hem het gevoel alsof iemand een kussen op zijn gezicht drukte. Ackerman was Canadees, stereotiep gemakkelijk, en glimlachte meer dan een normaal iemand zou moeten doen. De bazen brachten graag tijd met hem door, voor een borrel of een potje golf. Ze tolereerden Noonan vanwege zijn genialiteit. Als ze een van de techneuten van bedrijfsspionage hadden verdacht, zou het Noonan zijn geweest, zonder twijfel. Hij was nogal vreemd en stil en glimlachte zelden, tenzij het om een van zijn eigen smerige grappen ging.

Niemand verdacht Ackerman.
Niemand verdacht Ackerman. Hij was de aardige vent. Voor na de conferentie had Ackerman het uitstapje naar Bandung georganiseerd om kennis te maken met de vertegenwoordiger van een aanstormende Indonesische gameproducent. Ackerman regelde de buitenlandse bankrekeningen, de alibi’s, het vluchtplan, alles. Noonan wist heel goed dat hij niet bij de deal betrokken zou zijn geweest als Ackerman niet zijn fiets in de prak had gereden. Hij was een noodzakelijk kwaad, nu een rijk noodzakelijk kwaad.

Aanvankelijk had Noonan bedenkingen gehad, niet omdat dat het juiste was om te doen, maar omdat hij dacht dat het weleens een valstrik kon zijn. Maar toen Ackerman had uitgelegd hoeveel geld ermee gemoeid was, was de deal een makkie geweest. Noonan zou naar die stomme conferentie gaan en de koper spreken, en hij zou de helft van vijfentwintig miljoen dollar vangen. Niet slecht. Zijn vrouw ging elke zondag naar de kerk, ook al had ze voor zover hij wist geen enkele zonde op te biechten. Zelfs zij zou twaalfenhalf miljoen dollar wel begrijpen wanneer hij eraan toekwam om het haar uit te leggen.

Als hij er ooit aan toekwam. Zo’n smak geld maakte het gemakkelijk om te verdwijnen.

En trouwens, het was niet eens stelen. Ackerman en Noonan waren immers degenen geweest die de technologie hadden ontwikkeld. Waarom zouden ze die niet kunnen verkopen?

De beurs was afgeladen geweest met nerds, volwassenen die hun geld verdienden met het spelen en ontwikkelen van gamesystemen. Net als veel van de bezoekers was Noonan een einzelgänger, een introvert type dat het gezelschap van een computerscherm in een flauw verlichte kelder verkoos boven mensen van vlees en bloed. Terwijl een verzameling gelijkgestemden sommigen zou kunnen opvrolijken, zogen drukke menigten en eindeloze paneldiscussies alle leven uit hem. Hij kreeg er een kloppende hoofdpijn van.

De bobo’s van Warner Bros., Ubisoft, Saga, iedereen in de gameindustrie was aanwezig. De Japanners vormden uiteraard de grootste groep, maar de Zuid-Koreanen, de Chinezen en vertegenwoordigers uit Silicon Valley (onder wie een heleboel Japanners, Koreanen en Chinezen) waren in groten getale aanwezig. Rusland had een kleine vertegenwoordiging, net als India, en een Australisch bedrijf. De Indonesiërs, die zelf graag een vinger in de pap van de gamemarkt hadden, waren gastheer van de beurs, en Suparman Games was feitelijk hun industrieleider.

De beveiligingsgorilla’s in Boston – Noonan noemde hen Larry en Curly, om geen andere reden dan dat ze het haatten – hadden hem gewaarschuwd dat er mensen aanwezig zouden zijn die een buitengewone belangstelling zouden tonen voor een aantal recente innovaties van het bedrijf. Bedrijfsspionage vormde de grootste bedreiging voor de Amerikaanse nationale veiligheid, zeiden ze, terwijl ze zich heel officieel en serieus gedroegen, alsof ze nog steeds FBI’ers waren en niet hulpjes voor een bedrijf dat computergames maakte. Maar ze hadden geen idee dat Calliope zelfs maar bestond, laat staan waartoe het in staat was. Niemand, behalve Noonan en Ackerman. Als de bazen alles hadden geweten, zouden ze elke bestaande kopie onder gewapend toezicht hebben geplaatst.

Ackerman bewaarde er een ergens in een kluis.
Ackerman bewaarde er een ergens in een kluis. Noonan had er twee meegenomen naar Jakarta. Voor alle zekerheid hield hij er een zelf. Vijfentwintig miljoen moest trouw garanderen. En dat zou lukken, zolang de Indonesiërs geen grappen probeerden uit te halen.

De conferentie was een nachtmerrie, met de bazen die hem drie dagen lang onophoudelijk in de gaten hielden. Aanvankelijk wist hij zeker dat ze iets vermoedden, maar ten slotte besefte hij dat ze altijd zo naar hem keken, alsof ze teleurgesteld waren dat hij op het gebied van kunstmatige intelligentie zo’n rockster was dat ze hem onmogelijk konden ontslaan, hoezeer ze hem ook niet mochten.

Ackerman was slim en hij wist dat de bazen na de conferentie weleens in Jakarta zouden kunnen blijven om na te kletsen en te netwerken. De afspraak met de koper had hij gepland in Bandung, een rit van drieënhalf uur naar het zuidoosten ergens weggestopt in de bergen van Parahyangan. Noonan vertelde de bazen dat hij voor zijn vertrek uit Indonesië iets van de berglucht wilde opsnuiven. Ze waren toch op weg naar Australië voor een kamelentoer, dus ze konden niet echt veel zeggen over dat hij een beetje cultuur wilde opsnuiven. Hij wilde in elk geval niet met hen mee.

Bandung was prima, vermoedde Noonan. De derde stad van Indonesië was koeler dan Jakarta en slechts iets dunbevolkter. Men gaf het de bijnaam de bloemenstad of zoiets. Noonan had gehoopt dat dit vanwege de meisjes was, maar het bleek echt om bloemen te gaan. De grijze rotswand van Tangkuban Perahu, een actieve vulkaan van ruim tweeduizend meter hoog, verrees boven de groene bergen dertig kilometer ten noorden van de stad en gaf de lucht een geur die verre van bloemig was.

Noonan trof de koper in een theehuis, één straat bij zijn hotel vandaan. De man leek wel een Indonesische gangster, althans, hoe een Indonesische gangster er volgens Noonan uit zou zien, met een donkere broek, zwarte zonnebril van Oakley en een soort gevangenistatoeage op zijn bovenarm onder de korte mouw van een wit linnen overhemd. De transactie verliep verrassend eenvoudig, zeker gezien het feit hoezeer deze Noonans leven zou veranderen. De USB-stick overhandigen, het geld wordt overgeboekt, Ackerman stuurt de activatiecodes. Bing, bang, boem.

Het was niet als in een film, met een grapje of hees gefluisterd dreigement. De gangster schoof gewoon naar achteren van het tafeltje en vertrok met waar hij voor gekomen was. Geoff Noonan was bijna het theehuis uit gewankeld, worstelend met het bedwelmende feit dat hij nu multimiljonair was. Bijna een uur lang had hij door de drukke straten van Bandung gelopen, uitwijkend voor verkeer en toeristen die de massa’s van Jakarta waren ontvlucht om op te gaan in de massa van deze nieuwe plaats. Verbluft, dat was Noonan. Hij lette niet op waar hij heen ging. De kakofonie van claxons, fietsbellen en mensen die in een taal wauwelden die hij niet verstond, viel hem als talloze klappen uit alle richtingen aan.

Hij was nu een crimineel.
Bij een vleeskraampje riep een kleine man met een hoge stem naar hem, zwaaiend met een stuk karton dat hij gebruikte om de rook van zijn grill weg te waaieren. Noonan bedacht dat hij de simpele zielen in deze straat ieder tienduizend keer kon uitkopen. Zelfs meer dan dat. De meeste van deze gasten bezaten vermoedelijk niet meer dan hun voedselkraampje en het een of andere klotekrot ergens. Hij had altijd geweten dat hij slimmer was dan iedereen. Nu was hij ook rijker. Zodra hij zijn eerste politieagent zag verdween het zelfvoldane gevoel. Hij was nu een crimineel. Een dief. Hij moest proberen om niet op te vallen.

Overal zag je straatverkopers die van alles aan de man brachten, van kipsaté tot Hollandse gebakjes. Hij had ergens een kom kippensoep gekocht, omdat het meisje mooi was, maar het na twee lepels weggegooid. Het smaakte prima, maar hij was te misselijk om te eten. Hij bleef lopen in de hoop dat dat zou helpen en besloot op het centrale plein te gaan kijken. Hij moest zijn bazen laten weten dat hij behalve in de hotelbar zitten ook nog iets had gedaan. Daar stond de Grote Moskee, dus iedereen deed zijn schoenen uit. Door de zwavellucht uit de Tangkuban Perahu-vulkaan, vermengd met de voetengeur van andere mensen, voelde hij zich zwartgallig.

En schuldig.

Op de een of andere manier had Noonan de weg terug naar zijn hotel weer gevonden en besloten om zijn schuldgevoel in de bar weg te drinken. Toen had hij het Soendanese meisje met de blauwe ogen gezien, of eigenlijk had zij hem gezien. Hij hoopte dat zij hem een beter gevoel zou bezorgen.

Het idee dat ze een prostituee zou kunnen zijn kwam pas bij hem op toen ze in haar kamer kwamen en hij de grote, van de vloer tot het plafond reikende spiegels zag. Zijn kamer was drie verdiepingen hoger en had niet zulke spiegels. Toch werd er met geen woord over geld gerept. Ze was gepast nerveus, zei dat ze dit soort dingen nooit deed, zelfs nooit in haar eentje uitging. Ze had afgesproken met haar vriendin voor een avondje uit in de bloemenstad, maar die was niet komen opdagen. Dat verklaarde nog niet de kamer, maar daar gaf Noonan al niet meer om.

Terwijl hij zijn schoenen uitschopte overdacht hij de situatie. Het leek best logisch: eenzaam meisje, door haar vriendin laten zitten, ziet een eenzame kerel en papt met hem aan. Eerlijk gezegd had ook hij dit soort dingen nog nooit gedaan. Hij had erover nagedacht, vaak, en het zelfs geprobeerd, maar niemand die ooit iets wilde van de Gifdwerg. Tot nu.

Het meisje zei dat ze Betti Tamala heette. Toen de jurk uitging voor de kamerhoge spiegel besloot Noonan dat ze zeker een acht was. In minder dan een minuut besefte hij dat ze dit niet alleen nog nooit had gedaan, maar er ook buitengewoon goed in was.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief