leesfragment

‘Tussen twee werelden’ van Franco Faggiani

De vijftigjarige Leo worstelt met het verdriet om de dood van zijn vrouw Chiara. Dan ontmoet hij Martino, een eenkennige, autistische jongen, en besluit de zorg voor Martino op zich te nemen. Om te ontsnappen aan hun problemen verhuizen ze samen van Turijn naar een afgelegen huis in de Piemontse Alpen. Daar leven ze in hun eigen tempo, ver weg van de stad. En juist in de eenzaamheid van de bergen ontwikkelen ze hun eigen, eenvoudige en oprechte leven.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van Tussen twee werelden van Franco Faggiani!

 


Hij kwam voor me staan met zijn smetteloos witte jas, spiegelglad gepoetste leren schoenen, een rond brilletje, en een map in zijn hand. Hij deed alsof hij aandachtig een papier las dat daarin zat en gaf me met een zweem van droefheid de diagnose, of nee, het vonnis: ‘Meneer Guerrieri… de brandstofpomp…’ Hij hoefde er alleen nog maar met een zucht ‘heeft het niet gered’ aan toe te voegen, en dat was dat.

Conclusie: een nieuwe installatie en een fikse aderlating voor mijn portemonnee, waarmee het toch al niet best gesteld was.

‘En minstens een week werk, meneer Guerrieri,’ mompelde hij zachtjes.

Minstens een week? Joh, trek die witte doktersjas uit, haal die schoolmeestersblik van je gezicht, stroop je mouwen op en ga aan de slag, hoezo een week?

Dat dacht ik.

‘Maakt niet uit, ik ga wel lopen. Wandelen is goed voor je humeur.’
‘Goed,’ zei ik in plaats daarvan. ‘Kan ik dan een vervangende auto krijgen?’

‘Het spijt me, die zijn momenteel allemaal in gebruik. U kunt er eventueel wel een huren. Voor een schappelijk prijsje, gezien de noodzaak.’

‘Maakt niet uit, ik ga wel lopen. Wandelen is goed voor je humeur.’

Klote-Japanners met hun auto’s…

Een lange tijd van samenzijn en 270.000 kilometer op de teller, altijd gladjes verlopen, nooit een ernstig defect. En toen liet mijn oude Nissan me in de steek zonder ook maar een waarschuwend kreuntje. Ik wist dat het vroeg of laat zou gebeuren, maar dat had niet uitgerekend die dag het geval moeten zijn. Mijn eerste opwelling was het ding in elkaar te beuken en daar onder de bomen bij het centraal station achter te laten, waar hij bedekt zou worden door de poep van de spreeuwen die daar ’s nachts met duizenden tegelijk in de grote platanen gingen zitten, zodat hij helemaal zou worden aangevreten. Inclusief nummerbord en banden. Einde verhaal.

Maar toen dacht ik aan mijn vertrek en liep ik naar de eerste de beste garage die ik tegenkwam om hem weg te laten slepen.

 

Ik was ook al in alle staten vanwege die lui van Canessa.
Ik was ook al in alle staten vanwege die lui van Canessa, het verhuisbedrijf, ‘sinds 1927’. Dat zou je ook niet zeggen. Ik liep met snelle passen naar huis, bezweet en niet-wetend wat te doen. Martino lag te slapen op een matje dat ik op het parket had uitgerold omdat er geen meubels meer in huis stonden. De dochter van de conciërge, die op een krukje zat dat ze uit het portiershokje had meegenomen, hield lusteloos een oogje in het zeil. Ik betrapte haar terwijl ze op mijn mobieltje zat te spelen, dat ik onnadenkend op een van de twintig dozen vol boeken had laten liggen; die moesten mee, samen met luttele andere spullen die her en der in de inmiddels kale kamers stonden.

Maar zij leek het helemaal niet raar te vinden dat ze mijn berichten bekeek. Het duurde een paar tellen voor ik het idee liet varen om haar uit te kafferen. Jong, ja, maar een eersteklas bemoeial.

‘Hij ging over, dus heb ik maar opgenomen,’ zei ze op verveelde toon terwijl ze me het ding gaf, waarvan het scherm dof was door haar vettige vingers.

‘Welja. Wie was het?’

‘Die vent van het transportbedrijf. Hij zei dat het een beetje tegenzat en dat ze iets later komen.’

Krijg toch het rambam, dozensjouwers en chauffeurs. Dat ze later kwamen dan het door henzelf bepaalde tijdstip en dan misschien ook nog zonder een fatsoenlijke reden, was iets waar ik niet tegen kon. Ik had het kunnen weten, want in dat o zo efficiënte Milaan was ik maar bar weinig vakmensen tegengekomen die stipt waren met afspraken, werk en betalingen. Efficiënte metropolen… waar dan?

Maar goed, in het geval van deze verhuizing lag de schuld bij mij. De afgelopen vijftien jaar was ik minstens drie keer verhuisd, altijd met deze zelfde types, vanwege een lang vervlogen vriendschap tussen mijn vader en commandeur Canessa, en ze waren nog nooit op tijd geweest. En dan heb ik het niet over een halfuurtje te laat, maar over halve dagen.

Althans hier in deze stad, die me veel gegeven had, maar me nog meer had afgenomen.
Gelukkig was dit de laatste rit met de vrachtwagen en dan zou ik overal vanaf zijn. Althans hier in deze stad, die me veel gegeven had, maar me nog meer had afgenomen.

Het appartement had ik verkocht, net als de waardevolle schilderijen die erin hingen en een groot deel van de antieke meubels, die door de jaren heen nauwgezet en met passie waren uitgezocht. De kasten, de zware boekenkasten en alles uit de keuken had ik aan het Maria Hulp der Christenen-instituut geschonken, waar Chiara, mijn vrouw, en daarna Nina, onze dochter, vaak vrijwilligerswerk hadden gedaan. Twee doortastende nonnen, zo sterk als bootwerkers, waren de spullen met een gehuurd busje komen ophalen, hun mouwen tot hun ellebogen opgestroopt. Misschien had ik hen beter kunnen bellen voor het verhuizen van het kleine beetje dat er nog in huis stond. In plaats van Canessa.

Naarmate de tijd verstreek – gelukkig sliep Martino gewoon door, het was immers een van zijn voornaamste bezigheden – werd in mijn mentale woordenboek de aard van de beledigingen die ik de verhuizers in het gezicht zou spuwen steeds grover. Kortom, een roerige dag. Maar toen ze drieën half uur later aanbelden en ik twee woestelingen tegenover me zag staan, ontving ik ze uiterst vriendelijk.

‘Sorry hoor, chef, maar het stond helemaal vast op de ringweg-zuid,’ zei degene die op Ivan de Verschrikkelijke leek.

‘Geeft niks, jongens, ik ken die files op de ringweg… Het spijt me, ik kan jullie niet eens koffie aanbieden, alles is al ingepakt.’

‘We hebben net gehad, bedankt, chef,’ zei de ander, die kleiner was dan Ivan, maar met meer sportschoolspieren en meer tatoeages dan ik ooit had gezien, zelfs niet toen ik, alleen maar om te proberen een stoere uitstraling te krijgen, lid was van de Elite Boxing Club in Porta Vittoria.

Terwijl zij de dozen met boeken en de computer, de lampen en de paar spullen die ze tijdens de vorige rit niet hadden kunnen meenemen naar beneden brachten, maakte ik Martino wakker, die zich op het matje had opgerold als een kat in een mandje met bollen wol.

‘Hé, Marti, we gaan bijna weg, eindelijk. Vanaf morgen een nieuw leven. Ben je blij?’

Hij sperde ineens zijn ogen open – dat deed hij altijd als hij wakker werd – alsof hem te binnen schoot dat hij een belangrijke afspraak had waarvoor hij nu te laat was. Hij beantwoordde mijn vraag niet, maar keek alleen strak naar de lege kamer achter me.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief