leesfragment

‘Uit het oog’ van Nicola Rayner

Lees jij graag psychologische thrillers van bijvoorbeeld Shari Lapena of Ruth Ware? Dan raden we graag Uit het oog van Nicola Rayner aan!  

Alice Bell weet dat haar man George van mooie vrouwen houdt. Ze weet ook dat hij haar aanbidt. Maar als ze terugkomt van een zakenreis ziet ze in de weerspiegeling van een treinraam een roodharige vrouw. Een vrouw die het evenbeeld is van Ruth, haar medestudente van jaren geleden, die na een nachtelijke zwempartij spoorloos is verdwenen. Wanneer ze George vertelt over het voorval reageert hij heel terughoudend. Wat weet George over Ruth? 

Lees hier alvast de eerste pagina’s van deze verslavende en intelligente thriller! 

Proloog

De laatste keer dat ik mijn zus zag, maakte ze zich op voor een feest. Ze deed dat die avond met extra veel zorg. We waren beiden vrij stil, we hadden geen weet van de jaren van stilte die in het verschiet lagen. Ruth gebruikte zoals altijd kokosnootolie om haar weerbarstige rode haar te bedwingen. Elke keer dat ze de krultang sloot, geurde de damp van de olie naar zomer – zonnebrandcrème en Malibu. Op zich een heerlijke geur, maar als ik die nu ruik, word ik altijd aan die avond herinnerd. We hadden haar probleem besproken en een plan bedacht. En ik had haar toevertrouwd wat aan mij vrat. We wisten allebei wat ons te doen stond.

Ik zie weer hoe ze foundation op haar bleke gezicht dept, mascara op haar wimpers borstelt en met de lippenstift over haar lippen strijkt. Ze steekt haar haar op en trekt een smaragdgroene jurk aan. Als ze klaar is, pakt ze haar tas. Daarin zitten haar sigaretten, een aansteker, haar portemonnee, haar lippenstift en condooms. Dat waren de dingen die ze die avond bij zich had.

Haar ogen waren zo helder en hoopvol.
Haar ogen waren zo helder en hoopvol. Ik wou dat ik iets anders had gezegd dan: ‘En nu je Dorothy-schoenen nog.’ Ze grinnikte en stak haar voeten in de rode glitterschoentjes.

Boven aan de trap sloeg ik mijn armen om haar heen, me er opnieuw over verbazend hoe iel ze was, alsof ze al was begonnen te verdwijnen. Ik zei: ‘Succes.’ Vlak voordat ze de deur uit ging, riep ik haar nog na: ‘Ik hou van je.’ Het was een late ingeving, uit bijgeloof. De woorden raakten zoek, stuiterend over de houten traptreden, en ik wist niet of ze ze hoorde toen ze de deur opendeed en naar buiten glipte.

Alice

Januari 2016

Het zachte, ritmische gedender van een trein maakt Alice altijd slaperig. Ze was om vijf uur opgestaan om de trein van kwart over zes te nemen vanaf King’s Cross. Toen de wekker was afgegaan had George zich kreunend omgedraaid en zijn hoofd in zijn kussen geduwd terwijl zij zich in het halfdonker aankleedde. Zijn katers waren een stuk erger geworden sinds hij van politiek naar televisie was overgestapt. Ze was eigenlijk wel blij dat ze een dagje uit Londen weg kon.

Edinburgh had heimwee opgewekt. George en zij waren daar een paar dagen geweest toen ze pas verkering hadden. Het was een bijzonder weekend geworden. Buiten de invloedsfeer van zijn vrienden was George teder en attent, en Edinburgh zag er in de kerstweek altijd sprookjesachtig uit.

Ze hadden hand in hand geschaatst aan de voet van het kasteel, warme chocolademelk gedronken om weer op temperatuur te komen en zelfs een rit gemaakt in het reuzenrad. Toen ze bovenaan een ogenblik stil hingen tussen stijgen en dalen, had George haar langdurig aangekeken, alsof hij op het punt stond iets te gaan zeggen, al had hij dat uiteindelijk niet gedaan.

Later, in het Vietnamese restaurant, had hij aandachtig geluisterd toen ze hem vertelde over de loopbaan die ze op het oog had – ook al was familierecht niet bepaald een romantisch onderwerp – en haar verrast door de kelner in het Vietnamees te woord te staan. Wat had ze trots naar hem gekeken, met een hunkering waar niet veel meer van over was.

‘Jij hebt me gered.’ Ze vroeg niet: waarvan?
Toen ze weer buiten waren en de steile straat af liepen, hield George haar opeens staande voor een kus. Het waaide die avond hard. Zijn rode sjaal fladderde om zijn hoofd en haar haar zwiepte rond haar gezicht. Hij moest bijna schreeuwen toen hij zei: ‘Ik hou van je, Alice Reynolds.’ Ze vond het verschrikkelijk romantisch.

‘Ik meende wat ik zei,’ zei hij later in de B&B, begeleid door het piepen van de springveren van het bed. ‘Jij hebt me gered.’ Ze vroeg niet: waarvan?

Alice zucht. Haar adem beslaat het raam. Ze veegt met haar hand over het koude glas, haalt de krant uit haar tas en installeert zich voor de lange reis naar huis. Achter haar klinkt het geratel van het kantinekarretje dat door de wagon wordt geduwd. Ze besluit een gin-tonic te nemen. Citroen is er niet; het meisje dat de kar met een nors gezicht bedient, kijkt haar aan alsof ze niet goed bij haar hoofd is als ze erom vraagt, maar er zijn gelukkig wel ijsklontjes.

Als ze de scherpte van de alcohol in haar keel voelt, zucht ze van genoegen. Ze had een vruchtbare dag gehad, de conferentie was een succes geweest, maar ze worstelt met een fladderend gevoel van onrust, alsof ze ergens door wordt achtervolgd. Ze ligt ’s nachts soms wakker, angstig, zonder te weten wat daarvoor de reden is, zonder dat ze zich kan herinneren waarom. De huisarts heeft slaaptabletten voorgeschreven. Alice doet haar tas open en raakt met haar vingertop het doosje aan. Ze overweegt er eentje te nemen, zodat ze de hele weg naar Londen kan slapen, maar ziet ervan af en neemt nog een slok. Gin werkt net zo goed. Ze slikt liever zo weinig mogelijk pillen.

In Durham komt de trein met een schokje tot stilstand en als de deuren opengaan, laten ze een ijzige windvlaag binnen. Een grote man wringt zich met zijn aktetas op de bank tegenover Alice. Ze slaat geïrriteerd haar benen over elkaar, doet het miniflesje gin in het bruine papieren zakje dat het meisje haar heeft gegeven en duikt weg achter haar krant.

Alice had hem de gave van de makkelijke babbel altijd benijd. Hij krijgt een dikke kop, vindt ze.
Een ogenblik kijkt ze naar de foto van George in het amusementskatern. Vanavond wordt zijn eerste programma uitgezonden. Ze is nog niet gewend aan George’ nieuwe carrière. Zolang ze hem kent, heeft hij in de politiek gezeten. Hij was op St. Anthony’s al voorzitter van de studentenclub in het jaar dat ze elkaar voor het eerst ontmoetten. Ze is benieuwd hoe het hem zal vergaan als presentator. In de previews die ze heeft gezien, bracht hij het er in elk geval goed van af. Zijn gevoel voor humor kwam goed over. Het programma, het eerste van een serie waarin het leven van bekende Britse politici onder de loep wordt genomen, geeft hem de ruimte om een paar grapjes ten koste van zichzelf te maken en een paar ten koste van andere mensen. George kon in feite zeggen wat hij wilde, iets wat tegenwoordig in televisieprogramma’s zelfs een belangrijk vereiste leek te zijn. Alice had hem de gave van de makkelijke babbel altijd benijd. Hij krijgt een dikke kop, vindt ze. Dat was haar thuis nog niet opgevallen als hij tegenover haar zat.

Ze laat haar blik over het artikel gaan, maar heeft geen zin in werk – het hare noch dat van George – en pakt een pen om de kruiswoordpuzzel op te lossen, maar het duurt niet lang voordat de lettertjes voor haar ogen beginnen te dansen. Ze propt haar sjaal onder haar hoofd om zich te beschermen tegen de kou van het raam, ontspant haar schouders en doet haar ogen dicht.

Terwijl ze zit te dommelen, heeft Alice het gevoel dat er iemand naar haar kijkt. Ze gluurt een paar keer door haar wimpers naar de man tegenover haar, maar die is in zijn krant verdiept. Hij leest het artikel over George. Dat geeft haar een eigenaardig gevoel, een kinderlijke aandrang om te zeggen: ‘Dat is mijn man, u leest over mijn man.’ Ze slikt en doet haar ogen weer dicht. Er hangt een vage geur van iets tropisch in de lucht, een geur die je in deze tijd van het jaar niet verwacht, maar die aangenaam is, zoals die van zonnebrandcrème of rum.

Het rijtuig wordt steeds voller terwijl zij zit te dutten. In York hoort ze een groep jongens instappen. Ze zitten bij elkaar, niet ver achter haar, en het sissen en klikken van hun blikjes frisdrank dringt door in haar sluimerslaap. Op een gegeven moment komt een van hen dichterbij om iemand aan te spreken aan de overkant van het gangpad. ‘Hé, schatje, ken ik jou niet ergens van?’ Alice spitst haar oren om het antwoord te horen. Het meisje praat te zacht om de woorden te kunnen verstaan, maar de snelle aftocht van de jongen maakt duidelijk wat de strekking was.

Als ze haar nieuwsgierigheid niet meer kan bedwingen, gluurt Alice naar de stoel waar ze het meisje vermoedt, maar ziet alleen slanke benen, over elkaar geslagen, schuin tegenover haar. Ze doet haar ogen weer dicht en valt in slaap.

Als ze wakker wordt, voelt ze zich warm en bezweet.
Als ze wakker wordt, voelt ze zich warm en bezweet. De schemering is gevallen. In de trein is het licht ontstoken. Ze tuurt uit het raam en probeert te raden waar ze zijn, maar kan niets anders onderscheiden dan vage vormen die voorbijschieten. Ze kijkt een ogenblik naar haar eigen gezicht, bleek en hologig in de zwarte ruit. Deze belichting is niet vleiend; vermoeid strijkt ze haar haar in model.

Ze bekijkt de andere weerspiegelde gezichten. De man tegenover haar zit door foto’s op zijn telefoon te swipen. Alice meent de vleeskleur van naakte huid te bespeuren en blijft iets te lang kijken om te proberen te zien wat het is. Porno? De man kijkt op en betrapt haar erop dat ze hem in de ruit bespiedt. Een flauwe glimlach speelt rond zijn mond. Alice fronst en wendt haar blik af.

Aan de overkant van het gangpad lezen een moeder en haar dochtertje samen een boek, wat haar een steek van verdriet bezorgt. Ze heeft ze nog steeds: lichamelijke fantoomervaringen. Niets dramatisch, zoals een bevalling of het zogen van een baby – misschien omdat ze nooit heeft geweten hoe dat voelt – maar andere gevoelens. Laatst had ze voor het kind van een vriendin een trui gekocht, een schattig, met de hand gebreid exemplaar, en toen ze het in haar handen hield, voelde ze zich alsof ze bezig was een baby aan te kleden: ze voelde hoe ze de armpjes in de mouwen wurmde en het wriemelende verzet van het kind. De gewaarwording was zo sterk geweest, zo reëel, dat ze zelfs heel even het gewicht van de baby in haar armen had gevoeld.

Ze kijkt in de richting van het meisje dat door de jongen was aangesproken, twee stoelen achter de moeder en het kind. Ze zit aan het raam en Alice kan haar gezicht niet zien omdat ze een beetje gedraaid zit en haar lange haar een gordijn vormt. Ze heeft vlammend rood haar en de aanblik ervan – de afgunst die Alice altijd voelt als ze iemand met zulk haar ziet – geeft haar een eigenaardig gevoel van déjà vu. Er gaat een huivering door haar heen. Ze trekt haar sjaal wat strakker rond haar schouders. Dan voelt ze schrik. In een flits zag ze het haar van het meisje onder water, uitgespreid als zeewier. Waarom?

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief