leesfragment

LEESFRAGMENT: Van Somalische vluchtelinge tot Vlaams kabinetsmedewerker in ‘Op zoek naar vaste grond’

Ayan Mohamud Yusuf kwam in 1980 op de wereld in Mogadishu in Somalië, als de op één na jongste in een gezin met negen kinderen. Nadat een oorlog uitbarstte, vluchtte het gezin in 1991 naar verschillende buurlanden, waar ze in tal van onwerkelijke situaties terechtkwamen. Je leest het volledige verhaal van Ayan in Op zoek naar vaste grond

Ayan raakt op 10-jarige leeftijd gescheiden van haar familie. Toen ze bijna 17 jaar was, nam ze een vliegtuig. Niet naar de beloofde bestemming Amerika, maar naar Brussel. Haar omzwervingen kwamen langzaam tot een einde en een stabiel leven in België kwam in de plaats.

Hoe bleef Ayan na al die ervaringen zo positief ingesteld? Hoe is ze terecht gekomen waar ze vandaag is? Waar haalde Ayan de veerkracht vandaan om dit alles te bereiken? Hoe heeft ze teruggevonden wat ze zoveel jaren geleden verloren heeft: verbondenheid en het geloof in de kracht van liefde? Waar haalt ze de kracht en moed vandaan om verder te gaan? 

Op zoek naar vaste grond is het waargebeurde levensverhaal van Ayan, die het van vluchtelinge schopte tot kabinetsmedewerker van de Vlaamse minister-president. Haar veerkracht, de positieve en inspirerende levenslessen die ze uit haar ervaringen heeft getrokken, hebben haar gemaakt tot wie ze vandaag is.

Lees hier alvast de proloog van het boek:

 

1989, ergens in Mogadishu

Ik ben bijna tien jaar en alleen aan het spelen in de tuin van het huis waar we verblijven. Ineens hoor ik hevig gebonk op de deur. Even kijk ik om me heen, maar er is niemand anders. Nietsvermoedend doe ik de deur dan maar zelf open. Voor mij staat een man. Het eerste wat ik zie is het donker in zijn ogen. Dan merk ik dat hij iets in zijn handen houdt ter hoogte van zijn buik, alsof hij een boodschapper is die ons iets komt brengen. De man roept: ‘Jullie moeten hier weg. Wat doen jullie hier nog? Maak dat jullie wegkomen. De vijand is heel dichtbij. Pak alles in en vlucht.’

Ik hoor de woorden wel, maar kan er geen touw aan vastknopen. Het klinkt als een lied waar ik de woorden niet van begrijp. Ik sta als aan de grond genageld. Met open mond blijf ik kijken naar wat de man in zijn handen heeft. Het lijkt een bloederige brij die recht uit zijn buik komt. Het enige bloed dat ik tot dan toe gezien heb, is het rode straaltje dat van mijn knie langs mijn been sijpelde als ik was gevallen tijdens het spelen. Pas veel later, toen ik voor het eerst naar een horrorfilm keek, zou ik iets vergelijkbaars zien.

Dan wankelt de man, er komt bloed uit zijn mond. Ik hoor stemmen, iemand neemt me langs achteren vast en trekt me weg uit de tuin. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe de man voorovervalt. De klap is enorm.

Pas veel later, toen ik voor het eerst naar een horrorfilm keek, zou ik iets vergelijkbaars zien.

Ik moet aan de achterkant van het huis gaan spelen, bij de andere kinderen. Ik probeer hun te vertellen wat ik heb gezien, maar kan het niet. Ik vind er geen woorden voor. Beelden zijn er wel, ze staan op mijn netvlies gebrand. Ik hoef mijn ogen maar te sluiten en ik zie de man haarscherp voor mij. Grote ogen, zijn ingewanden in zijn handen, zijn dwingende stem. En daarna: door elkaar lopende mensen, tassen die gevuld worden met spullen, geroep. We vertrekken halsoverkop.

Ook al ben ik nog maar negen, bijna tien jaar, ik weet dat mijn leven nooit meer zal zijn zoals voorheen.

Oudjaar 2010, Klein Kasteeltje, Brussel

Ik ben dertig jaar en stap uit de wagen van premier Yves Leterme, die zijn chauffeur net geparkeerd heeft op het binnenplein van het Klein Kasteeltje. Sinds mijn maandenlange verblijf dertien jaar eerder ben ik hier niet meer geweest. Het is een van de koudste dagen van het jaar. Herinneringen komen terug als een niet te stoppen vloedgolf. Ik wankel, kan elk moment door mijn benen zakken. Er zijn veel mensen rond mij en toch zie ik niemand. De geur, de stemmen en de mensen zorgen ervoor dat ik plotseling weer het bijna zeventienjarige meisje ben dat net in België is aangekomen. Ik zit opgesloten in het verleden, beelden van vroeger flitsen door mijn hoofd als ongeleide projectielen. Mijn hoofd tolt en ik verbijt mijn tranen.

Mijn hart breekt als ik mijn oude kamer binnenstap. Hier heb ik drie maanden geslapen, samen met drie andere mensen. Nu zie ik tien opgemaakte bedden in een veel te kleine kamer, het doet me denken aan een gevangenis. In mijn borst voel ik het verdriet en de wanhoop van de mensen die hier slapen. De pijn in hun hart, de onzekerheid in hun ogen. Rilling na rilling loopt over mijn rug, het is de koudste dag van mijn leven.

Het is de koudste dag van mijn leven.

Weer buiten hoor ik het vertrouwde geluid van spelende kinderen. Ik zie ze lopen in de kleren die ze hier gekregen hebben, kriskras door elkaar, als pasgeboren puppy’s. Glinsteringen in hun ogen, zonlicht op hun zorgeloze gezichten. Ineens zie ik waar mijn leven naartoe moet, ik sta aan het begin van een helder verlicht pad dat door een donker gebergte loopt.

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief