leesfragment

‘Verlossing’ van David Baldacci

Een viervoudige moord. Een snelle arrestatie. Maar wat als twaalf jaar geleden de verkeerde is opgepakt?

Verlossing, het vijfde deel in de Amos ‘de Geheugenman’ Decker-reeks van David Baldacci, is nu verkrijgbaar. Begin hier direct met lezen!

Hoofdstuk 1

Het was een aangenaam koele, prachtig heldere herfstavond en Amos Decker was omringd door lijken. Toch werd hij deze keer niet overvallen door de elektriserende blauwe lichtsensatie die hij meestal ervoer in de buurt van één of meer doden. Daar was echter een uitstekende reden voor: dit waren geen recente doden.

Hij was terug in Burlington, Ohio, een voormalig fabrieksstadje waar hij vandaan kwam en dat betere tijden had gekend. Decker was kortgeleden in een ander Rust Belt-stadje geweest, Baronville, Pennsylvania, waar hij ternauwernood aan de dood was ontsnapt. Als hij had mogen kiezen zou hij een dergelijk mijnenveld hebben gemeden, in elk geval voorlopig, maar misschien wel voor altijd. Alleen had hij nu geen keus.

Decker was in Burlington omdat het de veertiende verjaardag was van zijn dochter Molly. Onder normale omstandigheden zou dit een blijde gebeurtenis zijn geweest, een reden voor vreugde. Maar Molly was vermoord, tegelijk met zijn vrouw Cassie en zijn zwager Johnny Sacks. Deze rampzalige gebeurtenis had plaatsgevonden kort voor Molly’s tiende verjaardag en Decker had hen in hun eigen huis dood gevonden.

Dood, voor altijd. Weggerukt uit het leven, op de meest gruwelijke manier door een krankzinnige die gek was op geweld. Hun moordenaar leefde niet meer, maar dat was geen troost voor Decker, ook al had hij er de hand in gehad dat de man dood was.

Daarom was dit verjaardagsbezoek een bezoek aan de begraafplaats. Geen taart en geen cadeautjes, alleen verse bloemen op een graf als vervanging van de allang verwelkte exemplaren van een eerder bezoek.

Hij nam aan dat hij hier altijd op Molly’s verjaardag naartoe zou komen, tot hij bij zijn gezin zou worden begraven. Dat was zijn langetermijnplan, en een ander plan had hij nooit overwogen.

Daarom was dit verjaardagsbezoek een bezoek aan de begraafplaats.
Hij ging verzitten; hij zat op de bank van hout met gietijzer die naast de beide graven stond. De bank was een cadeau geweest van het politiekorps van Burlington waar Decker ooit had gewerkt, eerst als straatagent en later als rechercheur Moordzaken. Op de bank zat een verweerd koperen plaatje met de tekst: Ter herinnering aan Cassie en Molly Decker.

Decker was bijna alleen op de kleine begraafplaats. De enige andere bezoeker was zijn FBI-partner Alex Jamison.

Jamison stond op een respectvolle afstand terwijl haar partner zijn gezin bezocht. Ze was ruim twaalf jaar jonger dan Decker, die midden veertig was. Ze was journaliste geweest, maar na haar opleiding aan de Training Academy van de FBI in Quantico, Virginia, was ze beëdigd special agent van de FBI. Volgens een eerdere afspraak was ze meteen teruggestuurd naar de taskforce waarvan zij en Decker deel uitmaakten, net als de twee andere oudgediende agenten Ross Bogart en Todd Milligan.

Terwijl Decker naast de graven zat vervloekte hij zijn hyperthymesie. Zijn perfecte geheugen was veroorzaakt op het footballveld tijdens een NFL-wedstrijd door een gemene klap vanuit zijn blinde hoek, waardoor een traumatisch hersenletsel was ontstaan. Toen Decker uit zijn coma ontwaakte kon hij zich alles herinneren en niets meer vergeten. Dat leek een fantastische vaardigheid, maar had feitelijk een afschuwelijk nadeel, want daardoor zouden, ondanks het verstrijken van de tijd, de details van pijnlijke herinneringen nooit minder duidelijk worden. Zoals de herinnering waarmee hij nu werd geconfronteerd. Gezien de overweldigend intense manier waarop hij zich hun dood herinnerde zouden Cassie en Molly net zo goed vandaag in plaats van vier jaar geleden vermoord kunnen zijn.

Hij las de namen en inscripties op de grafstenen, ook al wist hij natuurlijk wat erop stond. Hij was hiernaartoe gekomen omdat hij heel veel tegen zijn gezin wilde zeggen, maar om onduidelijke redenen was hij nu niet in staat de woorden uit te spreken.

Nou ja, zo onduidelijk waren die redenen nu ook weer niet. Zijn hersenletsel dat had geleid tot zijn perfecte geheugen had ook zijn persoonlijkheid veranderd. Zijn vroegere uitstekende sociale vaardigheden waren bijna volkomen verdwenen, waardoor hij er moeite mee had om zijn gevoelens te uiten en om met mensen om te gaan.

In gedachten riep hij eerst het beeld op van zijn dochter. Hij zag haar duidelijk voor zich: het krullende haar, de glimlach, de wangen. Daarna het beeld van zijn vrouw Cassie: de steun en toeverlaat van hun gezin, de vrouw die had voorkomen dat hij aan zijn toestand bezweek, die hem had gedwongen met andere mensen om te gaan en voor zover mogelijk weer de man te worden die hij was geweest.

Hij kromp in elkaar, omdat zij dood waren en hij leefde.
Hij kromp in elkaar, omdat het gewoon fysiek pijn deed om zo dicht bij hen te zijn, omdat zij dood waren en hij leefde. Er waren veel dagen, misschien zelfs de meeste dagen, waarop hij dat feit gewoon niet kon accepteren.

Hij keek naar Jamison, die zo’n dertig meter verderop tegen een dikke eik leunde. Ze was een goede vriendin en een uitstekende collega, maar volkomen machteloos om hem te helpen met wat hij nu doormaakte. Daarna keek hij weer naar de graven, bukte zich en legde de bossen bloemen die hij had meegebracht op de beide graven.

‘Amos Decker?’

Toen Decker opkeek zag hij een oudere man die langzaam naar hem toe liep. Hij kwam opeens tevoorschijn uit de schemering van de al langer wordende schaduwen. Toen de man dichterbij was leek hij zelf bijna een geest: vreselijk mager en met een gelig gezicht.

Jamison had de man al gezien voordat Decker hem zag en beende naar hen toe. De man kon gewoon iemand uit het stadje zijn die Decker kende, of het was iets anders. Jamison wist dat er met Amos Decker vaak vreemde dingen gebeurden. Haar hand ging naar de kolf van haar pistool dat in de holster op haar rechterheup zat. Gewoon voor het geval dat.

Decker bekeek de man. Hij zag er niet alleen ongezond uit, maar schuifelde op een manier die Decker vaker had gezien. Hij liep niet zo vanwege zijn leeftijd of een gebrek. Nee, zo liep iemand die eraan gewend was om met enkelboeien om te lopen.

Hij is een ex-gevangene, dacht Decker.

En er was nog iets. Zoals Decker wel vaker overkwam zag hij een kleur die verband hield met de man. Dat kwam doordat hij ook synesthesie had, waardoor hij kleuren koppelde aan ongewone zaken, zoals de dood of cijfers.

De kleur voor deze man was donkerrood en dat was een nieuwe kleur voor Decker. Wat betekent donkerrood in vredesnaam? ‘Wie bent u?’ vroeg hij. Hij stond op en veegde de modder van zijn knieën.

De gevangenis verandert je.
‘Het verbaast me niet dat je me niet herkent. De gevangenis verandert je. Dat heb ik denk ik aan jou te danken.’

Hij had dus inderdáád gevangengezeten.

Jamison had dit ook gehoord en begon sneller te lopen. Ze trok zelfs al half haar pistool, bang dat de oude man hier was om wraak te nemen op Decker. Haar partner had in zijn carrière veel mensen achter de tralies gezet en deze man was er kennelijk een van.

Decker keek onderzoekend naar de man die ongeveer anderhalve meter voor hem bleef staan. Decker was een beer van een man, hij was 1 meter 95 en woog zo’n 135 kilo. Met Jamisons steun en aanmoediging om meer te bewegen en gezonder te eten had hij de afgelopen twee jaar meer bewogen en gezonder gegeten, waardoor hij zo’n 45 kilo was afgevallen. Dit was zeg maar zo ‘slank’ als hij ooit zou zijn.

De oudere man was ongeveer 1 meter 82, maar Decker dacht dat hij niet meer dan 62 kilo kon wegen. Zijn bovenlichaam was ongeveer even omvangrijk als een van Deckers bovenbenen. Van dichtbij leek zijn huid broos, als oud perkament dat bijna uit elkaar viel. De man hoestte wat slijm op, draaide zijn hoofd opzij en spuugde het uit op de gewijde grond. ‘Weet je zeker dat je me niet herkent? Krijg je niet zo’n rare herinnering of zo?’

Decker vroeg: ‘Wie heeft je dat verteld?’

‘Je vroegere partner.’

‘Mary Lancaster?’ De man knikte. ‘Zij vertelde me dat je hier misschien zou zijn.’

‘Waarom in vredesnaam?’

‘Ik ben Meryl Hawkins,’ zei de man, alsof dat ook een soort verklaring was voor zijn aanwezigheid hier.

Deckers mond viel een beetje open.

Hawkins glimlachte om deze reactie, hoewel die glimlach zijn ogen niet bereikte. Die waren licht en onbewogen, met misschien nog een heel klein beetje leven erin. ‘Nu weet je het weer, hè?’

‘Waarom zit je niet in de gevangenis? Je kreeg levenslang, zonder voorwaardelijke vrijlating.’
‘Waarom zit je niet in de gevangenis? Je kreeg levenslang, zonder voorwaardelijke vrijlating.’

Jamison was nu bij hen en ging tussen Decker en Hawkins in staan.

Hawkins knikte tegen haar. ‘Jij bent zijn nieuwe partner, Alex Jamison. Lancaster vertelde me ook over jou.’ Toen keek hij Decker weer aan. ‘Om je vraag te beantwoorden, ik zit niet meer in de gevangenis omdat ik terminale kanker heb, een van de ergste soorten, alvleesklierkanker. Overlevingspercentage na vijf jaar is nul, hebben ze me verteld, en dat is dus mét chemo en bestraling en dat soort dingen, die ik me allemaal niet kan permitteren.’ Hij raakte zijn gezicht aan. ‘Geelzucht. Zodra je dit hebt is het veel te laat om er nog iets aan te doen. En het is uitgezaaid, wat betekent dat de kanker me vanbinnen helemaal opvreet. Ook mijn hersens inmiddels. Voor mij is dit de laatste zet. Geen twijfel aan, ik ga dood. Verdomd, op z’n best heb ik misschien nog een week.’

‘Waarom is dat een reden u vrij te laten?’ vroeg Jamison.

Hawkins haalde zijn schouders op. ‘Dat noemen ze vrijlating wegens bijzondere omstandigheden. Meestal moet een gevangene zoiets aanvragen, maar ze kwamen zelf met de papieren naar mijn cel. Ik vulde ze in, zij regelden dat de artsen het fiatteerden en nu ben ik vrij. Weet je, de staat wilde de rekening voor mijn behandeling niet betalen. Ik zat in een van die particuliere gevangenissen. Die sturen de rekening door aan de staat, maar krijgen niet alles vergoed. Dat wordt duur. Is slecht voor hun financiële plaatje. Ze denken dat ik nu ongevaarlijk ben. Ik was achtenvijftig toen ik naar de gevangenis ging. Nu ben ik zeventig, maar ik zie eruit als honderd, dat weet ik best. Dankzij een heleboel medicijnen kan ik lopen en praten. Als ik hier vertrokken ben ga ik weer een paar uur overgeven en slik dan genoeg pillen om even te slapen.’

Jamison zei: ‘Als u pijnstillers gebruikt die door een arts worden voorgeschreven is er iemand die u helpt.’

‘Ik zei niet dat ze door een arts waren voorgeschreven, toch? En dat is dus ook niet zo. Maar ik heb ze wel nodig. Ze stoppen me echt niet weer in de gevangenis omdat ik illegale pijnstillers koop. Dat is te duur.’ Hij grinnikte. ‘Als ik dat had geweten was ik jaren geleden al ziek geworden.’

‘Bedoelt u dat ze niet hebben geregeld dat u wordt geholpen nu u vrij bent?’ vroeg Jamison ongelovig.

‘Ze zeiden dat een hospice me wel zou opnemen, maar ik kon daar onmogelijk naartoe. Ik wil daar ook niet naartoe, want ik wil hier zijn.’ Hawkins keek Decker strak aan.

‘Wat wil je van me?’
‘Wat wil je van me?’ vroeg Decker.

Hawkins wees naar hem. ‘Jij hebt me in de gevangenis gekregen. Maar je zat fout, ik ben onschuldig.’

‘Dat zeggen ze toch allemaal?’ zei Jamison sceptisch.

Hawkins haalde zijn schouders weer op. ‘Ik weet het alleen van mezelf.’ Hij keek Decker weer aan. ‘Lancaster denkt dat ik onschuldig ben.’

‘Dat geloof ik niet,’ zei Decker.

‘Vraag het haar maar. Daarom vertelde ze me waar je was.’ Hij zweeg even en keek naar de donkere lucht. ‘Je krijgt nog een kans om het goed te maken. Misschien kun je dat doen terwijl ik nog leef. Zo niet, dan is dat prima, áls je het maar doet. Dan is dat mijn nalatenschap,’ voegde hij er grijnzend aan toe.

‘Hij zit nu bij de FBI,’ zei Jamison. ‘Burlington en uw zaak liggen nu buiten zijn jurisdictie.’

Hawkins keek verbaasd. ‘Hoorde dat je de waarheid belangrijk vindt, Decker. Ja toch? Als dat niet zo is, heb ik voor niets een lange reis gemaakt.’

Toen Decker niet antwoordde, haalde Hawkins een vel papier uit zijn zak. ‘Ik ben de komende dagen in de stad. Dit is het adres. Misschien zie ik je nog, maar misschien ook niet. Maar als je niet komt, dan kun je in het hiernamaals de pot op.’

Decker nam het papier aan, maar zei nog steeds niets.

Hawkins keek naar de twee graven. ‘Lancaster vertelde me over je gezin. Ben blij dat je hebt ontdekt wie ze heeft vermoord. Maar ik neem aan dat je nog steeds last hebt van schuldgevoelens, ook al was je onschuldig. Ik weet precies hoe dat voelt.’ Hawkins draaide zich om en liep langzaam weg tussen de graven door tot de duisternis hem helemaal opslokte.

Jamison zei tegen Decker: ‘Oké, ik weet hier niets van, maar toch is dit belachelijk. Hij zit je gewoon te jennen, hij wil je een schuldgevoel aanpraten. En ik vind het schandalig dat die man hiernaartoe komt en je lastigvalt terwijl jij probeert… probeert wat tijd met je gezin door te brengen.’

‘Niet voordat ik iemand anders heb opgezocht.’
Decker keek naar het papier. Aan zijn blik was te zien dat hij toch was gaan twijfelen.

Jamison keek hem aan en zei berustend: ‘Je gaat hem opzoeken, hè?’

‘Niet voordat ik iemand anders heb opgezocht.’

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief