leesfragment

Voorpublicatie: ‘De opgang’ van Stefan Hertmans

Op 22 september verschijnt de nieuwe roman van Stefan Hertmans: De opgang. Hier lees je alvast een voorpublicatie van dit opzienbarende oorlogsverhaal en wrange huwelijksdrama.


Op 22 september stelt Stefan Hertmans zijn roman voor in Vooruit Gent. Wil je daar bij zijn? Koop je kaartje op vooruit.be:


Leesfragment

Het was in het eerste jaar van het nieuwe millennium dat ik een boek in handen kreeg waaruit ik begreep dat ik twintig jaar in het huis van een voormalige ss-man had gewoond. Niet dat ik geen signalen had gekregen: zelfs de notaris had me, op de dag dat ik het huis met hem bezocht, terloops op de vorige bewoners gewezen; ik had er toen weinig aandacht voor. Misschien verdrong ik het ook, doordrenkt als ik jarenlang was geweest van de pijnlijke gedichten van Paul Celan, de getuigenissen van Primo Levi, de talloze boeken en documentaires die je sprakeloos achterlieten, de onmogelijkheid van een hele generatie om het ondenkbare te beschrijven. Nu zag ik mijn intieme herinneringen doordrongen raken van een werkelijkheid die ik me amper kon voorstellen, maar die ik ook niet meer kon wegduwen. Het was alsof er schimmen opdoemden in de kamers die ik zo goed had gekend; ik wilde ze vragen stellen, maar ze liepen dwars door me heen. Niets stond me zozeer tegen dan schrijven over het soort mens dat nu als een spook door mijn eigen leven begon te banjeren. Ik zag de dag voor me waarop ik het huis voor het eerst had opgemerkt. Dat moet in de late zomer van 1979 zijn geweest. Ik liep door een stoffig stadsparkje waaraan een rij oude huizen paalde; de achtertuintjes hadden een hek waardoor je naar binnen kon kijken. Om de roestige spijlen van één ervan slingerde zich een blauweregen met dikke, bijna zwarte takken. Enkele late bloemtrossen hingen bestoft neer, maar de geur trof me diep – hij bracht me terug naar de verwilderde tuin van mijn kinderjaren; ik ging nieuwsgierig door het hek staan kijken. Ik zag een verwaarloosd stadstuintje waar een slanke esdoorn opschoot te midden van ondefinieerbare rommel, een kolenhok met een restje hakhout onder een laag zwart stof, een vijftal meter verderop het gebroken raam van het vervallen achterhuis, ernaast een veranda met een hoog boograam dat uitzicht bood op de verre voorzijde van het huis. Ik keek dwars door de donkere, lege kamers. Het licht aan de voorzijde schemerde vaag en veraf.

Er ging een vreemde opwinding door me heen.
Er ging een vreemde opwinding door me heen; ik liep het park uit, het blokje om en kwam in een somber straatje van een oude wijk terecht. Het bleek om een groot burgerhuis te gaan met een pokdalige gevel, waarin het vocht zich decennialang een weg had gevreten. Het pand met zijn hoge ramen en afgebladderde voordeur had betere tijden gekend; het stond duidelijk al een aantal jaren leeg. Aan een van de ramen hing een koopbrief die gerimpeld was door condens. Het begon te miezeren zoals het alleen in oude steden miezeren kan; de koperen klep van de brievenbus klapperde even mistroostig in een windvlaag.

De wijk heet het Patershol. Hij werd genoemd naar de smalle toegang tot het middeleeuwse klooster via een stadsgracht, waarlangs de paters met bootjes hun etenswaren en, naar de volksmond beweert, de hoeren naar binnen smokkelden. De gronden waren ooit eigendom van de Graven van Vlaanderen geweest; het oude stadsdeel grenst aan een twaalfde-eeuwse burcht en was eeuwenlang de woonplaats van patriciërs en gegoede burgers. Met de opkomst van het proletariaat in de negentiende eeuw werden vele van de voorname panden vervangen door arbeidershuisjes. Er kwam armoede en stilaan kreeg de wijk een slechte reputatie. De smalle stegen en beluiken raakten in verval, tot eind van de jaren zestig, met de studentenrevolte, de artistieke bohème er zich ging vestigen. Het huis waarnaar ik stond te kijken bevond zich aan de noordoostelijke rand van de wijk, in een straatje genaamd Drongenhof, niet ver van de plek waar de Leie traag en donker langs de oude, vochtige huizen stroomt.

De grote beslissingen in mijn leven heb ik zelden doelbewust genomen. Steevast belandde ik in een soort van droomtoestand waarin ik het gevoel had dat een onzichtbare hand me een duw in de rug gaf en dat ik, de spreekwoordelijke reine dwaas, mijn eigen lot tegemoetliep als een kip zonder kop. Ik trok een zakboekje uit mijn afgedragen legerjasje en schreef het telefoonnummer over. Nog die dag belde ik met de notaris. Twee dagen later bezocht ik het pand; het was in het bezit van de Franstalige familie De Potter. Die wilde zo snel mogelijk van een aantal panden af omdat met de jaarwisseling de kadastrale inkomens gevoelig zouden worden verhoogd.

Bij de bezichtiging van het huis zag ik de schimmel en het vocht, het brakke water in de ondergelopen kelders, hier en daar een vermolmd oud meubel, maar ook de hoge trapzaal, de mooie schoorsteen van bruin-roze marmer in de voorkamer, de lange gang met de zwart glimmende Ardense steen, afgeboord met een lint van grijsgeaderd Carrara, de ruime kamers op de etages met hun brede vloerplanken – de aantrekkingskracht van een onbekend leven.

We gingen van kelder tot zolder, een opgang die ruim twee uur duurde omdat notaris De Potter in mijn aanwezigheid, en telkens met mijn vereiste instemming, een gedetailleerde Staat van Bevinding moest opmaken. Op zolder zag ik aan een bestofte balk een stuk touw hangen; enkele pannen ontbraken in het hoge spitse dak. Je zag de grijze stadslucht, ergens hoorde ik het flapperen van duivenvleugels.

Ik heb altijd een zwak gehad voor de geur van vocht en verval in oude huizen.
Ik heb altijd een zwak gehad voor de geur van vocht en verval in oude huizen. Misschien omdat ik als kind, niet lang na de oorlog geboren, aan de hand van mijn moeder nog langs dergelijke door bombardementen beschadigde huizen moet hebben gelopen en de geur van vochtige steen en schimmel voor mij zoiets is geworden als het beroemde madeleinekoekje voor Proust. Wanneer je kind bent en nog zonder herinnering, vormt zelfs de geur van verval een bron van geluk. Ik kocht het pand in een opwelling, voor een bedrag dat tegenwoordig niet eens volstaat om een middelgrote auto te kopen. Omdat ik zelf niet bemiddeld was leende ik het bedrag renteloos bij mijn vader, en beloofde hem de som in maandelijkse schijven zo snel mogelijk af te lossen. In die tijd werden dergelijke transacties vaak nog cash geregeld; ik zie nog mijn vaders smetteloze handen, die de biljetten van zijn zorgzaam bij elkaar gespaarde geld telden op de kalfslederen bureaulegger van de notaris.

Het boek heette Zoon van een »foute« Vlaming; op het sobere omslag vielen meteen de opzichtige, zogenaamd ‘Duitse’ aanhalingstekens op. De auteur, Adriaan Verhulst, was een oud-hoogleraar geschiedenis van wie ik zelf nog les heb gehad. Hij had groot aanzien genoten tijdens zijn academische loopbaan, was voorzitter geweest van de raad van bestuur van de openbare omroep en van culturele verenigingen, hij had talrijke wetenschappelijke artikelen op zijn naam en stond bekend om zijn ruimdenkende opvattingen, maar ook om zijn strenge, koppige karakter. Op het eind van zijn leven publiceerde hij zijn moeilijke bekentenis. Ergens haalt hij een herinnering op aan het huis waarin hij zijn jeugd had doorgebracht en noemt hij mij als de huidige bewoner; ik bleef ongelovig zitten staren met zijn boek in mijn handen. Ik had het pand in de Gentse volkswijk toen net weer verkocht. Ik besloot Verhulst op te zoeken, maar voor het zover kwam, overleed hij. Ik hikte tegen raadsels en stilte aan.

Goed, dacht ik, laat me dan niet het verhaal van een ss’er vertellen; die zijn er al genoeg. Laat me de geschiedenis van een huis en zijn bewoners vertellen. Maar dan nog – het heeft jaren geduurd voor ik het verhaal dat hier volgt bij elkaar heb kunnen sprokkelen. Enkele getuigen leven nog, ze zijn hoogbejaard en hebben me hun herinneringen, voor zover dat nog kon, in detail verteld. Later, toen ik alles door had geploeterd, heb ik ook begrepen dat de nauwgezette historicus vreemd genoeg nooit inzage in de gerechtelijke dossiers had gevraagd om de waarheid onomwonden onder ogen te zien, hoewel hij dat probleemloos had gekund; indien hij dat wel had gedaan, zou het portret van zijn vader minder mild zijn geweest.

I

En dit maakte mij trager om te vragen.

Dante, Paradiso, Derde Zang

1

Adriaans vader, Willem Verhulst, werd geboren op 10 juli 1898 in Berchem bij Antwerpen, de gemeente waar hij na talloze omzwervingen in 1975 zou overlijden – amper vier jaar voordat ik het Gentse huis kocht waar hij decennia had gewoond.
In een merkwaardig autobiografisch fragment met de titel ‘Wils jeugd’, vermoedelijk geschreven in de gevangenis, noemt hij het een voorteken dat hij bijna op 11 juli ter wereld kwam – de dag waarop in Vlaanderen de Guldensporenslag uit 1302 wordt herdacht, een tot nationalistische grondingsmythe gepromoveerde veldslag waarin een handvol Vlaamse milities, nota bene met de hulp van Waalse manschappen, een leger van de Franse koning Filips iv versloegen op de Groeningekouter bij Kortrijk.

Willem stamde uit een groot gezin met negen kinderen, vier jongens en vijf meisjes; hij was het kakkernestje, en meteen ook de lieveling van zijn moeder. Zijn vader bezat een diamantslijperij in de buurt van het Albertpark, tussen het Groen Kwartier en Oud-Berchem, in de Boomgaardstraat. Het is een eeuw na zijn geboorte een gewone straat met nog vrij jonge bomen, waar enkele orthodox geklede joodse mannen een grote vrachtwagen uitladen bij een dieper gelegen opslagplaats. Er zijn niet zoveel huizen met een magazijn achterin; wie weet, dacht ik toen ik door de straat liep, is dit het huis waar ooit de diamantslijper woonde. Ik vroeg een van de mannen bij de vrachtwagen of dit een opslagplaats was voor koosjere voeding; de man vroeg me waarom ik dat wou weten. Ik wou hem antwoorden dat ik op zoek was naar het ouderlijk huis van een ss-man, maar besloot dat het beter was mijn mond te houden.
Aan de boomgaard van weleer herinnert nog een verzorgingstehuis voor bejaarden met de arcadische naam Ten Gaarde. De oude herberg waar zijn vader geregeld een glaasje te veel dronk, Afspanning De Hand, is er nog altijd. In hun buurt moet ook een koetsier hebben gewoond; de geur van paardenvijgen zal in de straten hebben gehangen. Ik vond een oude ets waarop een romantische boerderij is te zien. Knotwilgen en sneeuw, een dik rieten dak, akkers – een plaatje uit een verloren tijd. Nu schuiven de auto’s er voorbij in nooit eindigende trage rijen, grauw als de zielen in Dantes hel.

Achter het huis hield Willems zus Caroline, die men Carlo noemde, een ‘dansschool voor salondansen’; de platen van schellak lagen in hun dunne bruine hoesjes, waarop een inktblauw gestempelde afbeelding was te zien, op het tafeltje naast de grammofoon. Voor die tijd was het heel modern. Soms hoorde je alleen het geschuifel van voeten over de vurenhouten planken waarop fijn zand was uitgestrooid, en de ritmische aanmoedigingen van de jonge vrouw; naar het eind van de les toe, als voor de laatste keer de muziek had geklonken, dwarrelden de kinderen binnen en liepen tussen de in het zwart geklede koppels door.

Het moet op een van die avonden in het voorjaar zijn geweest dat het vierjarige jongetje plots op de grond viel.
Ook de kleine Willem liep erbij.
Het moet op een van die avonden in het voorjaar zijn geweest dat het vierjarige jongetje plots op de grond viel. Hij kreunde, rolde met de ogen, maakte hoekige bewegingen die overgingen in hevige stuipen. Hij kreeg schuim op de mond, de zussen krijsten en riepen om hun moeder; die snelde toe, zag het kind kronkelen, probeerde het tegen de planken vloer bonkende hoofdje te ondersteunen en stak een vinger in zijn mond opdat hij zijn tong niet af zou bijten – het jongetje braakt en hikt, zijn ogen lijken uit hun kassen te springen. De moeder weet wat koortsstuipen zijn, ze stuurt een van de meisjes om een in koud water gedrenkte doek en houdt het kind in bedwang tot de schokken afnemen. Langzaam komt het jongetje weer tot zichzelf, brabbelt iets en huilt klaaglijk. De moeder neemt hem op en draagt hem naar binnen, legt hem op de sofa. Hij valt in een diepe slaap; wanneer hij uren later wakker wordt, krijgt hij warme melk en een boterham met pruimenjam. Hij wil drinken, maar morst de helft en gaat weer huilen. Nog een halfuur later wil hij naar de wc, maar loopt tegen de deurlijst aan. Opnieuw gehuil en dan de kreet: Ik zie niets meer. De moeder snelt toe, bekijkt het kind aandachtig en ziet zijn in de leegte starende ogen. Ze prevelt een schietgebed, helpt hem op de houten plank van het toilet op de binnenplaats, legt haar hand op zijn been terwijl hij zittend plast. Het komt wel goed, Wimpje van mij, zegt ze. Weer draagt ze hem naar de sofa, weer valt hij in slaap, wordt pas wakker wanneer het al schemert. Zijn vader is inmiddels thuis, hij beweegt meteen zijn hand voor de ogen wanneer het kind ontwaakt. Willems ene oog volgt, het andere niet; wellicht komt dat andere oog morgen goed, zegt de vader, hij ziet in elk geval uit zijn rechteroog.

Maar het andere oog komt niet goed. Het jongetje loopt in de daaropvolgende maanden overal tegenaan, zijn hoofd vertoont voortdurend kleine kwetsuren, zijn knieën zijn geregeld geschaafd. Hij dondert van de trap wanneer hij zich wil haasten; hij schat afstanden verkeerd in en strompelt over stoepranden en drempels; hij loopt tegen de grote aardappelbakken in het achterhuis aan en blijft haken aan een spijker, die het vlees van zijn linkerdij openscheurt. Buurtkinderen treiteren hem door vlak voor hem uit te lopen en hem in de war te brengen, ze scanderen in koor ‘Hier komt Willem Scheel, hij ziet niet al te veel’. ‘In elk geval’, schreef hij later met gewaagde ironie, ‘hetgeen ik had moeten zien zag ik niet; maar ik zag ook veel dat ik beter niet had gezien, en doen alsof ik niets had gezien is mij later nog vaak van pas gekomen, iets wat ik moeilijk heb kunnen afleren.’

2

Willem zit onder het glazen afdak achter het huis en speelt met stenen karbonkels en varkenskootjes. Binnen klinkt steeds hetzelfde riedeltje dat een van zijn zussen op de piano oefent. Hij hoort zijn vader zingen ‘Je crois en toi, Maître de la nature/ Semant partout la vie et la fécondité’. Het lied is in Frankrijk nog steeds bekend als ‘Le Credo du paysan’, het looft de Heer om Zijn schepping en de vruchtbaarheid van de aarde, maar van de regels die God eer betuigen maakte zijn vader een karikatuur, door ‘Dieu’ systematisch door ‘Bête’ te vervangen: ‘Bête Tout-Puissant, qui fis la créature’… het galmt door het huis tot zijn vrouw roept dat het nu al welletjes is. De diamantslijper is overtuigd darwinist en wil zijn kinderen behoeden voor wat hij de ‘waanzin van het geloof’ noemt, hij citeert Voltaire uit het hoofd en noemt priesters ‘zwartzakken’ en ‘kolendragers’.

Willem krijgt angstaanvallen wanneer zijn moeder niet in de buurt is
Willem krijgt angstaanvallen wanneer zijn moeder niet in de buurt is; hij wil niet gaan slapen zonder eerst onder zijn bed te hebben gekeken. Hij wil niet langer op de schijtplank in het achterhuis, van het stinkende zwarte gat raakt hij in paniek. De schaduwen van het kaarslicht jagen hem de daver op het lijf en het knarsen van deuren doet hem rillen. Als het bliksemt kruipt hij weg, ervan overtuigd dat een demon zijn tweede oog komt halen. De zussen verwennen hem, soms mag hij bij een van hen in bed – iets waarover hij later schrijft: ‘Van toen af hebben de vrouwen mij getroost, hoewel ik zeer verle gen was, iets wat dan weer door sommige vrouwen ten stelligste wordt tegengesproken.’

Hij wordt een kleine pestkop, zij het goedaardig; minstens één keer per week wordt hij naar bed gestuurd zonder eten. ‘Ik kroop dan maar alvast in bed wanneer ik weer iets had mispeuterd,’ schrijft hij, ‘om verdere straffen te voorkomen.’ Tot zijn zesde draagt hij een jurkje, zoals toen om hygiënische redenen gebruikelijk was; hij speelt met poppen, waarvan hij zich herinnert dat hij naar hun ingewanden op zoek ging en ze openscheurde. Ook probeert hij steeds weer ‘hun ogen te repareren’, waardoor er tal van poppen zonder ogen door de woonkamer slingeren.

Tot op hoge leeftijd herinnerde hij zich in detail de dag waarop zijn moeder zijn slaapkamer binnenkwam met twee artsen, zelfs hun namen wist hij zich feilloos te herinneren: dr. Van Rechtesteen en dr. Bayence. Hij moet ongeveer zes jaar zijn geweest. Van Rechtesteen mompelt allerlei onverstaanbaars tegen zijn moeder, hij kijkt in het rond, de moeder wijst hem iets aan op het bijzettafeltje. De arts neemt een van Willems platenboeken, scheurt het dikke voorplat eraf. Willem protesteert, niet doen, roept hij uit, het is mijn lievelingsboek. De dokter komt sussend op hem toe, maakt een trechtertje van het harde blad en plaatst het op Willems oog; hij giet er een vloeistof in. Willem raakt bewusteloos.

Wanneer hij ontwaakt ligt hij geblinddoekt in bed, met dikke, naar ontsmettingsmiddel ruikende windsels om zijn hoofd. Hij voelt een snijdende pijn in zijn hele hoofd, en daar, op de tast, de hand van zijn moeder; hij probeert het verband eraf te rukken, de moeder moet het panikerende kind kalmeren. Het verband mag er onder geen beding af; de vaagroeste vlek op het weefsel doet de moeder bijna kokhalzen. Ze zal wekenlang bij zijn bed de wacht houden, hem helpen met de bedpan, hem wassen en kleden, hem toespreken en verhaaltjes voorlezen. Hij krijgt vloeibaar voedsel toegestopt, en blijft zo ruim twee maanden blind in bed. Wanneer zijn moeder zich voor een paar uur laat vervangen door een van zijn zussen tast hij naar haar hand en gaat wanhopig tekeer tot ze terugkeert.

Na die tijd haalt de arts het verband weg; het geopereerde oog ligt nog in een lichte waas van troebel vocht. Met een klein pincet plukt hij enkele korstjes weg terwijl het jongetje dreint. Er wordt een kleiner verband voor het geopereerde oog gespannen. Kleine Wim krijgt een zwart brilletje opgezet. Tranquille, mon gars, sust de arts, rustig, het komt wel goed. Zijn goede oog went langzaam weer aan het licht. ’s Anderendaags komt de arts opnieuw langs, hij haalt het verband weg, legt zijn hand op Willems goede oog en vraagt: Wat heb ik in mijn hand? Het kind had de tros druiven op de tafel naast de hand van de arts gezien; een tros druiven, roept hij uit. Helaas, de arts had een schaar in de hand. Het ene oog is nog altijd blind, zegt hij tot de moeder. We zullen moeten herbeginnen. Het kind raakt in paniek; niet opnieuw, schreeuwt hij, niet opnieuw, hij schopt met de benen, schudt het hoofd, is amper nog te kalmeren. Zijn moeder neemt hem op schoot, het is al goed, zegt ze, stil maar. Er komt geen tweede ingreep; de balans tussen medeleven en standvastigheid is delicaat in moeders.

Een uur later zit hij snikkend in de bank, met een prop tegen zijn oor aan gedrukt.
Een jaar later komt de eerste schooldag; het jongetje is schichtig, loopt doelloos rond in het gebouw, vergist zich ergens van deur, loopt het bureau van de huismeester binnen, die verkoopt hem prompt een ongelukkige klap voor zijn kop, het bloed loopt uit zijn oor; hij rent de school uit en moet terug worden gehaald door de gendarme. Een uur later zit hij snikkend in de bank, met een prop tegen zijn oor aan gedrukt.

Ik hield van bloeiende paardenkastanjes, schrijft hij in zijn memoires, van die dwarrelende helikoptertjes van esdoorns in de herfst, van sissende lantarens in de mist; ik stal dikke gele peren uit de boomgaard en verborg mijn buit achter het konijnenhok.

Vanaf zijn tiende levensjaar beginnen de vechtpartijen op school. De Antwerpse instelling is scherp verdeeld in een Vlaams-Franse en een volledig Franstalige afdeling, de speelplaats is opgedeeld om vechtjassen van beide kanten uit elkaar te houden. De Vlaamstaligen werden geminacht, schrijft hij, wij werden gehoond en geplaagd door de bourgeoiszonen, we werden in het Frans uitgescholden voor het vuil van de straat, we sloegen erop los, wij de zonen van gewoon volk, ik verdroeg niet dat we vernederd werden. Ik heb altijd deernis gevoeld, voegt hij eraan toe, voor de kasseileggers, de tramconducteurs en de paardenmenners; als ik van school wegliep en snoepgoed stal, deelde ik het met de werklui. Met vergoelijkende ironie schrijft hij dat ‘het manneke Wil’, zoals hij zichzelf typeert, nooit tot de jaren van verstand gekomen is, ‘hetzij door z’n heilige onnozelheid of de dwaasheid die op z’n smoeleken te lezen staat’.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief