leesfragment

‘Welkom thuis’ Najwa Zebian

0

Alhoewel Najwa Zebian nooit dakloos is geweest, kent ze het gevoel van ‘geen thuis hebben’ maar al te goed. Ze investeerde veel in relaties, maar als deze stukliepen, voelde ze zich opnieuw verloren. Totdat ze leerde hoe je oude wonden kunt helen door een spiritueel huis in jezelf te bouwen. In de verschillende kamers leer je van jezelf te houden, laat je emoties toe, maak je kennis met je authentieke zelf en meer. 

Lees hier de eerste pagina’s van Welkom thuis.

INLEIDING

De weg naar huis

Voordat je begint met de bouw van je huis, moet je de klinkerweg aanleggen die naar de grond leidt waar je huis op gebouwd zal worden. Door alle struikelblokken op je pad weg te halen, verander je je wegversperringen in de straatstenen waarmee die weg wordt aangelegd.

De fout die de meeste mensen maken, is dat we ons huis in andere mensen bouwen, in de hoop dat die ons de moeite waard vinden om ons erin te verwelkomen. We voelen ons zo verlaten en leeg als mensen weggaan, omdat we zoveel van onszelf in hen geïnvesteerd hebben. In deze inleiding zul je leren hoe je zelf de touwtjes in handen kunt nemen bij de bouw van je eigen huis, je eigen ruimte, in jezelf. Ongeacht je verleden, hoe dakloos je was of hoeveel mensen je hebt gesmeekt om van je te houden, de bouw van je huis begint hier en nu.

Ben je er klaar voor?

Kom, dan gaan we beginnen met het aanleggen van de weg naar huis.

Het was maandagochtend.

Toen ik wakker werd, zag ik een berichtje waarin stond: Mag ik je bellen? Het was nogal ongebruikelijk dat Noah dat vroeg, want we planden onze telefoontjes meestal dagen van tevoren. Het voelde niet goed, maar aangezien we elkaar de laatste tijd veel vaker berichtjes stuurden, dacht ik dat een telefoontje een logische volgende stap was. Dus antwoordde ik: Natuurlijk! Ik sprong mijn bed uit, deed snel mijn haar in een knot en ging aan mijn kookeiland zitten, waar ik veel tijd doorbreng met schrijven.

Hij belde me onderweg naar zijn werk. We hadden het even over zijn baan. We lachten veel. Ik weet niet meer waarom. Maar ik was altijd heel vrolijk als ik met hem aan de telefoon zat. Ik maakte hem graag aan het lachen, zelfs als ik mezelf daarmee belachelijk maakte.

Terwijl we wat over onbenullige dagelijkse zaken kletsten, zei een stemmetje in mijn hart: Dit kan niet alles zijn. Hij belt om me iets te vertellen. Wil hij vragen wanneer we elkaar weer zien? Wil hij zich meer openstellen? Mist hij me? Nee… dat kan het niet zijn. Hij is emotioneel zo onafhankelijk. Hij zou het nooit toegeven, ook al zou het waar zijn.

Maar een ander stemmetje, een waar ik eindelijk, na hard werken, steeds vaker naar luisterde, zei: Hij wil gewoon met je praten. Rustig maar. Je verdient het dat iemand je zomaar belt omdat hij even je stem wil horen.

Deze keer luisterde ik naar dat stemmetje. Het was hetzelfde stemmetje waar ik een paar dagen eerder naar had geluisterd toen ik mezelf had gedwongen om uit mijn comfortzone te stappen en op vleiender toon tegen hem te praten. Hij gaf niet altijd een compliment terug, maar nam dat van mij graag aan. En op dat moment was dat voor mij het enige wat telde. Hij probeerde een vervelend verleden achter zich te laten en voor hem was het een enorme stap om een compliment te aanvaarden.

Ik was blij dat iemand mijn loftuitingen accepteerde.

Dat inwendige stemmetje haalde me zo ver uit mijn comfortzone dat ik er zelf versteld van stond. Ik was het niet gewend om iemand te vertellen hoe graag ik hem wilde zien. De gedachte alleen al – om iemand te vertellen dat ik graag bij hem wilde zijn – maakte me hevig aan het blozen. Op de een of andere manier schaamde ik me om dat te uiten… om dat te willen… om dat toe te geven.

In mijn cultuur is praten over gevoelens en romantiek namelijk taboe. Het is iets voor de films en tv-programma’s. Als kind mocht je best naar die programma’s kijken, maar je moest wel snappen dat wat je daar zag niet in het echte leven kon gebeuren. Het was een soort cognitieve dissonantie. Dat gebeurt en het is oké dat anderen het beleven, maar als ik het zelf deed, zou ik in de problemen komen.

Zo ben ik tenminste opgegroeid, in een klein dorpje in Libanon. Iedereen was moslim – op papier. De moskee stond recht tegenover mijn huis. En ik heb een strenggelovige opvoeding gehad. In die opvoeding werden strikte scheidslijnen tussen meisjes en jongens en mannen en vrouwen getrokken. Als kind zag ik relaties als volgt: op een dag ziet je prins op het witte paard je op de een of andere manier, ook al zit je verscholen. Hij zegt dat hij verliefd op je is en wil met je trouwen. En… boem! Jullie leven nog lang en gelukkig.

Ironisch genoeg leerden meisjes hier helemaal aan de andere kant van de wereld – het deel van de wereld waar ik uiteindelijk zou leren hoe misleidend dat idee over relaties is – precies hetzelfde door Disney-films. Ik weet nu dat dit sprookje voortkomt uit vrouwenhaat en patriarchaat – die helaas geen grenzen kennen – en niet zozeer uit specifieke religies of culturen. Daar zou ik hele boeken over kunnen schrijven, maar laten we terugkomen op het stemmetje waar ik het over had.

Want telkens wanneer ik naar dat stemmetje luisterde, sliep ik beter en was ik gelukkiger, en daarom besloot ik die ochtend ook naar dat stemmetje te luisteren.

Dus vertelde ik hem hoe geweldig ik het vond om hem weer te zien. Omdat hij het zo druk had met zijn werk, hadden we besloten elkaar over een maand te zien. Maar dat stemmetje had me een paar dagen voor dit telefoontje ingefluisterd dat ik het hem gewoon moest zeggen als ik hem eerder wilde zien. Dus dat had ik gedaan in een berichtje.

Hij zei dat hij me in de loop van de week daarop zou laten weten wanneer we elkaar konden zien. Dat vond ik fantastisch. Ik had mezelf ervan overtuigd dat ik extraverter moest zijn, want ik wist dat hij, gezien zijn ellendige verleden dat hij kort had aangestipt, moeite had met vertrouwen. Ik kan maar beter zorgen dat hij zich veilig voelt bij mij, dacht ik. Laat ik hem het gevoel geven dat hij gewaardeerd wordt en gewenst is.

Tijdens het eerste ogenblik van onbehaaglijke stilte tijdens ons telefoongesprek, zei ik: ‘Ik weet dat ik misschien dingen heb gezegd waar je nog niet helemaal klaar voor bent, maar als je ze hoort, hoop ik dat je beseft hoe waardevol je bent.’ De dingen die ik gezegd had, waren onschuldige complimenten en affirmaties.

En toen zei hij: ‘Dat is het hem nou juist… Ik denk dat we niet meer moeten praten.’

Laat me dit moment even voor je stilzetten en je precies uitleggen hoe ik me voelde: ik schrok me rot. En toch ook weer niet. Ik wist dat dit moment eraan zat te komen. Ik was niet echt blij met hoe het tussen ons ging. Ik wist dat ik niet gelukkig was. Achteraf weet ik dat ik een geluksgevoel ervoer omdat ik me kwetsbaar opstelde en zei wat ik dacht, niet omdat hij me gelukkig maakte. Ik raakte altijd in de war door het feit dat hij mijn gevoelens niet beantwoordde. Als hij emoties toonde of me aandacht gaf, was het net alsof ik meedeed aan een hardloopwedstrijd met de illusie dat er een eindstreep was. Dus je blijft rennen, maar de finish beweegt steeds verder bij je vandaan. Tegen alle verwachtingen in reageerde ik door te zwijgen. Ik voelde mijn lichaam krimpen en vooroverbuigen. Meer dan een omhelzing van mijn oversized sweater zat er niet in op dat moment waar maar geen eind aan leek te komen. Hoe zou er ook een eind aan kunnen komen als ik het begin niet eens had gezien? Natuurlijk overkwam mij dit weer. Niemand wil bij me zijn.

In dat moment van stilte zei hij: ‘Hoor eens, de laatste paar dagen waren me veel te intens. Ik ben nog niet klaar voor zoiets.’

Veel te intens? dacht ik. We hebben elkaar alleen maar BERICHTJES gestuurd!

Ik schoot meteen in de verdediging en zei: ‘Maar je zei dat je gelukkig was.’

‘Dat zei ik, ja. En ik was ook gelukkig. Maar ik besefte wel dat ik er niet klaar voor ben. Het gaat te snel. Ik ben nog een heleboel dingen uit mijn verleden aan het verwerken en die moet ik in mijn eentje oplossen.’

Dus het antwoord was simpel. Ik zei: ‘Oké, dan zal ik niet meer zo tegen je praten. Sorry.’

Maar daar was dat andere stemmetje weer: ik ben te snel gegaan. Ik heb dingen gezegd die ik niet had moeten zeggen. Als ik nou iets langer had gewacht, was het allemaal anders gelopen. Het is mijn schuld.

‘Ik denk dat je er veel te ver in zit en het zou niet eerlijk zijn om van je te vragen om een stapje terug te doen. Dus het lijkt me het beste als we elkaar maar niet meer spreken.’

‘Helemaal niet?’

‘Helemaal niet. Ik weet dat je dit niet wilt horen, maar mijn besluit staat vast. Ik weet dat het pijn doet, maar zo wil ik het.’

Als ik probeer deze pijn te beschrijven, brokkelen de woorden af voordat ik ze op papier krijg. Ik had het gevoel dat iemand me helemaal naar een bergtop had meegenomen en me daarna uit alle macht naar beneden had gegooid. Tegelijkertijd voelde ik me verdoofd. Misschien was het ontkenning. Schok. Ongeloof. Of misschien was de pijn zo hevig dat ik de intensiteit ervan niet meer kon voelen. Er ging een tintelend gevoel door mijn hele lijf. Alsof ik wilde huilen, maar het niet kon. Ik wilde schreeuwen, maar ik kon het niet. Eigenlijk wilde ik gewoon dat ik dit einde kon veranderen. Maar dat kon ik niet.

Dit was het einde van de strijd.

Ik voelde me hulpeloos.

Hoe kun je blijven vechten als je de enige op het slagveld bent? Hoe kun je vechten als iemand al met de witte vlag heeft gezwaaid? Hoe neem je afscheid van iemand die al weg is? Die al is weggegaan en je pas van zijn vertrek op de hoogte stelt als hij zijn bestemming al bereikt heeft?

De rest van het telefoongesprek was een waas.

Ik had meteen daarna een zakelijke meeting, dus had ik geen tijd om te huilen. Na afloop belde ik nog even met mijn toenmalige zakenpartner en sloeg me erdoorheen. Maar aan het eind van het gesprek vroeg hij: ‘Gaat het wel goed met je?’ Eerlijk gezegd verafschuwde ik dit aspect van mezelf op dat moment. Het is zo duidelijk te merken als ik het moeilijk heb. Je hoort het in mijn stem. Je ziet het in mijn ogen. Het ligt er zo dik bovenop. Ik bedoel maar, degene met wie ik aan de telefoon zat, voelde gewoon dat er iets mis was. Het eerste wat ik dacht, was: Bah! Ik haat het dat ik mijn gevoelens niet eens kan verbergen door de telefoon.

Ik zei: ‘Om eerlijk te zijn gaat het niet zo goed.’ Ik barstte in tranen uit. Ik vertelde hem wat er gebeurd was.

‘Ik snap niet waarom mij dit altijd overkomt… Het doet zo’n pijn… Mijn hart doet echt pijn. Ik moet even vrij nemen. Ik kan me niet focussen op het werk dat we hebben afgesproken.’

Hij was heel aardig en gaf me zoveel input dat het op dat moment het ene oor in en het andere oor uit leek te gaan. Mijn hele wezen was met die pijn bezig. Dit ging om veel meer dan Noah. Het ging algauw over in opgeblazen gevoelens van verlating, verwaarlozing en waardeloosheid.

Het was echt heel raar. Ik vroeg me af: Waarom vinden andere mensen het altijd wel prima om mij niet in hun leven te hebben?

Ik was actief bezig mezelf omlaag te halen. Ik zei tegen mezelf: Wie denk je wel dat je bent? Ik dacht dat ik al zo hard aan mezelf had gewerkt dat ik dat antwoord had veranderd van ik ben een nul in ik ben Najwa Zebian. Hoe kon nu gebeuren dat het antwoord ineens weer luidde: ik ben iemand die geen liefde waard is?

Ergens tussen dat gevoel dat ik een narcist was omdat ik niet kon accepteren dat iemand het prima vond om niet bij me te zijn en het weten wat ik waard was, koos ik ervoor om te luisteren naar een stemmetje dat me vertelde: je weet nog steeds niet hoe je mensen moet laten zien wat je waard bent. Als je dat wel zou doen, was dit niet gebeurd.

Dus de dagen daarna dacht ik na over elk moment. Elk deel van dat hele verhaal met Noah dat ik had verpest. Ik draaide in kringetjes rond. Ik bedoel, dit leek in de verste verte niet op een relatie. We gingen niet eens samen uit. Het was altijd een mogelijkheid, een bijna, maar het gebeurde nooit echt. De intensiteit van de pijn die ik voelde stond helemaal niet in verhouding met wat ik echt voor Noah voelde. Ik was niet verliefd op Noah. Ik vond hem niet eens leuk. Ik hóópte op Noahs potentieel. Ik was vooral verdrietig omdat íémand me verliet, en niet zozeer om wie diegene was.

Mijn zakenpartner had aangeboden me in contact te brengen met zijn therapeut, Brittany. Op dat moment had ik al een tijdje niet meer met een therapeut gesproken, omdat ik het gevoel had dat therapie nergens toe leidde. Maar ik besloot het nog één keer te proberen.

Nadat ik aan de therapeut beschreef hoe geschokt ik was, verliep het gesprek als volgt:

Therapeut: Ten eerste: emoties zijn energie in beweging en dat betekent dat ze weliswaar heel hard en echt lijken, maar in werkelijkheid gewoon energie zijn die door zal stromen en waar we absoluut doorheen kunnen werken. Ten tweede: natuurlijk ben je geschokt, want je had de dingen waarschijnlijk het liefst een beetje anders willen doen. Ten derde: het is eigenlijk ons ego dat in deze situatie gekwetst wordt. Soms willen we zelf juist degene zijn die dat soort beslissingen neemt en de banden verbreekt.

(Dat is inderdaad meermalen door mijn hoofd gegaan: als íémand de communicatie had moeten beëindigen, had ik het moeten zijn!)

Therapeut: Dus zou ik willen vragen: toen hij stelde dat jullie twee elkaar niet meer zouden spreken, hoe beïnvloedt dat werkelijk wie je bent en wat je bent?

Ik: Ik geloof dat het gewoon bevestigt dat ik niet de moeite waard ben om bij te blijven. Niet omdat ik niet geloof dat ik de moeite waard ben om bij te blijven. Maar omdat elke ervaring in mijn leven tot nu toe heeft bewezen dat ik dat niet ben.

Therapeut: Het klinkt alsof hij nou niet bepaald iemand was bij wie jij wilde blijven.

Ik: Ik denk dat ik wilde dat hij bij mij wilde blijven, maar niet de manier waarop hij bij me bleef, wat impliceert dat ik wilde veranderen wat hij voelt. En ik heb niet de macht om dat te doen.

Therapeut: Dus heb je wel het gevoel dat hij echt degene is bij wie je wilt zijn? Of iemand in het algemeen?

(Zelfs een therapeut die ik voor het eerst sprak kon zien dat het niet Noah was om wie ik verdrietig was.)

Ik: Ik weet wel zeker dat het meer iemand in het algemeen is, maar ik… voelde me verbonden met hem. De eerste keer dat ik hem ontmoette, zag ik verdriet. En ik had sterk de neiging om hem te willen helpen. En elke keer dat hij zich openstelde en kwetsbaar was, voelde ik me steeds meer verbonden met hem. Ik kende dat verdriet. Het was prettig om dat van dichtbij te voelen. Omdat ik het zo goed kende.

Therapeut: Verdriet – iets wat je heel goed begreep… Het heeft iets van een genezer. Als we zien dat anderen verdriet hebben, willen we hen beschermen. We willen hen helpen met de pijn. We willen dat ze weten dat ze niet alleen zijn. Fysiek of emotioneel. Het doet er niet toe. Het doet allemaal pijn. Ons lichaam houdt de score bij. En als die dingen voortdurend gebeuren, maken ze sterke neuroverbindingen die zorgen dat onze overtuiging dat we niet de moeite waard zijn of niet goed genoeg zijn steeds dieper ingeprent wordt. En als we dan iemand tegenkomen die een soortgelijke pijn heeft ervaren, doet het nog meer pijn als ze hetzelfde met ons lijken te doen. Zoals in deze situatie toen hij abrupt zei dat jullie niet meer met elkaar moesten praten en hij daarna wegliep.

Na deze uitwisseling van berichtjes besloten we elkaar drie dagen later telefonisch te spreken. De paar dagen erna waren een roes. Ik liet me gewoon leiden door mijn gevoelens. Ik vroeg me de hele tijd af waarom ik zo’n verdriet had om iemand met wie ik in de verste verte geen relatie had. Het zat me ontzettend dwars dat ik niet degene was die zei dat we elkaar niet meer moesten spreken. Ik had het gevoel dat er iets mis met me was omdat ik volgens mij zwaar overdreven reageerde op een nogal onbeduidend voorval.

Toen ik eindelijk een telefoongesprek met mijn therapeut had, zei ze iets waardoor ik de rest van de dag onbeheerst moest huilen: ‘Ik heb het idee dat je in het verleden iets hebt meegemaakt wat je gebrek aan eigenwaarde heeft gevormd.’

Het voelde letterlijk alsof er gif, elektriciteit of pijn door mijn aderen raasde; opeens ging er een wond in mijn binnenste open die door mijn hele lichaam gutste, op zoek naar een uitgang. Een vluchtweg.

Door met de therapeut te praten, besefte ik wat de reden was dat ik geen steek verder kwam: in die tijd, toen ik achter in de twintig was, was ik in de valkuil getrapt waar de meeste mensen in trappen, namelijk dat ik steeds maar over mijn huidige pijn praatte en mezelf ervan overtuigde dat erover praten, er een stem aan geven en te bevestigen hoe ik me voelde, genoeg was om het allemaal op te lossen. Er gierde een orkaan van emoties door mijn lijf en ik pakte een tissue.

Het ironische was: ik kende de keiharde waarheid. Ik had erover gesproken tijdens mijn vele lezingen en hem gedeeld met de ruim een miljoen volgers die ik had op social media. Je kunt een recente wond genezen, maar als je nog niet hebt afgerekend met je oude wonden, kun je er zeker van zijn dat die littekens zullen worden die blijven bepalen wie je bent.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief