nieuws

Wie wat bewaart…

0

“In vroeger tijden werd er bijna niets weggegooid en dat levert nu zo af en toe verrassende vondsten op!”

Een artikel door Peter Römer, auteur van o.a. Het meesterstuk.

In de 17e en 18e eeuw leefden de mensen in een circulaire maatschappij, een wereld waarin niets werd weggegooid. Een wonderlijke gedachte in deze tijd waarin de plastic soep en een onbedwingbare afvalberg de mensheid grote zorgen baren.

De circulaire maatschappij van de 17e en 18e eeuw

In deze periode werd alles wat hergebruikt kon worden opnieuw gebruikt. Ook in de schilderateliers. Daar werkten de meesters die, vaak in opdracht, de gegoede burgerij aan hun familieportretten hielpen. Of aan landschappen en andere genrestukken die als wanddecoratie eveneens erg gewild waren. Hun schilderijen, die nu vaak met groot respect en op afstand bekeken dienen te worden, vormden in die tijd de kern van een levendige en profijtelijke handel.

In die ateliers leidden de schilders hun meewerkende leerlingen op en maakten ze hun eigen pigmenten die de basis vormden voor de verf die er werd gebruikt. En iedereen had natuurlijk zijn eigen, geheime, recept. Het ligt voor de hand dat er ook veel linnen werd gebruikt voor het opspannen van nieuwe doeken. Natuurlijk lukte niet ieder schilderij meteen (althans, naar de mening van de meester), maar van weggooien was geen sprake. Linnen kostte geld! Dus werd er een nieuwe grondlaag over het oude werk gesmeerd en het doek was klaar voor een tweede ronde.

Ook werden grote doeken letterlijk terug gesneden tot een kleiner formaat. Zoals gebeurde met ‘De samenzwering van Claudius Civilus’ van Rembrandt, dat oorspronkelijk een enorm doek was, bestemd voor het nieuwe stadhuis op de Dam in Amsterdam. Wat er na de ingreep met het resterende linnen gebeurde moge duidelijk zijn: het werd gewoon weer hergebruikt.

XRF Scan

Met behulp van moderne röntgentechnieken, mede ontwikkeld door professor Joris Dik hoogleraar aan de TU in Delft, kunnen wij tegenwoordig als het ware door de schilderijen heen kijken. Met de XRF scan worden laserstralen in een doek geschoten en teruggekaatst geven ze informatie over de metalen die ze onderweg hebben geraakt. Metalen die schilders vroeger verwerkten in hun pigmenten. Zo krijgen we een veel beter beeld over de lagen waaruit het schilderij is opgebouwd dan met de oude röntgentechniek die alleen het loodwit signaleerde dat in de verf werd gebruikt. Dat bracht voornamelijk vage, moeilijk te interpreteren beelden voort.

Een van de eerste schilderijen dat met die nieuwe techniek werd onderzocht was een schilderij dat door sommigen aan Van Gogh werd toegewezen. Een kleurrijk bloemstilleven. Onder dat schilderij kwam ineens het beeld tevoorschijn van twee worstelende mannen met naakte torso’s. Enige verbijstering was hier op zijn plaats. Er was geen schilderij van worstelende mannen van Van Gogh bekend. Had hij dat schilderij van die mannen misschien gekocht op een markt en er daarna zelf overheen geschilderd?

De vraag zou wel altijd onbeantwoord zijn gebleven, als niet iemand zich een brief herinnerde die Van Gogh aan zijn broer Theo had geschreven. Daar heeft hij er bij zijn leven heel veel van geschreven, reden waarom we relatief veel weten over zijn leven, dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld Rembrandt.

En in een van de brieven aan zijn broer vertelt hij enthousiast over een schilderij waaraan hij is begonnen over… twee worstelende mannen! Mysterie opgelost door de meester zelf.

Blijkbaar was hij er uiteindelijk niet tevreden over en schilderde hij er iets anders overheen. Een kleurrijk bloemstilleven, dat nu meteen officieel werd aanvaard als een echte Van Gogh.

Dat is toch een mooi idee, dat je door het museum loopt, langs al die beroemde schilderijen en dat je er bijna zeker van kunt zijn dat er zich onder die meesterwerken nog meer meesterwerken bevinden van de hand van de kunstenaar in kwestie!

Er valt nog veel te ontdekken.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief