nieuws

‘Witte zee’ van Roy Jacobsen

0

Noorwegen, 1944. Ingrid is alleen op Barrøy, het eiland dat haar familienaam draagt. De oorlog heeft plaatsgemaakt voor een nog ergere strijd en Noorwegen lijdt onder het juk van de nazi’s. Tijdens een storm spoelen de lichamen van een gezonken Duits oorlogsschip aan, onder wie een nog levende Russische krijgsgevangene. Ingrid neemt hem mee naar huis, maar heeft op dat moment nog geen weet van wat zij zal moeten doorstaan om haar geliefde te beschermen tegen de Duitsers en de Noorse collaborateurs.

Lees hier de eerste hoofdstukken van Witte zee van Roy Jacobsen, auteur van De onzichtbaren.

1

De vis was er het eerst. De mens is slechts een halsstarrige gast aan zee. De voorman kwam vragen of iemand van de meisjes kabeljauw kon vlinderen, er was een onverwacht grote lading vis binnengekomen. Ingrid keek op van de harington en liet haar blik naar de kade dwalen, waar dansende sneeuwvlokjes opgeslokt werden door de zwarte planken, ze veegde haar handen af aan haar schort en liep met hem mee naar de zouterij. Ze ging bij de werktafel en een vat vol schoongemaakte vis staan. Ze keken elkaar aan. Hij knikte naar het mes op tafel, dat op een kleine bijl leek.

Ze trok een grote kabeljauw uit de spoelbak en legde die op tafel, sneed zijn keel door, trok de kieuwdeksels naar buiten en sneed de graat los vanaf de nek tot de buik, trok de snee door tot de staart, hakte de graat doormidden bij de anus, sneed de graat ook aan de andere kant los, trok hem eruit alsof ze een roestige rits openritste en hield hem omhoog in haar linkerhand: de vis leek op een witte vleugel op de bebloede tafel, klaar om gespoeld en gestapeld te worden, gezouten en gedroogd en in laagjes gelegd, en verkocht te worden als het ivoorwitte goud dat deze karige kust in de achthonderd jaar die zijn verstreken sinds de streek voor het eerst in een manuscript werd vermeld in leven heeft gehouden.

‘Laat die graat eens zien.’

Ingrid pakte hem over in haar rechterhand om het wondje tussen haar duim en wijsvinger te verbergen. ‘Helemaal schoon.’

Ze voegde eraan toe dat ze hier zo lang kon blijven als nodig was, je wist maar nooit met de herfst…

‘Maar trek wel handschoenen aan.’

Ingrid keek naar haar bloed dat zich met dat van de vis vermengde en een druppel vormde die op de vloer viel op het moment dat hij haar de rug toekeerde en op zompende rubberzolen naar zijn kantoortje liep.

Ingrid wilde hier weg.
Ingrid wilde hier weg, wilde weer naar Barrøy, maar niemand kan helemaal alleen op een eiland zijn, en deze herfst waren er dieren noch mensen op Barrøy, het was leeg en verlaten; het eiland was sinds eind oktober niet eens te zien geweest, maar hier op het hoofdeiland kon ze ook niet blijven.

.

Ze splitste tien uur per dag vis, hield zich twee zouters van het lijf, en kon na een week ’s nachts niet meer slapen op de tochtige zolder waar ze bivakkeerde met Nelly en twee meisjes van het vasteland die hier vanwege de oorlog waren. De meisjes deden alsof ze zichzelf niet in slaap huilden, ze kaakten haring en legden die in het zout in tonnen, goten er pekelnat bij en dronken surrogaatkoffie, zoutten en sliepen en wasten zich om de avond met koud water, wasten hun haren één keer per week, ook met koud water, roestrood onder een sterrenhemel van schitterende haringschubben, en Ingrid splitste kabeljauw als een man.

Halverwege de tweede week vertrok de ene zouter en werd Nelly gehaald om met Ingrid te werken. De volgende dag brak er een noodweer los en de vissersboten zochten een noodhaven op de eilanden. De dag erop konden ze ook niet binnenlopen, en toen ze zich de derde ochtend einde­ lijk door de sneeuw konden worstelen, hadden ze nog geen sprot aan boord.

Maar er stonden veel mensen op ze te wachten, een heel dorp wachtte ze op, om de mannen te begroeten die wederom levend naar huis waren teruggekeerd. Toen kwam er nog meer slecht weer, nog meer gedwongen aan wal blijven met vistuig dat niet gebruikt kon worden, vangsten die niet deugden, behalve misschien voor mest, het hing van zoveel factoren af, vooral van de prijzen in een andere wereld dan deze; de vis werd aan de staarten bijeengebonden en op de droogrekken gehangen, en het wonderlijke sprookje van het najaar was voorbij.

.

Ingrid en Nelly keerden de stapels gezouten vis om, haalden de mindere exemplaren eruit en zorgden ervoor dat de vissen die voorheen onderop hadden gelegen nu bovenop kwamen. En toen was het haringseizoen ook ten einde, de vreemde meisjes kregen ontslag, namen hun magere loon in ontvangst, plukten de schubben van elkaars gezicht, wasten elkaars haar in koud water, droogden en kamden het en zorgden ervoor dat hun haarbanden goed zaten voordat ze lachend vertrokken met de lijnboot, in kleren die niemand ooit eerder had gezien.

Met diezelfde lijnboot kwam een brief.
Met diezelfde lijnboot kwam een brief, van Ingrids tante Barbro, die in het ziekenhuis lag. De brief was geschreven door een verpleegster met een doktershandschrift, een brief die Ingrid kon lezen, maar niet begreep. Haar tante kwam nog niet naar huis omdat haar gebroken heup niet herstelde en omdat ze geen vervoer had, maar ze zou ruim op tijd voor de kerst weer thuis zijn, stond er twee keer, Barbro was 59 en Ingrid 35, die avond viel ze vroeg in slaap en droomde niet.

Ze werd ook vroeg wakker en bleef liggen luisteren naar de wind die krabbelde aan het leistenen dak en naar de zee die murmelde en zuchtte tussen de kadepalen, en ze hoorde Nelly’s ademhaling, Nelly die sliep als een mens, dat was het enige hier wat was zoals het moest zijn, het geluid van Nelly’s slaap, elke nacht weer, maar nu kon ze dat niet meer verdragen.

Ingrid stond op, waste zich bij de zinken emmer en pakte haar koffer, at niets en maakte geen koffie, nam haar stinkende werkkleren mee naar de plek achter de conservenfabriek waar de Duitsers hun afval verbrandden en gooide ze in de ton, bleef in de vlammen kijken tot er mensen op de kade verschenen, het sneeuwde licht.

Ze liep terug en maakte een soort koffie, schonk een mok in en zette die op de stoel naast het hoofdeinde van Nelly’s bed, Nelly die er nog steeds uitzag als een gelukkige dode. Ingrid wachtte tot een schaduw op de wand van het pakhuis haar vertelde dat de voorman was gearriveerd, dat de dag nu begon, in de duisternis; toen stond ze op, liep met haar koffertje naar beneden en zei dat ze haar loon wilde hebben.

De voorman legde zijn versleten potlood neer en leek verbaasd, zei dat ze hem vóór was maar dat hij haar ook niet kon missen, ze zouden vanavond vis binnenkrijgen, ze was zowel nodig als overbodig, de gebruikelijke, ingewikkelde zwendel van de loonarbeid, maar Ingrid kwam van een eiland, met de hemel als dak en wanden, dus herhaalde ze dat ze nú haar geld wilde hebben en wachtte geduldig tot hij klaar was met alle lades die open en dicht moesten worden gedaan, de paperassen waarmee geritseld moest worden, het dubbelzinnige zuchten vanwege haar werkbriefjes en het al even omstandige tellen van de verfomfaaide bankbiljetten, alsof het een belediging was dat je om je loon vroeg, alsof je op betaaldag medelijden moest hebben met de heer en niet met de slaaf.

.

Ingrid liep over de beijsde weg naar de winkel en wachtte tot Margot die opendeed, pakte de spullen die ze nodig had, kreeg ook koffie en margarine tegen bonnen en geld, leende Margots handkar en bracht haar boodschappen naar de sloep die de hele herfst onder de kade had gelegen.

Ze schepte met het hoosvat de sneeuw eruit, zette de boodschappen en haar koffer aan boord, bracht de handkar terug en zag op de terugweg twee Duitse soldaten die in de luwte van de zouterij zaten te roken, ze moesten daar de hele tijd al gezeten hebben en haar hebben gadegeslagen.

Ze stapte in de sloep, maakte de landvasten los en ging aan de riemen zitten.
Ze stapte in de sloep, maakte de landvasten los en ging aan de riemen zitten. Een van de soldaten liep de kade op en riep haar iets na, gebaarde met zijn hand en de sigaret, een rood oog in de winter. Ze liet de riemen rusten en keek hem vragend aan. Hij herhaalde iets wat ze niet verstond, de sneeuwjacht werd dichter, de boot gleed verder en de soldaat verdween.

Ingrid roeide naar het langgerekte Gråholmen, volgde de rotsen van het eiland op een riemlengte afstand tot ze verdwenen, er was geen zicht, de zee was loom en rustig.

Ze zette een koers uit ten opzichte van het baken op de laatste scheer en probeerde de hoek tussen de boot en de golfrichting constant te houden, en na een dik halfuur bereikte ze Oterholmen. Dat eiland lag aan bakboordzijde, maar had aan stuurboord moeten liggen. Ze veranderde van koers, roeide verder met een nieuwe hoek tussen de golven en de slingerende kielzogstreep en bereikte Barrøy een halfuur nadat Oterholmen uit het zicht was verdwenen.

Ze droeg de boodschappen aan land, deed de deuren van het boothuis open en trok de boot naar binnen met de lier die haar vader ooit in haar jeugd had geïnstalleerd, ze rechtte haar rug en keek om zich heen, naar de huizen die daarboven in de grijze mist op de kromme rug van het eiland stonden, bij helder weer zichtbaar van vijftien, twintig mijl afstand, nu slechts kleine zwarte dozen onder een dunne laag melk, geen licht, en geen sporen in de sneeuw.

Ze hees het juk op haar schouders, hing de boodschappen eraan en liep de heuvel op. De dozen werden huizen, omgeven door bomen die op verkoolde vingers leken. Ze ging naar binnen en liep door alle kamers, stak alle lampen aan, maakte het fornuis in de keuken en de kachel in de woonkamer aan. Hier kon ze ook niet blijven. Ze ging weer naar buiten, naar het boothuis, controleerde of dat dicht was en zette de bokken aan de lijzijde, alsof ze dat al niet gedaan had toen ze aankwam. De strekdam van keien en het raster van de rolbalken van de aanlegplaats in de groene zee, Oterholmen werd zichtbaar en verdween weer. Geen boot te zien. Geen vogel. Ze draaide zich om en keek naar de huizen, een ervan nu met twee gele ogen, toen liep ze voor de tweede keer de heuvel op, dus waren er nu in elk geval drie sporen in de sneeuw.

2

Het begon een beetje warmer te worden in de keuken.
Het begon een beetje warmer te worden in de keuken. Ingrid trok haar handschoenen uit en deed haar muts af, maalde koffie en zette een ketel water op het vuur, bracht de boodschappen naar de voorraadkamer, haalde nog wat turf, en toen was de koffie klaar. Ze deed nu ook haar jas uit en dronk koffie terwijl ze op haar stoel bij het klapraam zat, ze keek naar de schimmen in het westen, Moltholmen, Skogsholmen, Lundeskjærene en de sluimerende horizon daar ergens ver weg in deze dag die maar geen dag wilde worden. Ze had nog steeds niet gegeten. Ze keek om zich heen en vroeg zich af waar ze moest beginnen, onder het fornuis of onder de tafel, in het hoekje bij de voorraadkamer?

Ze stond op, trok de turfkist naar zich toe en scheurde de kranten die daarin lagen in repen, verfrommelde het papier tot propjes en stapelde die op de vloer op elkaar, als een sneeuwlantaarn. Ze rolden weg. Ze stapelde ze weer op, een krant waarop ze geabonneerd was geweest toen Barrøy nog een gemeenschap was, met mensen en dieren en een vuurbaken, met stormen en standvastigheid, met werk, zomer en winter en rijkdom, ze stutte de propjes met stokjes en brokken turf om zo een brandstapel te maken, een gedachte die nog nooit eerder bij iemand was opgekomen, een huis op een eiland in brand steken: aan de oostkant van Barrøy waren een paar ruïnes, maar die vertoonden geen brand­ sporen, en plotseling twijfelde ze er niet meer aan dat de mensen die Karvika hadden verlaten dat vrijwillig hadden gedaan, niet vanwege een ramp; ze hadden er gewoon genoeg van gehad, hadden in de spiegel gekeken, hun koffers gepakt en waren vertrokken, dat was een ondraaglijke gedachte.

Ze pakte een lamp en liep de trap op, naar de Noordkamer en daarna naar de Zuidkamer, ze nam een kijkje in Barbro’s kamertje op het oosten en in haar eigen kinderkamer met het uitschuifbed en de po en het nachtkastje en de verschoten tekeningen uit haar schooltijd, de kamer waar ze niet meer geweest was sinds ze hier in september aardappelen had gerooid: het huis was kleiner geworden, de deuren lager, de ramen smaller. De geur van mensen die als verf op deze muren had gezeten, was vervangen door de lucht van zware, natte aarde; ze trok haar vingertop door de condensdruppels en ging op het bed van haar ouders zitten, waarin haar moeder was gestorven.

‘Laat Lars Barrøy overnemen,’ was het laatste wat haar moeder had gezegd. ‘En ga hier weg, je bent jong en slim, keer de zee je rug toe, leer van mij…’

Ingrid weigerde.

‘Je bent niet sterk genoeg.’

‘Jawel hoor,’ zei Ingrid tegen haar stervende moeder.

De lente erop kwam Lars niet terug van de Lofoten, hij had daar de liefde gevonden, schreef hij.
De lente erop kwam Lars niet terug van de Lofoten, hij had daar de liefde gevonden, schreef hij, en hij bleef er met zijn boot en vistuig en bemanning, jaar na jaar, ook na het uitbreken van de oorlog. En Ingrid en Barbro werden steeds eenzamer, bij elke zon die opkwam en elke storm die ging liggen, bij elk dier dat ze slachtten en elke zak eiderdons die ze oogstten en niet verkochten, een jonge en een oudere vrouw op een eiland, die wachtten op brieven van Lars, regelmatige epistels in een keurig handschrift, op een dag ook versierd met wat groene krabbels, de handtekening van Lars’ driejarige zoon Hans, de langste drie jaren in Ingrids leven. Nu duurde de oorlog al vier jaar, en Hans had een broer gekregen, Martin; met hem verschenen er meer krabbels, aan een tante en een grootmoeder die niet terugschreven, omdat de een te trots was en de ander dat niet kon.

.

Ingrid liep naar de Noordkamer en besloot dat ze daar zou gaan slapen, omdat er een luikje in de vloer was waardoor de warmte uit de keuken kon opstijgen. Ze schudde de dekbedden op, verschoonde het bed, liep weer naar beneden en dronk haar lauwe koffie op terwijl ze de brief van Barbro nog een keer las, hem verfrommelde en op het hoopje papier op de vloer legde.

Maar ze stak het papier niet aan.

Ze liep naar de woonkamer om nog wat turf in de kachel te leggen en zag dat de deur naar het kamertje van haar grootvader op een kier stond. Ze legde haar hand op de klink en wilde de deur dichttrekken, maar dat had ze daarnet ook al gedaan, ze had deze deur al dichtgetrokken, en nu stond hij weer open, maar het was stil, het tochtte niet in huis.

Ze hoorde iets kraken, en daarna een ver, aanhoudend gerommel in de buik van de wereld, ze deinsde achteruit, de keuken in en bleef daar als vastgenageld staan, te lang, toen liep ze terug en rukte de deur open, woedend op zichzelf omdat ze dat niet meteen had gedaan, want als er iemand was geweest, had die nu kunnen verdwijnen.

Maar ze rook niets, hoorde geen sloffende voetstappen, mompelende stemmen of het geluid van een kat, alleen een vaag suizen, buiten en binnen. Ze haakte de lamp van de wand van de woonkamer, liep haar grootvaders kamertje binnen en constateerde dat er niemand was, niet in het bed of eronder, niet in de hoekkast of in de kist, die ze openmaakte en weer dichtdeed. Ze ging op het deksel zitten terwijl de aanhoudende stilte zo hard in haar oren siste dat ze wel moest schreeuwen.

Daarna was de stilte totaal.
Daarna was de stilte totaal.

Ze trok haar jas aan en liep naar buiten, de vallende sneeuw in, bleef staan en bekeek de huizen, de hooischuur en de kades en het boothuis bij de zee, in het plotselinge, verbaasde besef dat alles wat haar op dit eiland had vastgehouden, in wezen helemaal niets voorstelde. Binnenkort zou de sneeuw in regen veranderen, het eiland zou bruin als schurft worden en de zee grauw, als de wind niet draaide.

Ingrid liep naar het zuiden, door de beemden, vermeed de hekjes en klom over de stapelmuurtjes, zoals ze als kind ook altijd gedaan had. Maar ze was geen kind meer. Ze liep door naar de zuidpunt van het eiland en keek naar de restanten van het vuurbaken dat Barbro en zij met het laatste restje van haar vaders dynamiet hadden opgeblazen toen de oorlog uitbrak, gebroken glas in heldere, schreeuwende kleuren, plukken zeewier die als zwart haar rond roestige, verwrongen ijzeren balken lagen, de olietank leek op een verbrande roos. Ze ging op de boomstam zitten die ooit was aangespoeld en die ze hadden vastgezet met pennen en kabels zodat de zee hem niet weer kon opeisen, die enorme, beenderwitte reus die volgens hen ooit veel waard zou zijn, misschien zelfs wel een vermogen, nu deed hij al dertig jaar dienst als bank voor mensen die nooit gingen zitten.

En zij was geen kind meer.

Ze bleef zitten tot ze het koud kreeg, liep toen via de rotsen aan de westkant van het eiland naar het noorden; nergens waren sporen te zien en het enige geluid dat ze hoorde was het eenzame jammeren van de zee. Ze liep langs de klip bij de nieuwe kade en de drie grote schuren, dat was minstens één gebouw te veel; ze besefte dat ze nu nog steeds in de fabriek zou hebben gestaan om graten uit dode kabeljauwen te rukken terwijl haar gedachten alle kanten opvlogen als ze Nelly vanochtend wakker had gemaakt en ze haar stem had gehoord en haar glimlach had gezien.

.

Ingrid stond in het nieuwe pakhuis.
Ingrid stond in het nieuwe pakhuis en wikkelde haar natte haar tot een knotje dat ze vervolgens weer uit elkaar liet vallen, ze herhaalde die bewegingen en vroeg zich af waarom ze nog steeds geen honger had. Ze ontdekte een gat in de mouw van haar wollen trui en wist niet hoe ze daaraan kwam. In een langwerpige doos op de werkbank lagen spanen, gesorteerd op grootte. Ze pakte de grootste eruit en bleef ernaar staan kijken, zag de tandafdrukken van Lars, die als kind overal in had gebeten. Er zat nog steeds geronnen vissenbloed rond haar nagelriemen. Het gat in haar trui kwam door een spijker op de trap, waaraan ze was blijven haken toen ze vanochtend met haar koffer naar beneden liep. Op de plank boven de werkbank lagen diverse soorten haspels met draad, messen, wetstenen, haken, kurken… En boetnaalden, Barbro’s boetnaalden.

Ingrid trok het krukje tevoorschijn en ging voor de ijzeren haak onder het raam zitten, wond garen op de naald en begon netten te breien. Een uur later had ze het begin van een net van zes meter breed, met 45 mazen. Haar handen waren soepel en secuur in de koele lucht. Ze had nu honger als een paard, liep het nachtduister in, terug naar het huis, ze had zich vergist in het weer; de nattigheid was in sneeuw veranderd, licht en droog als roet, en ze was niet meer bang

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief