leesfragment

‘Wolfzomer’ van Hans Rosenfeldt

0

Wolfzomer speelt zich af in Haparanda, in het noorden van Zweden, vlak bij de grens met Finland. Er wordt een dode wolf in de bossen gevonden, en in de maag van het beest ontdekt de politie de resten van een mens. Al snel wordt duidelijk dat deze man betrokken was bij een mislukte drugsdeal in Finland, en vanaf dat moment weet politieagente Hannah Wester dat haar normaal zo rustige zomer volledig op zijn kop zal staan.

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken van deze thriller van Hans Rosenfeldt, de bedenker van o.a. The Bridge, Marcella en De Bergmankronieken.

Ze lag op haar zij, omgeven door mos en struikgewas.

De muggen zoemden om haar heen, ze haalde ingespannen adem, de bewusteloosheid was maar een paar ademhalingen verwijderd. Haar ene oog keek naar de hemel, naar de lichte wolken met de stralende roze en oranje randen.

Het was de warme periode waarin het altijd licht was.

Ze rook de stank van de infectie al meerdere dagen, maar daaraan zou ze niet doodgaan. Dat zou ook niet gebeuren door de honger. Ze was verzadigd. Voor het eerst in lange tijd.

De wond was niet genezen, hoe ze ook had geprobeerd hem schoon te maken. De pijn en de warmte hadden zich van haar poot naar boven verspreid. De roedel had zich een tijdlang aan haar tempo aangepast. Drie van haar jongen waren met de anderen meegegaan, maar de kleinste was bij haar gebleven. Hij was ten dode opgeschreven.

Ze kon niet meer jagen en hij had het nog niet geleerd.

De jonge elanden, die een eenvoudige prooi waren in de periode waarin het altijd licht was, waren uitgesloten. Zelfs de kleine prooien ontsnapten aan haar. Het was te vroeg voor de bessen die in geval van nood de ergste honger konden stillen. Gisteren had ze wat deels verstopt vlees gevonden, met een stank waardoor ze instinctief wilde vluchten, maar dat ervoor zorgde dat ze verder konden trekken. Naar het rotsplateau bij de bosrand, waar ze meer vonden. Veel meer. Grote stukken, meer dan ze op konden.

Daarna was ze verder gehinkt met haar jongste, tot zijn tempo afnam. Hij begon te janken, zette onvaste stappen opzij en was uiteindelijk niet meer in staat om op te staan.

Ze was bij hem gebleven tot ze zeker wist dat hij dood was, daar[1]na was ze doorgelopen. Dat was niet ver. De krampen en het trillen maakten dat onmogelijk. Ze viel op het mos en bleef op haar zij liggen.

In de warmte. In het licht. De periode waarin het altijd licht was.

Proloog

Alles was volgens plan verlopen.

In eerste instantie volgens het oorspronkelijke plan. Als eerste ter plaatse zijn, de Jeep en de zwarte Mercedes naast elkaar parkeren op de kapotgereden open plek midden in het bos die de houtvrachtwagens en kapmachines als ophaal- en keerplaats gebruikten, de motorkappen in de richting van de smalle bosweg waarover ze waren gearriveerd, de ramen naar beneden gedraaid. Het nachtelijke vogelgezang was het enige geluid dat de absolute stilte verbrak voordat het motorgeluid de komst van de Finnen aankondigde.

Een Volvo XC90, eveneens zwart, verscheen. Vadim zag dat Artjom en Michail hun wapens pakten en uit de Mercedes stapten terwijl Ljuba en hij tegelijkertijd uit de Jeep kwamen. Hij mocht Ljuba graag en vermoedde dat zij hem ook mocht. Ze hadden een paar keer samen een biertje gedronken en toen haar was gevraagd met wie ze wilde meerijden, had ze hem gekozen. Heel even overwoog hij om tegen haar te zeggen dat ze in de auto moest wachten, zodat ze beschermd was, omdat hij het gevoel had dat het verkeerd kon aflopen. Maar als hij dat deed, wat zou de volgende stap dan zijn?

Samen verdwijnen? Een lang en gelukkig leven leiden?

Dat was onmogelijk als ze eenmaal had begrepen wat er was gebeurd.
Dat was onmogelijk als ze eenmaal had begrepen wat er was gebeurd. Ze zou nooit tegen Zagornij ingaan. Zoveel gaf ze niet om hem, daarvan was hij overtuigd, dus zei hij niets.

De Volvo stopte een paar meter voor hen en de vier Finnen stapten uit. Ze waren allemaal bewapend en keken wantrouwig om zich heen terwijl ze zich verspreidden.

Iedereen zweeg.

De stilte voor de storm.

De leider van de groep, een forse man met gemillimeterd haar en een tribal tattoo rond zijn oog knikte naar de kleinste en magerste van de vier, die zijn pistool in de holster stopte, naar de achterkant van de Volvo liep en de kofferbak opende. Vadim zette een paar stappen naar achteren, naar de bagageruimte van de Jeep.

Tot zover het gezamenlijke plan.

Daarna volgde dat van hem.

De kogel van het geweer met geluiddemper drong binnen onder het oog van de forse Fin die het dichtst bij de auto stond. De plotselinge explosie van botten, bloed en hersenen toen het projectiel seconden later uit het achterhoofd vloog, zorgde ervoor dat de anderen instinctief handelden.

Ze begonnen allemaal tegelijkertijd te schieten.

Allemaal, behalve Vadim, die achter de Jeep dook.

De man met de tatoeage in het gezicht brulde en velde Michail met vier of vijf dodelijke schoten in de borstkas. Artjom beantwoordde het vuur. De getatoeëerde man werd geraakt door twee kogels, wankelde naar achteren, maar kreeg zijn evenwicht terug en richtte zijn wapen op Artjom, die niet snel genoeg achter de Mercedes verdween. Meerdere kogels sloegen vanaf zijn heup naar beneden in zijn been. Schreeuwend van de pijn viel hij op het droge grind. Bloedend, brullend en schietend liep de getatoeëerde man naar de Volvo toe, vastbesloten om levend te ontsnappen. Seconden later viel hij rochelend op zijn knieën en duwde hij zijn handen tegen datgene wat er over was van zijn keel.

Er werden meer schoten gelost, er klonken meer kreten.
Er werden meer schoten gelost, er klonken meer kreten.

Artjom ging moeizaam zitten en probeerde onhandig het bloed te stelpen dat in hetzelfde ritme als zijn verhoogde hartslag uit zijn dijbeen pompte. Daarna klonk opnieuw een serie schoten. Hij verstijfde, de blik in zijn ogen veranderde van wanhopig in leeg en zijn lippen vormden een paar geluidloze woorden, waarna zijn hoofd naar voren op zijn borstkas zakte.

De derde Fin had bescherming in een ondiepe greppel gezocht. Daarvandaan kon hij onder de geparkeerde auto’s door kijken, en een geconcentreerd salvo van zijn automatische karabijn raakte Artjom in zijn onderrug. Vadim besefte dat hij eveneens volledig zichtbaar moest zijn en haastte zich rond de Jeep om achter een van de grote wielen te schuilen. Naast de auto lag de kleinste van de vier Finnen dood op de grond.

Hij zag Ljuba nergens.

Vanuit de greppel bij de bosrand klonk een serie schoten en kogels sloegen in het metaal achter het wiel, waarna de band leegliep. Eén kogel schoot door het rubber en raakte hem aan de zijkant, precies boven zijn bil. De pijn schoot als een bliksemschicht door zijn lichaam. Hij verbeet een schreeuw, leunde met zijn voorhoofd tegen zijn opgetrokken knieën en maakte zich zo klein mogelijk. Terwijl hij zijn adem langzaam liet ontsnappen, besefte hij dat het vuren was gestopt.

Het was stil. Doodstil.

Geen bewegingen, geen stemmen, geen geschreeuw van pijn of verraad, geen vogelgezang, niets. Het was alsof de plek de adem inhield.

Hij keek voorzichtig achter de Jeep vandaan.

Nog steeds stil. Nog steeds geen beweging.

Heel langzaam stak hij zijn hoofd boven de Jeep uit om een beter overzicht te hebben. De zon bevond zich onder de boom[1]kruinen, boven de horizon, en verlichtte het tafereel met het zachte licht dat alleen de middernachtzon kon verspreiden.

Langzaam stond hij op. De kogel leek geen belangrijke organen beschadigd te hebben. Hij duwde zijn hand tegen de wond. Die bloedde, maar niet zo ernstig dat hij hem niet kon verbinden.

‘Ljuba?!’

Ze leunde tegen de achterbumper van de auto van de Finnen en haalde oppervlakkig en hortend adem. De voorkant van het grijze t-shirt onder haar jack was doordrenkt met bloed, ze had het pistool nog steeds in haar rechterhand. Vadim bekeek de wonden. Het bloed stroomde er gelijkmatig uit, geen beschadigde slagaders dus. En geen luchtbellen, dus haar longen waren niet beschadigd. Ze zou het waarschijnlijk overleven.

‘Wie heeft er geschoten?’
‘Wie heeft er geschoten?’ vroeg ze buiten adem terwijl ze Vadims jack met een bebloede hand vastpakte. ‘Wie begon er verdomme met schieten?’

‘Een van ons.’

‘Wat? Hoezo een van ons? Wie?’

‘Ga mee.’

Hij nam het pistool voorzichtig van haar over en stopte het in zijn zak, waarna hij haar overeind hielp. Ze vertrok haar gezicht van de pijn en de inspanning, maar het lukte haar om te gaan staan. Met een stevige greep rond haar middel en haar arm rond zijn schouders liep Vadim naar het open gedeelte tussen de geparkeerde auto’s. Bij de plek waar de getatoeëerde Fin op de grond lag, bleef hij staan, haalde Ljuba’s arm voorzichtig weg, liet haar los en zette twee grote stappen opzij. ‘Het spijt me…’

Ljuba keek in eerste instantie vol onbegrip naar hem, maar vlak voordat de kogel van het geweer met geluiddemper haar slaap raakte en ze op de grond viel, besefte ze wat hij had gedaan, waarbij hij haar had betrokken.

Vadim duwde zijn hand tegen de wond in zijn onderrug, ging rechtop staan en ademde in een diepe zucht uit.

Alles was volgens plan verlopen.

1

De stad wordt wakker.

Zoals ze altijd doet en altijd heeft gedaan.

De vrede van Fredrikshamn werd in 1809 gesloten. Met een eenvoudige handtekening verloor Zweden een derde van zijn oppervlakte en een vierde van zijn bevolking. Het keizerrijk Rusland kreeg Finland en daarmee Torneå, het tot dat moment grootste handelscentrum van de regio. De nieuwe grens werd midden in de rivier getrokken en Zweden had plotseling geen stad in het gebied meer. Het land had er wel een nodig, daarover was iedereen het eens, maar waar moest die komen? Er waren veel voorstellen, de discussies duurden lang. Terwijl men probeerde overeenstemming te bereiken, wachtte ze geduldig, veranderde van een dorp met een paar boerderijen in een handelsstadje en kreeg uiteindelijk stadsrechten. Dat gebeurde in 1842, het jaar voor haar geboorte.

Haparanda, naar haaparanta, het Finse woord voor ‘strand met elzen’.
Haparanda, naar haaparanta, het Finse woord voor ‘strand met elzen’.

Er volgden goede jaren waarin ze groeide als kool. Ze gedijde het best als anderen het moeilijk hadden. Het had zijn voordelen om een neutrale stad bij een grens in een wereld in oorlog te zijn. Gedurende sommige perioden was ze de enige poort naar Rusland die geopend was. Het oog van een naald tussen Oost en West.

Goederen, brieven, materiaal en mensen passeerden de poort.

Legaal, illegaal, levend, waardevol, gevaarlijk.

Het verkeer van de hele wereld ging via haar, ongeacht waar het om ging. Ze bloeide. Floreerde.

Tegenwoordig is ze een beetje vermoeid. Ze doet het rustiger aan en krimpt langzaam. Ze bevindt zich absoluut niet in een vrije val, maar elk jaar zijn er meer gestorven en vertrokken burgers dan geboren en binnengekomen mensen.

Ze kent haar inwoners. Deelt hun leven, ziet en weet. Ze heeft haar herinneringen en verwachtingen, heeft ze allemaal nodig. Ze is een stad en is er zolang mensen ervoor kiezen om in haar te wonen. Net als een god die ophoudt te bestaan op het moment dat niemand meer in hem gelooft.

Dus verwelkomt ze de nieuwen en rouwt ze om degenen die verdwijnen terwijl ze stil en geduldig aan de eeuwig stromende rivier ligt.

2

Er waren voldoende parkeerplaatsen om uit te kiezen, dus zette Hannah de auto op een van de vrije plaatsen vlak bij sportwinkel Stadium, stapte uit en keek om zich heen terwijl ze haar overhemd in haar uniformbroek stopte. Toen ze het politiebureau verliet, had ze een opvlieger gekregen en hoewel die maar een minuut had geduurd, voelde ze dat haar gezicht rood was en liep het zweet nog steeds over haar rug.

Het weer hielp niet bepaald mee.

Het was de dertiende achtereenvolgende dag met een stralende zon en een temperatuur boven de twintig graden, ongewoon hoog voor juni, waardoor het rustiger dan anders was in het winkelcentrum langs de e4, waar een stuk of tien winkels naast elkaar hoopten dat de aantrekkingskracht van IKEA ook een beetje op hen zou overslaan. Vandaag was die nihil, stelde Hannah vast terwijl ze zonder nadenken over haar schouder naar de auto keek en de paar passen naar de ingang van de sportwinkel liep.

In de winkel was het koeler dan buiten. Een paar klanten liepen tussen de ronde metalen rekken met borden die vertelden dat de artikelen die eraan hingen nu veertig tot zeventig procent goedkoper waren. Hannah hief haar hand bij wijze van begroeting naar de vrouw achter de kassa. Ze kende haar niet, maar wist wie ze was. Tarja Burell was getrouwd met Harald, de jongere broer van Carin, de receptioniste. Tarja beantwoordde de begroeting en knikte naar de winkel. Hannah zag meteen voor wie ze hier was.

Ze herkende de jonge man.
Ze herkende de jonge man. Het was Jonathan, die Jonte werd genoemd. Ze kon zich zijn achternaam niet herinneren, wat betekende dat hij niet heel vaak in het cellenblok zat. Ze liep langs de stapels schoenendozen tegen de muur, waarvan de inhoud uitgestald was. De jonge man deed een paar wankele stappen naar twee dertigers, die hun best deden aan hem te ontsnappen terwijl ze hem tegelijkertijd de voldoening niet wilden geven om weggejaagd te worden en daarom probeerden te doen alsof hij niet bestond.

‘Mag ik even met je praten?’

Jonte draaide zich naar Hannah om. Als het spierwitte gezicht en de schokkerige bewegingen haar niet al duidelijk maakten dat ze te maken had met een man die aan hevige ontwenningsverschijnselen leed, dan lieten de verwijde pupillen daar niet veel twijfel over bestaan. Heroïne waarschijnlijk. Of Subutex. De beschikbaarheid van dat middel en daarmee de verslaving waren de afgelopen jaren flink toegenomen.

‘Waarom?’ vroeg de jonge man beledigd, waarna hij zijn neus ophaalde.

‘Ik wil gewoon even met je praten. Ga mee naar buiten.’

‘Ik heb niets gedaan.’

‘Daar kunnen we over praten. Buiten.’ Ze legde een hand op zijn schouder en hij ontweek haar zo abrupt dat hij zijn evenwicht bijna verloor en een stap naar achteren moest doen om niet te vallen.

‘Blijf verdomme van me af. Ik vraag alleen om geld,’ zei hij met een relativerend schouderophalen. ‘Ik bedel. Dat is niet… dat is niet verboden.’

‘Oké, maar wat doe je als je niets krijgt?’

‘Hoezo? Wat bedoel je?’

Hannah zag dat hij zijn best deed om een verbaasde uitdrukking in zijn rondzwervende blik te leggen.

‘Je dreigt ze in elkaar te slaan.’

‘Ja, maar… dat heb ik niet gedaan…’

‘Nee, maar je mag geen mensen bedreigen, dus ga je mee.’

Ze legde haar hand weer losjes op zijn schouder en de reactie was dezelfde als de vorige keer, een heftige beweging naar achteren die als een totale verrassing voor de rest van zijn lichaam leek te komen.

‘Haal je vette vingers van me af.’

‘Natuurlijk,’ zei Hannah en ze liet zijn schouder los. ‘Ga je dan mee naar buiten?’

‘Ja, maar raak me niet aan.’
‘Ja, maar raak me niet aan.’

Hannah deed een stap opzij en gaf met een armgebaar aan dat hij voor haar uit moest lopen. Hij liep op onvaste benen langzaam naar de uitgang. Toen ze langs een bak met merkonderbroeken kwamen, schoot zijn hand uit en pakte hij een paar pakjes, die hij onhandig onder zijn dunne jack probeerde te schuiven.

‘Meen je dit nou?’ vroeg Hannah vermoeid. ‘Denk je dat ik mijn blindengeleidehond buiten heb gelaten?’

‘Hoezo?’ vroeg Jonte, die deed alsof hij er niets van begreep. Hannah liep zuchtend naar hem toe, pakte de onderbroeken en gooide ze in de bak terug. Een venijnige por in zijn rug maakte duidelijk dat het genoeg was. Hij leek het te begrijpen en liep zonder verdere protesten naar de uitgang.

Toen ze in het felle zonlicht kwamen, bleef hij staan en hield een hand boven zijn lichtgevoelige ogen om ze te beschermen. Een nieuw duwtje stuurde hem in de richting van de geparkeerde politieauto. Halverwege bleef hij staan, hield een hand tegen zijn maag en boog een stukje naar voren. Grote zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd. ‘Ik voel me niet goed.’

‘Dat komt omdat je zoveel rotzooi binnenkrijgt.’

Jonte gaf geen antwoord, maar Hannah dacht een knikje te zien voordat hij verder liep.

Ze liet hem op de achterbank plaatsnemen en reed weg. Haar blik viel op haar handen op het stuur. Weliswaar zat haar trouwring een beetje strakker dan toen hij rond haar vinger was geschoven en er was geen enkele kans dat ze in haar trouwjurk zou passen, als ze dat zou willen, maar haar vingers waren niet dik. Ze was niet dik. Haar buik was het afgelopen jaar wat ronder geworden, maar een paar weken geleden had ze een calculator op internet gevonden waarop je je lengte en gewicht kon invoeren om je BMI uit te rekenen. Dat van haar was 27. Ze overwoog om de man op de achterbank te vertellen hoe grappig het was dat haar BMI net zo hoog was als zijn IQ. Een kijkje in de achteruitkijkspiegel maakte haar duidelijk dat het verspilde moeite zou zijn. Het hoofd van haar passagier hing op zijn borstkas alsof hij in slaap was gevallen.

De rit ging in stilte verder. Al snel reden ze over de e4 in de richting van het stadscentrum, dat vrijwel verlaten was. De klanten van het grote meubelbedrijf kwamen zelden in het zieltogende centrum aan de andere kant van de Europese snelweg, die in bepaalde opzichten net zo’n scheidslijn was als de grens met Finland, die een paar honderd meter verderop lag.

Ze sloeg links af bij het rode gebouw van twee verdiepingen waarin de redactie van Haparandabladet was gevestigd, de plaatselijke krant die tegenwoordig nog maar twee keer per week uitkwam, en sloeg vervolgens af voor het tamelijk anonieme, langwerpige, gele bakstenen gebouw van drie verdiepingen dat de politie met onder meer de belastingdienst en de sociale verzekeringsinstantie deelde.

Plotseling bleef hij staan.
In de garage parkeerde ze op een van de twee vrije plekken, ze stapte uit, boog zich via het achterportier naar binnen en schudde leven in de man die op de bank zat. Met enige moeite stapte hij uit de auto en zonder dat ze hem de weg hoefde te wijzen, begon hij naar de deur van het cellenblok te lopen. Plotseling bleef hij staan, steunde met een hand op de motorkap en kreunde. Hannah stond precies op tijd naast hem om zijn lege blik te zien toen hij zich naar haar omdraaide. Zonder waarschuwing raakte een golf braaksel haar onder haar kin. Ze voelde de warmte door de stof terwijl de vloeistof over de voorkant van haar overhemd liep. De stank kwam haar meteen tegemoet.

‘Verdomme!’

Het lukte haar om een stap opzij te zetten, zodat de volgende golf braaksel op de grond naast haar terechtkwam en ze alleen spatten op haar schoenen en het onderste deel van haar broek kreeg.

De jonge man ging met een opgeluchte glimlach rechtop staan en haalde diep adem. Hannah probeerde kort en vluchtig door haar mond in te ademen terwijl ze de deur van het cellenblok openduwde. In de kleine ruimte werden degenen die door de politie waren opgepakt ingeschreven, waarna ze in een van de vier cellen belandden, die op dit moment allemaal leegstonden. De vrouw die vorige week was opgepakt voor drugsbezit, was in hechtenis genomen en overgeplaatst naar Luleå. Afgelopen weekend hadden ze iemand gehad die onder invloed van drugs achter het stuur had gezeten, hadden ze twee bekeuringen uitgeschreven – een voor een foutief geparkeerde auto, een voor een aanhangwagen met een rijverbod – en op zondagochtend hadden ze het ambulancepersoneel geassisteerd bij een dronken vrouw die haar pols had gebroken toen ze een rendier aanreed dat gewond in de berm lag. Dat waren geen overtredingen om een cellenblok mee te vullen.

Morgan Berg naderde in de gang met een kop koffie in zijn hand, bleef staan en deed een stap naar achteren toen hij zag wat hem tegemoetkwam.

‘Schrijf hem in,’ zei Hannah en ze duwde Jonte naar de aan de muur bevestigde bank tegenover het kleine registratiehok. Zonder op antwoord of een tegenwerping te wachten draaide ze zich om, ze haalde haar pas tevoorschijn en opende de deur achter zich. Ze kwam in een korte gang met blauwe metalen kasten langs een muur, een paar stoelen, en buizen en leidingen langs het plafond. De eerste indruk van een bezoeker was een ondergrondse tunnel, maar het was de herenkleedruimte, waar je doorheen moest lopen om bij die voor de dames te komen.

Hannah liep naar haar kastje en begon zich uit te kleden.
Hannah liep naar haar kastje en begon zich uit te kleden. Ze wist niet of het alleen de stank was of dat ze ook een beetje braaksel in haar mond had gekregen. Ze deed haar uiterste best om niet misselijk te worden. Ze had altijd moeite met overgeven gehad: toen de kinderen klein waren, was Thomas degene geweest die de troep opruimde als ze hadden gebraakt. Vol walging knoopte ze haar overhemd open, trok het uit en gooide het op de vloer. Ze bukte zich, trok haar schoenen en sokken uit, en stond in haar beha en uniformbroek toen haar telefoon overging. Ze was in de verleiding om niet op te nemen, maar keek toch op het scherm.

Het gesprek was afkomstig uit Uppsala.

De stad waar Gabriel studeerde.

Het was zijn nummer niet, maar het kon een vriend zijn, misschien was hij zijn telefoon kwijtgeraakt, er kon iets gebeurd zijn. Ze nam op met een kort ‘met Hannah’.

‘Eh, ja… hallo. Is dit Hannah… Wester?’ hoorde ze iemand zeggen die duidelijk op zijn papieren naar haar achternaam zocht voordat hij die noemde.

‘Ja, met wie spreek ik?’

‘Ik ben Benny Svensén van de SVA.’ Hij zweeg even, alsof hij overwoog om uit te leggen dat de SVA de nationale veterinaire dienst was, maar besloot blijkbaar om dat niet te doen. ‘Ik wil met je praten over die wolven, want jij bent toch degene die onderzoek naar die zaak doet?’

Dat klopte vermoedelijk.

Ze was leider van het vooronderzoek in een zaak met betrekking tot een jachtdelict tegen wolven. Een Duitse wandelaar had woensdag gebeld om geschokt in slecht Engels te vertellen dat hij een dode wolf had gevonden. Nadat ze een tijdje langs elkaar heen hadden gepraat, was het uiteindelijk gelukt om een locatie te krijgen. Toen ze daar arriveerden, bleek het niet om één, maar om twee dode wolven te gaan: een teef en een jong. Ze hadden geen zichtbare verwondingen, maar het leek onwaarschijnlijk dat beide wolven een paar kilometer bij elkaar vandaan op een natuurlijke manier waren overleden. Hoe dan ook, ze volgden het protocol en stuurden de lichamen naar de SVA. Benny Svensén had blijkbaar de opdracht gekregen contact met Haparanda op te nemen.

‘Inderdaad,’ bevestigde Hannah, die de impuls om te spugen onderdrukte. ‘Als het tenminste om de teef en de welp gaat die woensdag in de buurt van Kattilasaari gevonden zijn.’

‘Ja, dat zijn ze, we hebben op dit moment niet meer wolven.’

‘Dat kon ik niet weten, of wel soms?’

‘Nee, natuurlijk niet, maar…’

Ze had spijt dat ze had opgenomen.
‘Laat maar, waarom bel je?’ Ze had spijt dat ze had opgenomen, wilde niets liever dan zich zo snel mogelijk verder uitkleden en douchen. Ze dacht bovendien dat ze wist wat hij te vertellen had. De wolven waren vergiftigd. Het ging om een jachtmisdrijf, een zaak die hoogstwaarschijnlijk gesloten zou worden zodra ze de officier van justitie in Luleå erbij zouden betrekken. Dit waren arbeidsintensieve onderzoeken met een lage prioriteit en een miniem oplossingspercentage. Wolven waren zeldzame bezoekers in het gebied. Voor zover zij wist, was dit geen vast territorium van ze, maar het kwam voor dat ze uit andere delen van Zweden, Rusland, Finland of Noorwegen hiernaartoe kwamen. Als ze werden ontdekt, duurde het echter niet lang voordat ze ‘verdwenen’.

‘De doodsoorzaak was vergiftiging,’ zei Benny inderdaad.

Ze zag voor zich hoe hij uit het autopsieverslag voorlas. ‘Mooi, dan weet ik dat,’ zei ze terwijl ze haar broek openknoopte en uittrok. ‘Het komt op dit moment niet zo goed uit, dus het zou prettig zijn als je het autopsieverslag gewoon opstuurt. Bedankt alvast.’ Ze dacht dat het overduidelijk was dat ze het telefoongesprek graag wilde beëindigen, maar Benny Svensén had blijkbaar niets in de gaten. ‘Er is nog iets.’

‘Wat dan?’ snauwde ze, niet in staat om haar ongeduld nog langer te verbergen. Toen ze hoorde wat hij te vertellen had, vergat ze heel even dat ze halfnaakt en onder het braaksel in de kleedruimte stond. Ze was er niet zeker van dat ze het goed gehoord had.

Ze kon het onmogelijk goed gehoord hebben.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief