leesfragment

Zomerleesfragment. ‘De geheime vrouw’ van Gill Paul

Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van leesfragmenten. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag geniet je van de proloog van De geheime vrouw van Gill Paul.

Proloog

Lake Akanabee, New York State, 19 juli 2016

Het was negenentwintig uur geleden dat Kitty Fisher haar man had verlaten en in die tijd had ze 5.975 kilometer afgelegd. Volgens het vliegtuigmagazine bedroeg de afstand tussen Londen en New York 5.570 kilometer en volgens het navigatiesysteem van haar auto had ze 405 kilometer afgelegd sinds ze bij de luchthaven was weggereden. Er lagen een oceaan en een halve staat tussen haar en Tom. Ze zou ontdaan moeten zijn, maar voelde zich verdoofd.

In Engeland was het nu zondagmiddag halfvijf en ze vroeg zich af wat Tom aan het doen was, maar trok een grimas toen ze zich voorstelde hoe hij in zijn joggingbroek en T‑shirt door het huis liep te scharrelen. Hij had ongetwijfeld al haar beste vrienden gebeld en in alle onschuld gevraagd of ze wisten waar ze was. Hoe lang zou het duren voor hij erachter was dat ze naar Amerika was gevlogen, op zoek naar de blokhut aan het meer die ze van haar overgrootvader had geërfd?

Hij mocht een tijdje in zijn sop gaarkoken. Zijn verdiende loon voor zijn ontrouw.
Ze had er wel voor gezorgd geen papieren achter te laten, dus hij had het adres niet. Hij mocht een tijdje in zijn sop gaarkoken. Zijn verdiende loon voor zijn ontrouw. Ze huiverde bij het woord en onwillekeurig schoot het beeld van de berichten op zijn telefoon door haar hoofd. Ze was nog steeds in shock. Niets voelde echt. Denk er niet aan, houd op met denken.

De vrouw van het navigatiesysteem was geruststellend zeker van haar zaak: ‘Over tweehonderd meter linksaf naar Big Brook Road.’ Het voelde prettig om te horen wat ze moest doen; dat had ze nodig nu de rest van haar leven instortte. Maar een paar minuten later leek de dame van de stem het mis te hebben. ‘U hebt uw bestemming bereikt,’ zei ze, maar Kitty zag slechts dikke bebossing aan weerskanten van de weg. Ze reed verder, maar de stem zei dringend: ‘Keer om.’

Ze keek op de kaart die met de eigendomspapieren van de blokhut was meegestuurd en besloot dat dit het moest zijn.
Kitty stapte uit de auto om te voet op verkenning te gaan, tuurde tussen de bomen door en ontdekte een pad, dat overwoekerd was met gras dat tot haar middel reikte en overhangende takken. Ze keek op de kaart die met de eigendomspapieren van de blokhut was meegestuurd en besloot dat dit het moest zijn. Er zouden krassen op de autolak komen als ze probeerde erheen te rijden, dus ging ze te voet verder en baande zich een weg door het struikgewas. Er klonk gezoem van insecten en er hing een sterke geur van groen, als gemaaid gras na een regenbui. Het duurde niet lang of ze zag de stalen glinstering van Lake Akanabee, met speldenprikjes van licht die op het oppervlak dansten. Toen ze bij de oever kwam, keek ze om zich heen en tuurde naar haar kaart. De blokhut zou precies daar moeten staan.

Toen zag ze een berg van zo’n drieënhalve meter hoog, gecamoufleerd door kruipplanten. Er had hier in geen dertig jaar iemand gewoond en Kitty had zich erop voorbereid dat de blokhut gereduceerd zou zijn tot een hoop rommel. Maar het was alsof het bos een cocon had gevormd om het tegen de elementen te beschermen. Onkruid wikkelde zich om de fundering, drong zich door kapotte ramen naar binnen en vormde een tapijt op het dak. De ingang was amper zichtbaar door een massa verstrengeld groen. Maar de ligging van de blokhut, op een glooiende helling op slechts enkele meters van de kiezelachtige oever, was adembenemend.

Maar de ligging van de blokhut, op een glooiende helling op slechts enkele meters van de kiezelachtige oever, was adembenemend.
Ze liep ernaartoe om beter te kunnen kijken. Een steiger die uitliep in het meer was al lang geleden ingestort; er restten slechts wat verloren palen. Er groeide een boompje dwars door de vier of vijf treden van de veranda van de blokhut, waardoor die kromgetrokken en gebarsten waren, en de wortels zaten als een slangennest verstrikt in het gebroken hout. Maar het roestige stalen dak leek waterdicht gebleven en had de muren eronder beschermd. Betonnen fundering, viel haar op.

Kitty klom voorzichtig op de veranda, waar roestige kettingen aan het plafond en wat kapotte planken op de grond erop wezen dat er ooit een schommelstoel had gehangen. Ze stelde zich voor dat haar overgrootvader daar naar het uitzicht zat te kijken, misschien met een biertje in zijn hand. Ze duwde het gebladerte opzij, kwam bij de deur van de blokhut en voelde dat die niet op slot zat. Binnen was het schemerig en muf, en er hing een geur van vochtige schimmel en oud hout. Stofdeeltjes dansten in de lichtstralen die door de gaten tussen de klimplanten door piepten. Toen haar ogen gewend waren, zag Kitty dat er één grote kamer was met een roestig fornuis, een oud ijzeren bed met een beschimmeld matras, een houten bureau en overal bergen rommel: vergeelde kranten, oude blikken eten en een paar versleten rubberen overschoenen.

Ze bedacht dat ze hier zelfs kon overnachten als ze de rommel eenmaal had opgeruimd en het oerwoud had weggesnoeid om de boel te laten luchten.
Ze liep behoedzaam door de kamer. Via een deuropening kwam ze bij een badkamer met een bad, een wastafel en een wc vol vlekken; op een plank lag een met spinrag bedekte scheerkwast. Tot haar verbijstering spoelde het toilet door toen ze aan de hendel trok, en na een laag, krakend geluid kwam er donker water uit de kraan. Ze nam aan dat ze verbonden waren met een waterbron op de heuvel erachter en dat er een ondergrondse septische tank was, maar het moest minstens dertig jaar geleden zijn dat die tank voor het laatst geleegd was.

Ze ging terug naar de zit-slaapkamer en liep rond om de staat van de muren en het plafond te inspecteren. Gelukkig was de vloer onder haar voeten stevig. Ze bedacht dat ze hier zelfs kon overnachten als ze de rommel eenmaal had opgeruimd en het oerwoud had weggesnoeid om de boel te laten luchten.

Op de veranda liet ze het uitzicht op zich inwerken. Er stonden een paar zilverberken tussen haar en het strand, waar kleine golfjes over kabbelden. Er waren geen sporen van menselijke bewoning te zien en er drongen ook geen verkeersgeluiden door; de tegenoverliggende oever, zo’n anderhalve kilometer verderop, was dichtbebost. Er was niets anders dan zij, de bomen en het meer, en het was heerlijk.

Kitty liep terug naar de auto om haar tassen te halen en sleepte ze mee over het pad, waarbij ze het gras achter zich plette. Ze at een broodje rundvlees met augurk uit de selectie die ze op de luchthaven had gekocht, dronk een blikje Seven- Up en trok een stel stevige handschoenen aan om de kruipplanten die haar blokhut verstikten eruit te rukken. Ze had al het gevoel dat hij van haar was, merkte ze. Ze begon er al verliefd op te worden.

Ze had al het gevoel dat hij van haar was, merkte ze. Ze begon er al verliefd op te worden.
Een van de planten was kleefkruid. Dat probeerden zij en haar schoolvriendinnen vroeger altijd op elkaars rug te plakken zonder betrapt te worden. Een andere kruiper verspreidde zijn sporen door de lucht, waardoor ze een kriebel achter in haar keel kreeg. Ze zorgde er wel voor dat er geen bladeren tegen haar huid aan kwamen, want ze wist dat er in Amerika gifsumak voorkwam, maar was er niet zeker van hoe het eruitzag. Een zwerm kleine zwarte vliegjes vloog op in de lucht en dreef weg op de bries. Ze werkte met grimmige vastberadenheid door, in de hoop dat ze, door haar spieren volledig uit te putten, de paniekerige gedachten die door haar brein raasden kon sussen. Niet aan Tom denken. Houd op met denken. Uit de macht der eenentwintigste-eeuwse gewoonte had ze haar mobieltje en haar laptop meegenomen, maar die stonden allebei uit. Ze kon er niet tegen om zijn smoesjes en zelfrechtvaardigingen aan te horen en wilde er gewoon helemaal niks van weten.

Toen ze de meeste begroeiing had weggesnoeid, zag ze dat de blokhut er door de verweerde houten latten uitzag als een organisch deel van het beboste landschap. Hoewel hij slechts één kamer telde, was hij wel groot, een meter of zes lang, met rondom ramen, en uit het schuine dak stak een kleine schoorsteen. Ze ging weer naar binnen en stopte puin in een paar stevige vuilniszakken die ze had meegebracht, waarbij ze even stilhield om wat vergeelde krantenkoppen te lezen: het ongeluk met de kerncentrale van Tsjernobyl in Rusland; de explosie van spaceshuttle de Challenger. De veren van het bed hadden het allang begeven, dus sleepte ze het naar buiten om het later te kunnen weggooien, en rolde de slaapzak die ze had meegenomen uit in een hoek.

Opeens zag ze iets glinsteren tussen de boomwortels onder het gehavende hout van de trap.
Tegen de tijd dat ze klaar was, zakte de zon steeds lager in het meer en piepten vogels luidkeels in hun laatste energieuitbarsting van de dag. Ze ging op de veranda zitten luisteren. Er floot een whippoorwill en het klonk net als een wolvenhuiltje. Schimmige vleermuizen fladderden langs en in de verte kwaakten kikkers.

Opeens zag ze iets glinsteren tussen de boomwortels onder het gehavende hout van de trap. Ze ging languit liggen, strekte haar arm uit om het te pakken en was meteen verrast door het gewicht van het voorwerp. Ze haalde het tevoorschijn en zag dat het een gouden ovaal was, amper tweeënhalve centimeter, bezet met kleine, gekleurde juwelen – blauw, roze en amber – tussen kronkelige gouden strengen, als bloemen aan een wijnrank. Het zag er duur uit. Aan de achterkant bespeurde ze een gekraste inscriptie, maar die was door de jaren heen vervaagd. Er zat een gaatje bovenin en ze nam aan dat het aan een ketting had gezeten. Er was vast iemand die baalde dat ze zo’n adembenemend hangertje was verloren. Zij had nooit zoiets gehad.

Kitty stopte het diep in de zak van haar spijkerbroek en pakte nog een broodje van de luchthaven, deze keer met kalkoen en sla. Ze at het bij wijze van avondmaaltijd en spoelde het weg met een miniatuurflesje Chenin Blanc dat ze uit het vliegtuig had meegenomen, terwijl ze met bungelende benen op de rand van de veranda zat. Voor haar wiegden de bomen in een licht briesje, en het gladde oppervlak van het meer weerspiegelde de fantastische kleuren van de lucht, die van lichtroze veranderden in zachtpaars, goud en daarna brons, zo levendig en onwerkelijk als de geschilderde titelbeelden van een Hollywoodfilm.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief