leesfragment

Zomerleesfragment. ‘De geschiedenis van geweld’ van Edouard Louis.

Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van leesfragmenten. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Deze zondag geniet je van een deel van het eerste hoofdstuk van De geschiedenis van geweld van Édouard Louis

Over een week zul je zeggen: Zozo, alweer een week geleden dat het is gebeurd, en over een jaar zul je zeggen: Alweer een jaar geleden dat het is gebeurd
Dus een paar uur na hetgeen op de kopie van de aanklacht die ik in vieren gevouwen in een la bewaar poging tot doodslag wordt genoemd, vertrok ik van huis en liep de trap af.

Ik stak in de regen de straat over om mijn lakens op negentig graden te gaan wassen in de wasserette beneden, op minder dan vijftig meter van mijn huisdeur, mijn rug gebogen onder een al te onhandige, te zware zak wasgoed en mijn benen bogen door onder het gewicht ervan.

Het was nog niet helemaal licht. De straat was leeg. Ik was alleen en ik liep, mijn voeten gleden weg, ik hoefde maar een paar stappen te doen en toch telde ik ze, want ik had haast: nog maar vijftig stappen, hup, nog maar twintig stappen en je bent er. Ik ging sneller lopen. Uitkijkend naar de toekomst waarin deze scène op de een of andere manier zou worden teruggekoppeld naar, toegewezen aan, herleid tot het verleden, dacht ik ook: over een week zul je zeggen: Zozo, alweer een week geleden dat het is gebeurd, en over een jaar zul je zeggen: Alweer een jaar geleden dat het is gebeurd. De ijskoude regen, geen slagregen maar uiterst fijne, piepkleine, vervelende druppeltjes, drong in de stof van mijn schoenen, het water verspreidde zich door de zolen en de stof van mijn sokken. Ik had het koud – en ik dacht: hij zou terug kunnen komen, hij zal terugkomen, nu ben ik veroordeeld tot zwerven, hij heeft je veroordeeld tot zwerven. In de wasserij zag ik de kleine, gedrongen beheerder van de zaak. Zijn borst stak boven

Hij vroeg of het goed met me was en ik antwoordde, zo grimmig als ik kon: Nee.
rijen machines uit. Hij vroeg of het goed met me was en ik antwoordde, zo grimmig als ik kon: Nee. Ik wachtte op zijn reactie. Ik wilde dat hij reageerde. Hij deed geen moeite er meer van te weten te komen, hij haalde zijn schouders op, hij keek om, hij ging zijn smalle kantoortje binnen, dat verborgen lag achter de droogautomaten, en ik verfoeide de man omdat hij me geen vragen stelde.

Met de schone lakens liep ik terug naar huis. Op de trap zweette ik. Ik maakte het bed weer op, het leek nog steeds doortrokken van Reda’s geur, dus ik stak kaarsen aan, brandde wierook; dat was niet genoeg; ik nam luchtverfrissers, deodorant, allerhande eaux de toilette die ik voor mijn laatste verjaardag had gekregen, allerhande eaux de cologne en besprenkelde daarmee de lakens, ik waste de slopen met zeep, hoewel ik ze net had gewassen, het weefsel spuwde het zeepwater uit in de vorm van kleine trosjes van samenklittende belletjes. Ik sopte de houten stoelen, haalde een natte spons over de boeken die hij in zijn handen had gehad, wreef de deurknoppen met antiseptische doekjes, veegde zorgvuldig, een voor een, de houten lamellen van de zonneblinden schoon, verplaatste en verwisselde de stapels boeken die op de vloer stonden en liet de metalen ombouw van mijn bed

Ik dacht: beter gek dan dood.
glanzen, vernevelde op het gladde, witte oppervlak van de koelkast een product met een citroengeur; het lukte me niet te stoppen, ik werd gedreven door een soort energie die dicht bij waanzin lag. Ik dacht: beter gek dan dood. Ik schrobde de douche, die hij had gebruikt, goot een paar liter bleekwater in het toilet en in de wastafel (op zijn minst ruim twee liter, dat wil zeggen één volle fles van anderhalve liter en een nog halfvolle), schrobde dwaas genoeg de hele badkamer, ging zelfs zo ver de spiegel schoon te maken waarin hij zich die avond had bekeken, of liever bewonderd, gooide de kleren weg die hij had aangeraakt, ze wassen zou niet genoeg zijn geweest; ik weet niet waarom dat wel genoeg was voor de lakens en niet voor de kleren. Op handen en voeten boende ik de vloer, ik brandde mijn vingers aan het dampende water, de dweil schuurde dunne, rechthoekige strookjes van mijn zacht geworden huid. De stukjes huid krulden op. Ik stopte even, haalde diep adem, ik snoof zelfs als een beest, ik was een beest geworden, op zoek naar die geur die ondanks mijn inspanningen nooit leek te verdwijnen, zijn geur wilde niet weggaan en daar leidde ik uit af dat die geur aan mij hing en niet aan de lakens of de meubels. Het probleem kwam uit mij.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief