leesfragment

Zomerleesfragment. ‘Duizend vaders’ van Nhung Dam

Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van leesfragmenten. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag geniet je van een fragment uit Duizend vaders van Nhung Dam.

Moes was elke week verliefd op een andere jongen. Goede dingen overkwamen haar gewoon. En ze wist veel. Over van alles.
Het was bijna donker, ik was blij dat ik Moes onderweg tegenkwam. Zodra het avond werd begonnen de Antillianen bij de snackbar te loeien en te fluiten naar de voorbijgangers.

‘Kijk eens.’ Ik opende mijn vuist en liet haar mijn munt zien.

‘Zoiets heb ik nog nooit gezien, dat is waanzinnig,’ zei Moes toen ze naar de vreemde munt van Amour keek. ‘Mag ik hem hebben?’

De munt zag er in de avondschemering weer compleet anders uit dan in het middaglicht van zonet. Hij leek groter. Gauw sloot ik mijn hand weer.

Moes was elke week verliefd op een andere jongen. Goede dingen overkwamen haar gewoon. En ze wist veel. Over van alles. Waarom sommige vrouwen kleine tietjes hadden, en andere niet. Waarom Eloy zwart was (het had iets met voedselconsumptie te maken), en waarom juist haar moeder besmet was geraakt met kanker. Ze had een heel mooi gedicht voorgelezen tijdens de begrafenis. Ze droeg een jurk met een grote strik aan de voorkant. De mensen klapten voor haar en zeiden hoe flink en mooi ze was. Ik had diezelfde middag na de begrafenis ook een gedicht geschreven en hoopte dat er gauw iemand in mijn omgeving besmet raakte met kanker.

We liepen samen naar huis. De lampjes van de straatlantaarns sprongen aan. Moes wees naar de bol boven op de kerktoren die we onderweg zagen. Hij had de vorm van een toef slagroom. In de bol was een klein raampje te zien.

Als ik alle kennis van de wereld had zou ik op een dag een boek schrijven. Of zelfs een schilderij maken.
‘Dat is de ui van de kerk,’ zei Moes. ‘Wist jij dat?’

‘Nee,’ zei ik. ‘Hoe weet jij dat dan?’

‘Geen idee,’ zei Moes. Als ik alle kennis van de wereld had zou ik op een dag een boek schrijven. Of zelfs een schilderij maken. De dag dat ik kon zeggen: ‘Dat is de ui van een kerk.’

Ik wist niet precies waarom Moes mijn beste vriendin was. Dat soort dingen gebeurden gewoon. Moes was na elke vakantie met een andere haarkleur op school gekomen. Eerst blond, toen groen en vervolgens paars. Meester Lever had aan de klas uitgelegd dat dat normaal was voor deze fase, waarin we op zoek zijn naar onze identiteit. Ik vroeg me af of deze fase aan mij voorbij zou gaan, aangezien geen enkele kleur haarverf aan mijn zwarte lokken bleef kleven en ik gedoemd was eeuwig te blijven zoals ik was.

‘Wist je dat intelligentie erfelijk is,’ zei ze toen we de kastanjeboom passeerden.

‘Wat is erfelijk?’ vroeg ik.

‘Zoiets als besmettelijk.’

‘Als een ziekte?’

‘Ja, zoiets als een ziekte,’ zei Moes.

De geur van jus verspreidde zich door de straat. Met een zucht verspreidden de ziekten zich door het dorp, de geldzorgen, het eeuwige getob van de grootouders, de koude adem van pratende mensen, maar ook de geur van jus.
Het gekraak van de sneeuw onder onze rubberen laarzen was het enige wat we hoorden. Het huis van Moes stond fier op een klein heuveltje. Net zo trots als haar vader was. Mensen met een vrijstaand huis waren de mensen die het goed voor elkaar hadden, had vader me gezegd. De vader van Moes had haar vast al die dingen geleerd die ze wist. Mijn vader kende maar heel weinig woorden van de taal die de mensen hier spraken. Als hij in zijn eigen taal sprak was hij heel intelligent, en wist hij op alles iets te zeggen, maar buiten de deur hakkelde hij vaak met de en het, en haalde hij die en dat doorelkaar. Toen de vader van Moes op het schoolplein een betoog hield over uitschot en tuig, het betoog dat hij wekelijks hield in café De Kale Biljart, zag ik dat vader er niets van begreep, hij lachte maar wat!

Er scheen licht vanuit hun huis. Door het raam zag ik kaarsen branden op het bijzettafeltje bij de bank. In de keuken stond het vlees zachtjes op het vuur mals te koken. De geur van jus verspreidde zich door de straat. Met een zucht verspreidden de ziekten zich door het dorp, de geldzorgen, het eeuwige getob van de grootouders, de koude adem van pratende mensen, maar ook de geur van jus. De geur van jus is de geur van geluk. De vader van Moes deed de deur open. Het gepruttel van de stoofschotel was hoorbaar. Bij ons ging het anders, bij ons ging de hamer erop om het vlees mals te krijgen. Met eten moest je niet omslachtig doen, vond moeder.

‘Zie je morgen,’ zei ik.

‘Ja. Tot morgen.’ Moes zwaaide naar me voor ze het huis binnenstormde.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief