leesfragment

‘Zwart zout’ van Will Dean

0

Eén zelfmoordgeval. Eén moord in koelen bloede. Zit er een verband tussen deze twee zaken? En wie heeft het eigenlijk voor het zeggen in het Zweedse dorp Gavrik?

Lees hier het eerste hoofdstuk van Zwart zout, een nieuwe Tuva-thriller van Will Dean!

1

Er ligt een Volvo in de greppel en volgens mij ligt hij daar al een tijdje. Ik rem behoedzaam. De spijkerbanden van mijn pick-uptruck bijten in het ijs en brengen mij tot stilstand. Wit en werkelijk doodstil.

Het schermpje op mijn dashboard geeft -19 °C aan. Ik zet mijn muts op en duw de oorflappen opzij zodat die mijn gehoorapparaatjes niet in de weg zitten, en dan zet ik de verwarming hoog, laat de motor stationair draaien, open mijn portier en stap uit.

De Volvo ziet eruit als een ijsklontje, allemaal rechte lijnen en fonkelende ijskristallen, geen enkel teken van leven, geen kleur of kenmerk om naar te kijken. Hij helt zwaar over naar rechts waardoor ik ongeveer op ooghoogte sta met het zijraampje van de bestuurder. Mijn gehandschoende knokkel klinkt dof op het berijpte glas dus wrijf ik met mijn hand over het raam maar het is met keihard ijs bedekt.

Ik doe een stap achteruit, vrieslucht brandt in mijn droge wangen. Ik heb meer crèmes nodig, betere crèmes, wintercrèmes op recept. Mijn telefoon heeft hier geen ontvangst dus kijk ik om me heen en loop dan terug naar mijn pick-uptruck en pak mijn ruitenkrabber, een van een verzameling van drie – je kunt niet voorzichtig genoeg zijn – uit het zijvak van het portier van mijn Hilux.

Terwijl ik het Volvo-raampje krab, teistert het lawaai mijn gehoorapparaatjes als het geluid van een hakselaar die steigerstangen vermaalt. Ik kom er langzaam doorheen, rafelige ijsscherfjes schieten alle kanten op. En dan zie ik zijn gezicht.

Ik krab harder. Sneller.

‘Kun je me horen?’ roep ik. ‘Ben je oké?’

Maar hij is niet oké.

Ik zie de rijp op zijn snor en de bevroren stroompjes die uit zijn neusgaten lopen. Hij zit doodstil.

Ik blijf krabben en trek aan de deurhendel, maar die is of op slot of stijfbevroren. Mijn adem ziet er voor mijn gezicht nerveus uit; wolkjes damp tussen hem en mij, tussen mijn goedkope mascara en zijn gekristalliseerde wimpers. Ik heb de afgelopen zes maanden genoeg dood gezien, meer dan genoeg. Ik klop weer op het glas en ruk aan de deurhendel. En dan slaat hij ineens zijn ogen op.

Ik deins terug, mijn dikke rubberzolen verliezen hun grip op het glanzende wit eronder.

Hij beweegt niet. Hij kijkt alleen maar.

‘Gaat het?’ vraag ik.

Hij staart me aan. Zijn lichaam is roerloos, zijn hoofd beweegt niet, maar zijn grijsblauwe ogen zijn op mij gericht, zoeken, stellen vragen. En dan snuift hij en schudt zijn hoofd en knikt een soort passief-agressieve ‘dank je maar niet nodig’-afwijzing, wat eerlijk gezegd absurd is.

‘Ik heet Tuva Moodyson. Laat me je naar Gavrik brengen. Laat me iemand voor je bellen.’

Het bevroren snot in zijn snor barst en versplintert en zijn mond vormt ‘Ik ben oké’, en ik kan zijn lippen redelijk goed lezen, ruim twintig jaar ervaring.

Ik trek aan zijn deurhendel, mijn nek wordt warm, en dan begint die mee te geven dus trek ik harder en het ijs barst en het portier zwaait een stukje open. Het is zwaar in deze hoek.

‘Probeer je mijn kabels te breken?’ zegt hij.

‘Pardon?’

‘Het is hier ongeveer min twintig, lijkt me, en jij rukt zojuist mijn deur open alsof het een schatkist is. De beste manier om een hendelkabel te breken.’

‘Wil je opwarmen in mijn auto?’ vraag ik. ‘Zal ik de pechhulp bellen?’

Hij kijkt naar mijn auto alsof hij afweegt of die geschikt is als voertuig om zijn leven te redden en ik kijk naar hem en de lagen kleding waarin hij zichzelf heeft begraven: een jack waaronder nog vijf of zes andere jasjes moeten zitten, te oordelen naar de omvang, en dekens over zijn knieën en dikke skihandschoenen en ik zie drie mutsen, allemaal een andere kleur.

Hij hoest en spuugt en zegt dan: ‘Ik kom even mee om op te warmen, heel even maar.’

Nou, heel aardig dat je me die gunst bewijst, meneer charmekampioen van Värmland.

Ik help hem uit de auto en hij is kleiner dan ik, een halve kop kleiner, en hij zal een jaar of vijfenvijftig zijn. Er ligt een nagelschaartje op de passagiersstoel naast een draagtasje vol spuitbussen, en er ligt een zak droog hondenvoer in de voetenbak. Hij doet zijn Volvo op slot, alsof hier bendes Zweden op de loer liggen om die kapotte klote-auto van hem te stelen, en dan sjokt hij naar mijn pick-uptruck.

‘Japans?’ zegt hij terwijl hij de passagierskant opent.

Ik knik en klim naar binnen.

‘Tien minuutjes, en dan laat ik je weer met rust,’ zegt hij.

‘Hoe heet je?’

Hij hoest. ‘Andersson.’

‘Nou, meneer Andersson, ik heet Tuva Moodyson. Aangenaam.’

We kijken een tijdje door de voorruit, naast elkaar, zonder iets te zeggen, we staren maar wat naar het wit van de gemeente Gavrik. Het ziet eruit als zo’n fijn blanco letterblokje bij een potje scrabble.

‘Ben jij die vrouw die verhalen in de krant schrijft?’

‘Klopt.’

‘Ik kan maar beter teruggaan naar mijn auto.’

‘Als je daar weer in gaat zitten, wordt het je dood. Laat me je naar de stad brengen, er zal niets met je auto gebeuren.’

Hij kijkt me aan alsof ik negen jaar ben.

‘Ik heb meer strenge winters meegemaakt dan jij warme lunches hebt gegeten.’

Wat moet dat in vredesnaam betekenen?

‘En ik kan je zeggen,’ zegt hij terwijl hij zijn neus aan zijn mouw afveegt, ‘dit stelt nog niets voor. Min twintig, misschien min tweeëntwintig, dat is niets. Maar goed, ik heb mijn middelste jongen drie uur geleden ge-sms’t, ik heb hem mijn locatie doorgegeven en wanneer hij klaar is in de pulpfabriek komt hij me ophalen. Dacht je dat ik niet eerder ’s winters in greppels had gelegen?’

‘Prima. Ga maar,’ zeg ik en ik wacht even zodat hij kan nadenken. ‘Maar ik bel de politie en dan stuurt agent Thord iemand om je op te halen. Als we hem die moeite nu eens bespaarden.’

Meneer Andersson zucht en kauwt op zijn onderlip. Het ijs op zijn gezicht is aan het smelten en nu ziet hij er gewoon opgewonden en mager en een beetje moe uit.

‘Ben jij degene die rijdt?’ zegt hij.

Ik zucht-lach.

Hij haalt zijn neus op en veegt het gesmolten snot uit zijn snorharen. ‘Ik heb weinig keus, lijkt me.’

Ik start de motor en zet van beide stoelen de verwarming aan. Wanneer we langs zijn bevroren Volvo rijden, kijkt hij droevig uit het raampje, alsof hij zijn grote liefde achterlaat op een treinperron in een speelfilm.

‘Waarom koop je niet Zweeds?’ vraagt hij.

‘Bevalt mijn Hilux je niet?’

‘Die is niet Zweeds.’

‘Maar hij rijdt.’

We rijden verder en dan begint hij te kronkelen op zijn stoel alsof hij iets heeft laten vallen.

‘Is mijn stoel heet?’ vraagt hij.

‘Wil je dat ik de temperatuur wat lager zet?’

‘Ik wil dat je dat kloteding uitzet, want ik krijg het gevoel alsof ik in m’n broek heb gepist.’ Uit zijn blik spreekt walging. ‘Die verdomde Japanners denken overal aan.’

Oké, dus ik heb een racistische zeikerd als passagier, maar het is slechts twintig minuten rijden naar Gavrik. Waarom zijn het nooit eens de knappe, grappige, slimme mensen die opgehaald moeten worden?

‘Waar wil je worden afgezet, meneer Andersson? Waar woon je?’

‘Zet me maar af bij de fabriek.’

‘Werk je daar?’

‘Dat kun je wel zeggen. Hoofdconciërge. Drieëndertig jaar, aanstaande juni.’

Ik trek aan een hendeltje en besproei mijn voorruit en de geur van chemische antivries waait door de ventilatieroosters.

‘Hoeveel conciërges hebben ze daar?’ vraag ik.

‘Alleen mij.’

‘Krijg je gratis drop?’

‘Heb ik niet, dus ga er niet om vragen. Ik ben de conciërge en dat is alles.’

Ik rijd naar een kruising waar de weg een loipe snijdt die is gemarkeerd met gele plastic paaltjes; ze zien eruit als tandenstokers die in een perfecte bruidstaart zijn geprikt. De lucht is stil en de hemel is een hangende wereld van sneeuw en hij is zwaar, staat op het punt te vallen.

‘Jij hebt dat Medusa-verhaal geschreven, hè?’ Ik knik.

Hij schudt zijn hoofd.

‘Je hebt dit stadje bijna verwoest, wist je dat? Er zijn aardig wat mensen die je graag zouden zien ophoepelen, ik zeg ook maar wat ik heb opgevangen.’

Deze onzin krijg ik zo nu en dan te horen. Als enige fulltimeverslaggever hier in Gavrik krijg ik de schuld van slecht nieuws, ook al schrijf ik het alleen maar op.

‘Ik vond het een knap staaltje werk,’ zeg ik.

‘Dat zal best, je hebt het zelf geschreven.’

‘Had je liever gehad dat er nog steeds elandjagers werden doodgeschoten in het bos?’

Hij blijft een tijdje stil en ik verstel de warmte van benen/ gezicht naar voorruit.

‘Ik weet alleen dat onze zwaarbevochten reputatie is geschaad,’ zegt hij. ‘En we hebben godzijdank nog steeds de twee fabrieken om wat stabiliteit te bewaren. Dat is het enige wat ik zeg en nu ben ik daar klaar mee.’

Wanneer ik het stadje nader, zijn de straten wat schoner, er wordt hier meer sneeuwgeruimd, worden meer stoepjes schoongeveegd, en de straatverlichting gaat aan; drie uur ’s middags en de straatlantaarns gaan aan. Welkom in februari.

‘Je deed zeker gewoon je werk, zoals iedereen hier, maar we zijn een klein stadje en we zijn verder van alles afgesneden dus hebben we geleerd om elkaar te steunen. Ik heb acht kleinkinderen om me zorgen om te maken. Dat zou je weten als je hiervandaan kwam.’

Ik rijd verder.

De tweelingschoorstenen van de fabriek, de grootste werkgever van de stad, doemen voor me op. Het is het grootste gebouw hier, op de ICA  Maxi-supermarkt na. Twee verticalen van baksteen met een wit laken op de achtergrond.

‘Zeg, je hoort best goed voor een dove, als je het niet erg vindt dat ik het zeg.’

‘Ik hoor je uitstekend.’

‘Gebruik je van die hoorapparaatjes?’

Ik voel zijn ogen op mijn hoofd rusten, zijn blik boort zich in me.

‘Ja.’

‘Ik zal ze binnenkort ook zelf nodig hebben, eenenzestig, komende lente.’

Ik rijd langs de ijshockeybaan en tussen de supermarkt en McDonald’s door, de twee hekpalen van Gavrik, en dan Storgatan in, de hoofdstraat van het stadje. Ik passeer de fourniturenwinkel en de wapenhandel en mijn kantoor, waar de armzalige kerstversiering nog steeds voor het raam hangt, en dan stop ik naast de Grimberg Drop-fabriek ‘Sinds 1839’ – of zoiets staat er op de poort.

‘Zo goed?’ vraag ik.

Hij stapt uit zonder iets te zeggen en ik kijk om me heen en zie vijf of zes mensen die los van elkaar allemaal omhoog staan te kijken. Dit gebeurt nooit, en zeker niet in februari. Een ineengedoken figuur in een bruine jas glijdt uit op het ijs terwijl hij wegloopt. Ik probeer door de voorruit omhoog te kijken maar die is bovenaan berijpt, dus open ik mijn portier en stap uit op het met zand en zout bestrooide trottoir. Ik hoor gemompel en voel dat er meer mensen bij komen vanuit Eriksgatan.

Ze kijken omhoog naar de rechterschoorsteen, waar ik nog nooit rook uit heb zien komen. Er is een man, of ik denk dat het een man is, een figuurtje in een pak dat de ladder die aan de schoorsteen is bevestigd beklimt, hij klimt steeds hoger langs de gsm-masten en -antennes die aan de bakstenen vastzitten. Hij heeft haast. Geen muts of handschoenen. Ik kijk omhoog en de hemel is oogverblindend, duizelingwekkend wit en de bleke wolken jagen snel over ons heen, de wind steekt op. Terwijl ik omhoogtuur is het net een optische illusie, alsof de schoorstenen boven op me vallen. En dan springt de man.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief