Duisternis, pleinvrees, water… Al Esthers familieleden hebben een fobie. Esther weet nog niet wat haar grote angst is, omdat ze zo ongeveer alles uit de weg gaat: liften, kleine ruimtes, grote drukte, spinnen en nog veel meer. Tot ze wordt bestolen door een klasgenoot van vroeger. De mysterieuze Jonah steelt haar lijst met angsten. Tot Esthers eigen verbazing haalt Jonah haar over om samen alle angsten op haar lijst tegemoet te treden. Met onverwachte gevolgen…

De jongen bij de bushalte

Esther Solar stond al een halfuur voor het Lilac Hill verpleeg- en revalidatietehuis te wachten, toen ze ontdekte dat de vloek weer had toegeslagen. Haar moeder, Rosemary Solar, belde om uit te leggen waarom ze Esther nooit meer, onder geen enkele omstandigheid, zou kunnen komen ophalen. Boven op het dak van de auto had ze een pikzwarte kat met duivelse goudgele ogen aangetroffen – een zo onheilspellend voorteken dat ze niet meer kon autorijden. Esther was geen moment uit het veld geslagen. Het spontaan ontwikkelen van fobieën was niets nieuws in de familie Solar. Dus liep ze naar de bushalte vier straten verderop. Haar rode cape, die wapperde in de avondbries, trok de aandacht van diverse voorbijgangers. Ze dacht na over wat normale mensen in haar situatie zouden doen. Haar vader bivakkeerde nog steeds in de kelder waarin hij zichzelf zes jaar geleden had verschanst, haar broer Eugene was spoorloos (Esther vermoedde dat hij via een onzichtbare opening naar een andere dimensie was geglipt, iets wat hem wel vaker overkwam), en haar opa beschikte niet meer over de fijne motoriek om een auto te besturen (om nog maar te zwijgen van het feit dat hij Esther niet meer herkende). Het kwam erop neer dat Esther weinig mensen had op wie ze in een crisissituatie kon terugvallen.

Als Esther haar ogen afgewend had gehouden, was het volgende jaar van haar leven misschien anders verlopen.
De bushalte lag er verlaten bij voor een vrijdagavond. Er zat alleen een lange donkere jongen die er met zijn lichtgroene ribbroek, suède jas en over zijn haar getrokken baret uitzag alsof hij uit een film van Wes Anderson was weggelopen. Hij zat zachtjes te snikken, dus deed Esther wat je hoort te doen als een totale vreemde emotioneel is in je bijzijn: ze negeerde hem volledig. Ze ging zitten, haalde haar versleten exemplaar van The Godfather tevoorschijn en probeerde te lezen. De lantaarn boven hun hoofd knipperde aan en uit, zoemend als een wespennest. Als Esther haar ogen afgewend had gehouden, was het volgende jaar van haar leven misschien anders verlopen. Maar ze was nu eenmaal een Solar, met de onhebbelijke gewoonte om haar neus ongevraagd in andermans zaken te steken. De jongen snikte dramatisch. Esther keek op en zag een grote blauwe plek op zijn wang, die in het lantaarnlicht donkerpaars leek. Er sijpelde bloed uit een snee bij zijn wenkbrauw, en de kraag van zijn overhemd – aan het patroon te zien duidelijk een tweedehandsje uit de jaren zeventig – was gescheurd. De jongen snikte nog eens en gluurde vervolgens uit zijn ooghoeken naar haar. Als het niet echt nodig was, praatte Esther liever niet met andere mensen. Soms vermeed ze het zelfs als het wél nodig was. ‘Hé,’ zei ze ten slotte. ‘Gaat het wel?’ ‘Ik geloof dat ik beroofd ben,’ antwoordde de jongen. ‘Dat gelóóf je?’ ‘Ik kan het me niet herinneren.’ Hij wees op de snee op zijn voorhoofd. ‘Maar mijn telefoon en portemonnee zijn weg, dus waarschijnlijk ben ik beroofd.’

Esther had op hem gewacht, maar Jonah was niet komen opdagen. Ze had hem zelfs nooit meer gezien. Tot op dit moment.
Op dat moment herkende ze hem ineens. ‘Jonah? Jonah Smallwood?’ Hij was veranderd, maar had nog altijd dezelfde grote ogen, hoekige kaak en doordringende blik die hij als kind had gehad. Inmiddels had hij wel meer haar: een stoppelbaard en een dikke zwarte haardos die in een hippe kuif omhoogstond. Hij leek op Finn uit The Force Awakens, vond Esther. Heel aantrekkelijk dus. Jonah bestudeerde de sproeten op haar gezicht, hals en armen, die leken op de verfspatten van een Jackson Pollock-schilderij, en de rode lokken die over haar heupen vielen, in een poging haar te plaatsen. ‘Hoe weet je mijn naam?’ ‘Herken je me niet meer?’ Ze waren maar een jaar bevriend geweest, toen ze acht jaar oud waren, maar toch. Esther voelde een steek van verdriet dat hij haar blijkbaar was vergeten. Andersom was dat beslist niet zo.
‘We hebben samen op de basisschool gezeten. In de klas van juf Price. Je hebt me nog verkering gevraagd.’ Jonah had een zak hartjessnoep voor haar gekocht en een valentijnskaart voor haar gemaakt, met een tekening van twee puzzelstukjes in de vorm van een hartje en het onderschrift: Wij passen bij elkaar. Op de binnenkant van de kaart had hij haar gevraagd hem tijdens de pauze te ontmoeten. Esther had op hem gewacht, maar Jonah was niet komen opdagen. Ze had hem zelfs nooit meer gezien. Tot op dit moment.

‘O ja,’ zei hij langzaam. Op zijn gezicht verscheen een blik van herkenning. ‘Ik vond je leuk, omdat je een week na het uitkomen van de film tegen Perkamentus’ dood hebt gedemonstreerd, recht voor de deur van boekhandel.’ Esther herinnerde zich nog precies hoe ze als zevenjarige – met knalrood haar en een bloempotkapsel – met een spandoek met daarop red de tovenaars! voor de plaatselijke boekhandel had gestaan. En ook nog het fragment uit het zesuurjournaal waarin een naast haar neerhurkende verslaggever had gevraagd: ‘Je beseft toch wel dat het boek al jaren geleden is verschenen en het einde niet meer kan worden veranderd?’ en ze onnozel met haar ogen knipperend in de camera had gestaard. Terug naar de realiteit. ‘Ik vind het vreselijk dat er opnamen van bestaan.’ Jonah knikte naar haar knalrode cape die met een lint om haar hals zat gestrikt en naar de rieten mand aan haar voeten. ‘Zo te zien ben je nog altijd een beetje vreemd. Waarom zie je eruit als Roodkapje?’ Esther had al jaren geen vragen meer gekregen over haar voorliefde voor kostuums. Voorbijgangers op straat gingen er altijd van uit dat ze op weg was naar een of ander verkleedfeest. Haar leraren konden haar – tot hun grote ergernis – nooit betrappen op kleding die in strijd was met de schoolvoorschriften, en haar medeleerlingen waren wel gewend dat ze eruitzag als Alice in Wonderland of Bellatrix van Detta-Zwarts en vonden het prima, zolang ze maar gebak de school in smokkelde. (Daarover hieronder meer.)

‘Ik was bij een grootouder op bezoek, dus het leek me toepasselijk,’ antwoordde ze. Jonah leek het een bevredigend antwoord te vinden. Hij knikte in elk geval alsof hij haar begreep. ‘Zeg, heb jij contant geld bij je?’ Dat had Esther. In haar picknickmand zat 55 dollar, bestemd voor haar wegwezen-uit-dit-stompzinnige-gat-spaarfonds, waarvan het saldo inmiddels 2.235 dollar bedroeg. Nog even over dat gebak. Tijdens Esthers brugklasjaar had East River High het kantinebeleid van de school ingrijpend veranderd, zodat er alleen nog maar gezonde maaltijden te krijgen waren, in plaats van de pizza’s, kipnuggets, aardappelkroketjes, patat, hamburgers en nachochips die de middelbare school nog enigszins draaglijk hadden gemaakt. Bij elk nieuw gerecht dat op het menu verscheen, zoals bloemkool-preisoep of gestoomde broccolitaart, kon je leerlingen geërgerd ‘Michelle Obama’ horen mompelen. Esther had haar kans schoon gezien om geld te verdienen. Ze had een partij chocolade brownies gebakken, die ze de volgende dag mee naar school had genomen en voor 5 dollar per stuk had verkocht, wat haar de mooie winst van 50 dollar had opgeleverd. Inmiddels was ze de junkfooddealer van de school geworden en bediende ze zoveel klanten op school dat ze het ‘Taartenvrouwtje’ werd genoemd. Onlangs had ze haar terrein uitgebreid naar verpleeg- en revalidatietehuis Lilac Hill, waar het avontuurlijkste gerecht op het menu slappe knakworst met smakeloze aardappelpuree was. De zaken liepen uitstekend. ‘Hoezo?’ vroeg Esther aarzelend aan Jonah. ‘Ik heb geld nodig voor een buskaartje. Als jij me wat geld geeft en even je telefoon leent, maak ik het bedrag meteen vanaf mijn bankrekening over naar de jouwe.’ Het klonk riskant, maar Jonah zag er gehavend, bebloed en betraand uit, en ergens beschouwde ze hem nog steeds als dat lieve jongetje dat haar leuk genoeg had gevonden om een valentijnskaart voor haar te maken.

Dus zei ze: ‘Hoeveel heb je nodig?’ ‘Hoeveel heb je? Dan neem ik dat en maak ik dat bedrag aan je over.’ ‘Ik heb 55 dollar.’ ‘Dan neem ik 55 dollar.’ Jonah stond op en kwam naast haar zitten. Hij bleek langer en magerder dan ze had gedacht, als een uitgeschoten maïskolf. Ze keek toe, terwijl hij de Mobiel Bankieren App op haar telefoon opende, inlogde, het rekeningnummer invulde dat ze opgaf en de transactie bevestigde. Transactie succesvol, gaf de app aan. Dus maakte ze haar picknickmand open en overhandigde hem de 55 dollar die ze die dag in Lilac Hill had verdiend. Jonah schudde haar de hand. ‘Bedankt,’ zei hij. ‘Superaardig van je, Esther.’ Toen stond hij op, knipoogde en verdween. Voor de tweede keer. Zo kwam het dat Jonah Smallwood haar tijdens een warme benauwde zomeravond 55 dollar afhandig maakte en in vier minuten tijd de volgende voorwerpen van haar jatte:

– de armband van haar oma, rechtstreeks van haar pols;
– haar iPhone;
– een rol Fruittella die ze voor de terugrit had bewaard, uit haar picknickmand;
– haar bibliotheekkaart (waarmee hij een exemplaar van Romeo en Julia
leende en zodanig met graffiti toetakelde, dat ze later een boete van
19,99 dollar moest betalen);
– haar exemplaar van The Godfather;
– haar bijna definitieve lijst van nachtmerries;
– en haar waardigheid.

Esther was zo in beslag genomen door de gênante herinnering aan haar Perkamentus- protest, dat ze de diefstal pas opmerkte toen de bus zes minuten en negentien seconden later kwam aanrijden. ‘Ik ben bestolen!’ riep ze tegen de buschauffeur. Waarop de buschauffeur reageerde met: ‘Geen tuig in mijn bus!’ en de deur voor haar neus dichtdeed.

(Misschien had Jonah niet ál haar waardigheid gestolen, maar was de buschauffeur met het laatste restje ervan weggereden.) Hoe Esther Solar door Jonah Smallwood werd bestolen, is dus een vrij eenvoudig verhaal. Maar hoe ze vervolgens verliefd op hem werd, is een stuk
ingewikkelder.

Lees méér van Standaard Uitgeverij