Ben jij ook zo’n grote fan van Liane Moriarty? Dan is er goed nieuws! Vanaf 24 april is Wat Alice vergat weer verkrijgbaar – onmisbaar in het oevre van Moriarty! Lees hier alvast het eerste hoofdstuk.

Ze dreef met haar armen wijd, het water zachtjes over haar lichaam klotsend, en ademde de zomerse geur van zout en kokos in. In haar mond hing een prettige nasmaak van een goed vullend ontbijt; gebakken spek en koffie en misschien iets van een croissantje. Ze tilde haar kin op en de ochtendzon scheen zo fel op het water dat ze haar ogen moest dichtknijpen om haar voeten door de glinstering heen te kunnen zien. De nagels van haar tenen hadden allemaal een andere kleur. Rood. Goud. Paars. Grappig. De nagellak was niet bepaald netjes aangebracht. Bobbelig en overal vegen. Er dreef iemand naast haar in het water. Iemand die ze heel leuk vond, iemand om wie ze moest lachen, met precies zulke nagels. Die ander wiebelde gezellig met haar veelkleurige tenen naar haar en ze was vervuld van slaperige gelukzaligheid. Ergens in de verte riep een mannenstem: ‘Marco?’ en een heel kinderkoor riep terug: ‘Polo!’ De man riep nog een keer: ‘Marco, Marco, Marco?’ en het koor antwoordde: ‘Polo, Polo, Polo!’ Een kind begon te lachen; een lang, gorgelend giecheltje, als een stroom zeepbelletjes. Toen klonk een stem zachtjes maar dringend in haar oor: ‘Alice?’ en ze boog haar hoofd achterover en liet het koele water stil over haar gezicht glijden.
Piepkleine spikkeltjes licht dansten voor haar ogen.
Was het een droom of een herinnering?
‘Ik weet het niet!’ zei een angstige stem. ‘Ik heb het niet zien gebeuren.’ Joh, doe even rustig.
De droom of de herinnering of wat het ook was loste op en verdween als een spiegelbeeld op het water en daarvoor in de plaats dreven nu flarden van gedachten door haar hoofd, alsof ze wakker werd uit een diepe slaap op een late zondagmorgen.
Wordt roomkaas eigenlijk tot de zachte kazen gerekend?
Het is geen harde kaas.
Het is helemaal niet…
… hard.
Dus, als je het logisch bekijkt…
… iets.
Iets logisch.
Lavendel, heerlijk.
Logisch heerlijk.
Niet vergeten die lavendelstruik te snoeien!
Ik ruik lavendel.
Nee, dat kan niet.
Ja, dat kan wel.
Op dat moment voelde ze voor het eerst de pijn in haar hoofd. De pijn zat aan één kant, heel fel, alsof iemand haar een flinke mep met een hamer had verkocht.
Haar gedachten werden scherper. Waar kwam die pijn in haar hoofd vandaan? Niemand had haar gewaarschuwd voor hoofdpijn. Er was een hele waslijst met vreemde symptomen waar ze zich op had voorbereid: brandend maagzuur, de smaak van aluminiumfolie in je mond, duizeligheid, extreme vermoeidheid – maar niks over een hamerend gevoel aan de zijkant van je hoofd. Dat hadden ze toch echt moeten vermelden, want het deed werkelijk ongelofelijk veel pijn. Ja, en als ze al geen doodgewone hóófdpijn aankon, nou, dan…
De geur van lavendel leek in golven te worden aangevoerd, als op een zacht briesje.
Ze liet zich weer meedrijven.
Het beste was om nu weer wat te slapen, en terug te gaan naar die heerlijke droom met het water en de bontgekleurde teennagels.
Wacht even, of had iemand wel iets over hoofdpijn gezegd en was zij dat gewoon vergeten? Ja, inderdaad! Hoofdpijn! Heel zware. Geweldig.
Er was zoveel om te onthouden. Geen zachte kazen of gerookte zalm of sushi vanwege het risico op die enge ziekte waar ze nog nooit van had gehoord. Listeria-infectie. Iets met een of andere bacterie. Slecht voor de baby. Daarom mag je ook geen kliekjes. Een hap van een overgeschoten drumstick en de baby kan al doodgaan. De meedogenloze verantwoordelijkheden van het ouderschap.
Ze zou nu maar even wat gaan slapen. Dat was het beste.
Listeria-infectie.
Listeria, wisteria.
Wisteria, blauweregen. Er staat er eentje bij de schutting langs de zijkant van het huis. Wat zal dat er straks mooi uitzien, met die bloemtrossen.
Listeria, wisteria.
Wat een rare woorden.
Ze glimlachte, maar haar hoofd deed echt ontzettend pijn. Ze probeerde zich te vermannen.
‘Alice? Hoor je me?’
De lavendelgeur zwol weer aan. Mierzoet leek het nu.
Roomkaas is een smeerkaas. Niet te zacht, niet te hard, precies goed. Net zoals het bedje van het kleinste beertje.
‘Haar oogleden knipperen. Alsof ze droomt.’
Het had geen zin. Ze kon niet meer slapen, al was ze nog zo uitgeput; ze had het gevoel of ze eeuwig kon slapen. Liepen alle zwangere vrouwen rond met zo’n pijnlijk hoofd? Was dat soms om ze te harden voor de pijn tijdens de bevalling? Als ze straks wakker was, zou ze dat toch eens opzoeken in een van de babyboeken.
Ze vergat altijd hoe ontwrichtend pijn kon zijn. Wreed. Echt gemeen. Je wilde gewoon dat het stopte, nu meteen. Nee, een ruggenprik was zo gek nog niet. Dus mag ik nu dan graag een ruggenprik voor de pijn in mijn hoofd? Dank u.
‘Alice, probeer je ogen eens open te doen.’
Was roomkaas überhaupt wel kaas? Je legde toch nooit een klodder roomkaas op een kaasplankje. Misschien betekende kaas in de context van roomkaas wel helemaal geen kaas. Ze zou het toch maar niet aan de dokter vragen, voor het geval dat het weer zo’n domme ‘o, Álice’-blunder was.
Ze kon maar niet lekker liggen. De matras voelde aan als koud beton. Als ze zich nu om zou draaien, dan kon ze zachtjes met haar voet tegen Nick aan duwen, net zo lang tot hij haar naar zich toe trok in een warme berenknuffel. Haar menselijke warmwaterkruik.
Waar was Nick eigenlijk? Was hij al uit bed? Misschien was hij wel een kopje thee voor haar aan het zetten.
‘Probeer je niet te bewegen, Alice. Blijf maar gewoon heel stil liggen, en doe je ogen open, lieverd.’
Elisabeth zou het wel weten, van de roomkaas. Die zou op haar vertrouwde grotezussenmanier snuiven en het dan haarfijn uitleggen. Mama had natuurlijk geen idee. Die zou wel weer iets zeggen als: ‘O, jeetje, nee! Ik weet zeker dat ik roomkaas heb gegeten toen ik zwanger was van jullie. Dat soort dingen wisten ze in die tijd nog niet.’ Dan zou ze eindeloos blijven doorkletsen, omdat ze bang was dat Alice per ongeluk een regel had geschonden. Mama geloofde heilig in regels. Alice zelf trouwens ook. Frannie zou het niet weten, maar die zou het opzoeken, vol trots, op haar nieuwe computer. Net zoals ze Alice en Elisabeth vroeger ook altijd hielp met het opzoeken van informatie voor school in haar grote encyclopedie.
Haar hoofd deed echt vreselijk zeer.
Waarschijnlijk was dit nog maar een te verwaarlozen fractie van de pijn die ze straks zou voelen tijdens de bevalling.
‘Alice? Álice!’
Ze vond roomkaas niet eens lekker.
‘Heeft iemand al een ambulance gebeld?’
Daar had je die lavendellucht weer. Nick had een keer gezegd, net toen ze hun stoelriemen losmaakten (als reactie op haar gehengel naar complimentjes), met zijn hand al op de deurhendel: ‘Doe niet zo belachelijk, apenkop, je weet toch dat ik knettergek op je ben?’
Ze deed het autoportier open en voelde de zon op haar benen en rook de lavendel die ze bij de deur had geplant.
Knettergek.
Het was een moment van naar lavendel geurende gelukzaligheid, zo na het boodschappen doen.
‘Hij komt eraan. Ik heb drie keer nul gebeld! Dat is voor het eerst in mijn leven. Ik vond het maar gek. Ik wilde eerst 911 bellen, alsof we hier in Amerika zitten; ik had de 9 al ingetoetst. Duidelijk bewijs dat ik te veel televisieseries kijk.’
‘Ik hoop maar niet dat het iets ernstigs is. Ik bedoel, je denkt toch niet dat ze me ergens voor kunnen aanklagen of zo? Zo moeilijk was mijn choreografie nou toch ook weer niet?’
‘Nou, die laatste pirouette is wel een beetje zwaar als je toch al duizelig bent van die achterwaartse draai na de dubbele kick.’ ‘Ja, maar dit is een les voor gevorderden! Mensen komen klagen als ik het te gemakkelijk maak. Dus ik geef opties. Mijn lessen zijn gelaagd. Mijn god, het maakt ook niet uit wat je doet, mensen hebben altijd wel wat te zaniken.’
Wat hoorde ze nou toch, een of ander belprogramma op de radio? Ze haatte dat, want de bellers waren altijd van die chagrijnen met nasale stemmetjes. Er was altijd wel iets waar ze zich kwaad over maakten. En dat was iets waar Elisabeth zich altijd kwaad over maakte, zei ze.
Ze hield haar ogen dicht en zei hardop: ‘Nick, heb je de radio aanstaan? Want ik denk dat ik hoofdpijn heb.’ Haar stem klonk nukkig, niks voor haar, maar ja, ze was zwanger, en haar hoofd deed pijn en ze had het koud en ze voelde zich gewoon niet… goed.
Misschien was het de misselijkheid wel.
Was het eigenlijk wel ochtend?
O, Álice.
‘Alice, hoor je me? Kun je me horen, Alice?’
Rozijntje, hoor je me? Kun je me horen, Rozijntje?
Elke avond voor het slapengaan praatte Nick tegen de baby door een lege wc-rol die hij tegen Alice’ buik drukte. Dat idee had hij van de radio. Ze zeiden dat de baby op die manier ook de stem van de vader leerde kennen.
‘Hallo-hallo!’ riep hij dan. ‘Hoor je me, Rozijntje? Dit is je vader!’ Ze hadden ergens gelezen dat de baby nu ongeveer zo groot als een rozijn was. Dus noemden ze hem nu zo. Alleen onder elkaar natuurlijk, want verder waren ze heel coole aanstaande ouders. Geen klef gedoe waar anderen bij waren.
Rozijntje zei: Alles kits, hoor, pap, ik verveel me soms een beetje, maar verder is alles in orde. Hij zei kennelijk ook dat hij weleens wat anders zou willen eten dan al die saaie groene troep die zijn moeder at, en hij eiste pizza voor de verandering. Ik ben klaar met dat konijnenvoer! zei hij.
Het leek erop dat Rozijntje een jongen was. Hij had zo’n mannelijke persoonlijkheid, leek het. Die kleine boef. Daar waren ze het allebei wel over eens.
Alice ging dan altijd achteroverliggen en bekeek de bovenkant van Nicks hoofd. Hij had al een paar zilveren haren. Ze wist niet of hij dat zelf wel wist en dus zei ze er maar niks over. Hij was tweeëndertig. Ze kreeg een waas van tranen voor haar ogen door dat zilveren haar. Die belachelijke zwangerschapshormonen ook.
Alice praatte zelf nooit hardop tegen de baby. Ze deed het alleen in gedachten, heel verlegen, als ze in bad zat (niet te heet – zoveel regels). Dan voelde ze zich zo overweldigd door het grote wonder dat ze met haar vlakke hand tegen het water begon te slaan als een kind dat aan zijn verjaardag dacht. Binnenkort werd ze dertig, en ze had een angstaanjagende hypotheek en een man en straks ook een kind, maar toch voelde ze zich helemaal niet anders dan toen ze nog vijftien was.
Behalve dan dat ze op haar vijftiende nooit van die gelukzalige momenten had gehad na het boodschappen doen. Toen kende ze Nick nog niet eens. Haar hart moest nog een paar keer gebroken worden voor die ten tonele zou verschijnen en het met superlijm aan elkaar zou plakken met woorden als ‘knettergek’.
‘Alice? Gaat het wel? Doe je ogen eens open, alsjeblieft.’
Het was een vrouwenstem. Te hard en te schel om te negeren. Hij sleurde haar weer bij bewustzijn en liet haar niet meer los.
Het was een stem die Alice een vertrouwd gevoel van irritatie gaf, als een te krappe panty.
Deze persoon hoorde niet in haar slaapkamer thuis.
Ze rolde haar hoofd opzij. ‘Au!’
Ze deed haar ogen open.
Er was een waas van onherkenbare kleuren en vormen. Ze kon het nachtkastje niet eens zien, om haar bril te pakken. Haar ogen waren vast weer achteruitgegaan.
Ze knipperde, en knipperde nog eens en toen, als een telescoop die scherp werd gesteld, kwam alles duidelijk in beeld. Ze zag een paar knieën. Wat gek.
Bleke knobbelknieën.
Ze tilde haar kin een fractie op.
‘Héél goed!’
Het was uitgerekend Jane Turner, van kantoor, die naast haar geknield zat. Haar gezicht was rood aangelopen en er zaten plukken zweterig haar tegen haar voorhoofd geplakt. Haar ogen stonden moe. Ze had een zachte, mollige nek; dat was Alice nog nooit eerder opgevallen. Ze droeg een T-shirt met enorme zweetplekken en haar armen waren mager en wit, met donkere sproeten erop. Alice had nog nooit zoveel van Janes lijf kunnen zien. Het was gewoon gênant. Die arme Jane.
‘Listeria-wisteria,’ zei Alice voor de grap.
‘Je hebt een delirium,’ zei Jane. ‘Blijf zo liggen, niet gaan zitten.’
‘Hmpf,’ zei Alice. ‘Wil ook niet zitten.’ Ze had het gevoel dat ze niet in haar bed lag; het leek wel of ze plat op haar rug op een koele laminaatvloer lag. Was ze dan dronken? Was ze soms helemaal vergeten dat ze zwanger was en had ze zich een delirium gezopen?
Haar gynaecoloog was een hoffelijk type met een vlinderdas en een rond gezicht dat onrustbarend veel weg had van een van de exen van Alice. Hij zei dat hij geen enkel probleem had met: ‘Laten we zeggen, een aperitiefje, gevolgd door een glas wijn aan tafel.’ Alice dacht toen nog dat een aperitiefje een bepaald merk drank was. (‘O, Álice,’ zei Elisabeth.) Nick had haar uitgelegd dat een aperitiefje een drankje voor het eten is. Nick kwam uit een gezin waar men aan aperitiefjes deed. Alice kwam uit een gezin waar alleen een stoffige fles Baileys hoopvol achter in de voorraadkast stond te staan, achter de blikken spaghetti. Maar ondanks deze geruststelling van de gynaecoloog had ze sinds de zwangerschapstest nog maar een half glaasje champagne gedronken, en zelfs daar voelde ze zich al schuldig over, ondanks het feit dat iedereen steeds zei dat er echt niks aan de hand was.
‘Waar ben ik?’ vroeg Alice, doodsbang voor wat het antwoord zou zijn. Was ze in een of andere morsige nachtclub beland? Hoe moest ze dan aan Nick uitleggen dat ze helemaal vergeten was dat ze zwanger was?
‘Je bent op de sportschool,’ zei Jane. ‘Je bent gevallen en knock-out gegaan. Mens, ik kreeg haast een hartverzakking, hoewel ik ook blij was met het excuus, want dan kon ik tenminste even stoppen.’
De sportschool? Alice kwam nooit in de sportschool. Was ze dan dronken een sportschool in gewaggeld?
‘Je verloor je evenwicht,’ zei een schelle, opgewekte stem. ‘Dat was een behoorlijke smak! We schrokken ons allemaal een ongeluk, raar mens! We hebben een ambulance gebeld, dus maak je maar geen zorgen, de professionals komen eraan.’
Naast Jane zat een dun, koffiekleurig meisje met een gebleekte blonde paardenstaart, een kort broekje van glimmend lycra en een kort rood topje waarop met grote letters step crazy stond te lezen. Alice had meteen een hekel aan haar. Ze vond het niet prettig dat iemand haar zomaar voor raar mens uitmaakte. Beledigend zelfs. Haar zus Elisabeth zei altijd al dat het een van Alice’ voornaamste tekortkomingen was, de neiging om zichzelf te serieus te nemen.
‘Ben ik flauwgevallen?’ vroeg Alice hoopvol. Zwangere vrouwen vielen weleens flauw. Zelf was ze in haar hele leven nog nooit flauwgevallen, hoewel ze de hele vierde klas driftig had geoefend, in de hoop dat zij een van die mazzelkonten was die in de kerk flauwviel en die dan in de armen van de gymleraar, meneer Gillespie, naar buiten moest worden gedragen.
‘Dat komt doordat ik zwanger ben,’ zei ze. Zo, wie maakte ze hier wel voor raar mens uit.
Janes mond zakte open. ‘Jezus, Alice, dat meen je niet!’
Step Crazy trok een zuinig mondje, alsof ze Alice zojuist op iets heel stouts had betrapt. ‘Maar jeetje, lieverd, ik heb aan het begin van de les nog gevraagd of er iemand zwanger was. Je had niet zo verlegen moeten zijn. Dan had ik toch gewoon wat aangepaste oefeningen gegeven?’
Haar hoofd bonkte. Ze begreep niks van wat iedereen allemaal zei.
‘Zwanger,’ zei Jane. ‘Dat kon er ook nog wel bij. Wat een ramp.’ ‘Het is helemaal geen ramp.’
Alice legde een beschermende hand op haar buik, zodat Rozijntje het niet zou horen. Hun financiële zaken gingen Jane geen bal aan. Mensen hoorden toch dolblij te reageren als je je zwangerschap aankondigde?
‘Ik bedoel, wat moet je nu in ’s hemelsnaam?’ vroeg Jane.
Allemachtig! ‘Wat ik moet? Hoe bedoel je, wat ik moet? Ik krijg een kindje.’ Ze snoof. ‘Je ruikt naar lavendel. Ik wist wel dat ik lavendel rook.’ Haar reukvermogen was extra scherp vanwege de zwangerschap.
‘Dat is mijn deo.’ Jane leek helemaal zichzelf niet. Haar ogen waren een beetje vreemd. Echt opvallend. Misschien moest ze toch maar een oogcrème gaan gebruiken.
‘Is alles wel in orde met jou, Jane?’
Jane snoof. ‘Met mij is alles prima, ja. Zit jij nou maar liever over jezelf in.’
De baby! Lag ze hier een beetje egocentrisch zielig te doen over haar eigen zere hoofd, terwijl ze zich om dat arme Rozijntje had moeten bekommeren. Wat was ze nou voor een moeder?
‘Ik hoop maar dat de baby verder geen schade oploopt van mijn val.’
‘Ach, baby’s kunnen wel wat hebben, daar zou ik me maar niet druk over maken.’
Dat was nog een andere vrouwenstem. Voor het eerst keek Alice op en ze realiseerde zich dat er een hele groep rood aangelopen, zweterige vrouwen van middelbare leeftijd om haar heen stond. Sommigen van hen leunden voorover en staarden haar aan met zo’n gretige ramptoeristenblik, terwijl anderen met hun handen in de zij met elkaar stonden te kleppen alsof ze op een feestje waren. Ze waren kennelijk in een of andere lange, helverlichte ruimte. Ze hoorde ergens in de verte een soort ingeblikte muziek, het geluid van rammelend metaal en een plotselinge uitbarsting van mannengelach.
‘Toch moet je echt geen high-impact sport doen als je zwanger bent,’ zei een andere vrouw.
‘Maar ik doe überhaupt niet aan sport,’ zei Alice. ‘Ik zou juist weer eens wat moeten gaan doen.’
‘Meer sporten dan wat jij doet, dat kan helemaal niet,’ zei Jane.
‘Waar heb je het toch over?’ Ze keek om zich heen naar al die vreemde gezichten. Het was allemaal zo… suf. ‘Ik weet niet eens waar ik ben.’
‘Ze heeft waarschijnlijk een hersenschudding,’ zei iemand opgewonden. ‘Mensen met een hersenschudding zijn vaak warrig en gedesoriënteerd.’
‘O, moet je haar horen, mevrouw de dokter.’
‘Ik heb een EHBO-cursus gevolgd, bij de kinderen op school. Het was letterlijk wat ze zeiden, dat weet ik nog: “warrig en gedesoriënteerd”. Je moet uitkijken voor druk op de hersenen. Dat is heel gevaarlijk.’
Juffrouw Step Crazy keek bang en aaide over Alice’ arm. ‘O jee, lieverd, je hebt misschien een klein beetje een hersenschudding.’
‘Ja, maar daar word je niet doof van,’ zei Jane geïrriteerd. Toen boog ze haar hoofd naar Alice toe en zei zachtjes: ‘Het komt wel goed. Je bent nu op de sportschool, voor de steples die je op vrijdag altijd volgt. Je loopt al eeuwen aan mijn hoofd te zeuren of ik een keer meekom, weet je nog wel? Hoewel ik de lol er niet van inzie, moet ik zeggen. Hoe dan ook, je bent spectaculair onderuitgegaan, en daarbij heb je je hoofd bezeerd, meer niet. Het komt allemaal wel weer in orde. Maar waarom heb je me niet verteld dat je zwanger bent?’
‘Wat is een steples?’ vroeg Alice.
‘O, dit is echt niet best,’ zei Jane geagiteerd.
‘De ambulance is er!’ riep iemand.
Step Crazy deed halfgaar van opluchting. Ze sprong op en maakte een gebaar als een energieke huisvrouw met een bezem om de rest van de vrouwen weg te werken. ‘Oké, meiden, laten we even wat ruimte maken, ja?’
Jane bleef op de grond geknield zitten, naast Alice, en klopte afwezig op haar schouder. Toen hield het kloppen ineens op. ‘Jemig, jij hebt ook altijd mazzel.’
Alice draaide haar hoofd en zag twee knappe kerels in blauwe overalls op hen afkomen, met hun eerstehulpspullen in de hand. Gegeneerd deed ze haar best om op te krabbelen.
‘Blijven liggen, mop,’ riep de langste van de twee.
‘Hij lijkt precies op George Clooney,’ fluisterde Jane in haar oor. En dat klopte. Alice werd er meteen een stuk vrolijker van. Het leek wel alsof ze in een aflevering van er terecht was gekomen.
´Hallo.’ George Clooney ging op zijn hurken naast haar zitten, zijn grote handen rustend op zijn knieën. ‘Hoe heet je?’
‘Jane,’ zei Jane.
‘O. Zij heet Alice.’
‘Alice, wat is je volledige naam?’ George nam voorzichtig haar hand in de zijne en drukte twee vingers tegen haar pols.
‘Alice Mary Love.’
‘Dus je hebt een smak gemaakt, Alice?’
‘Kennelijk. Ik kan me er niks van herinneren.’ Alice voelde zich huilerig en heel bijzonder, zoals altijd als ze aandacht kreeg van een zorgverlener. Al was het de apotheker maar. Dat verweet ze haar moeder, want die maakte ook altijd zo’n toestand als ze een keertje ziek was, als kind. Elisabeth en zij waren gruwelijke hypochonders geworden.
‘Weet je waar je nu bent?’ vroeg George.
‘Niet echt,’ zei Alice. ‘Maar het schijnt dat ik in een sportschool ben.’
‘Ze is gevallen tijdens de steples.’ Jane deed het behabandje onder haar topje goed. ‘Ik zag het gebeuren. Ze deed een heel indrukwekkende achterwaartse sprong, en toen smakte ze met haar hoofd tegen de vloer. Ze is een minuut of tien buiten westen geweest.’
Step Crazy kwam weer terug, met haar zwierende staartje, en Alice staarde omhoog langs die lange, gladde benen en die harde, platte buik. Het leek wel nep. ‘Ik denk dat ze heel even haar concentratie is kwijtgeraakt,’ zei Step Crazy op een vertrouwelijk toontje tegen George Clooney, als deskundigen onder elkaar. ‘Dit soort lessen raad ik af voor zwangere vrouwen. En ik heb toch écht nog gevraagd of er niemand zwanger was.’
‘Hoeveel weken ben je, Alice?’ vroeg George. Alice wilde antwoorden, maar tot haar verbazing merkte ze dat ze een zwart gat in haar hoofd had.
‘Dertien,’ zei ze na een paar seconden. ‘Ik bedoel veertien. Veertien weken.’ De eerste echo was nu ruim twee weken geleden gemaakt. Rozijntje had nog een heel rare bokkensprong gemaakt, alsof hij aan het discodansen was, of alsof iemand hem een flinke por in de rug had gegeven, en na afloop deden Nick en Alice die beweging steeds na voor allerlei mensen. Iedereen was reuzebeleefd en ze zeiden allemaal braaf dat dat toch wel heel bijzonder was.
Ze legde haar hand weer op haar buik en nu voelde ze voor het eerst wat ze aanhad. Gympen met witte sokken. Een korte zwarte broek en een geel mouwloos hemdje met een glimmende gouden sticker erop geplakt. Het leek wel een plaatje van een dinosaurus met een ballon in zijn bek waarop stond: rock on. Rock on?
‘Waar komen deze kleren vandaan?’ vroeg ze op beschuldigende toon aan Jane. ‘Dit is niet van mij.’
Jane trok betekenisvol haar wenkbrauwen op naar George.
‘Er plakt een dinosaurus op mijn shirt,’ zei Alice verbijsterd.
‘Welke dag is het vandaag, Alice?’ vroeg George.
‘Vrijdag,’ antwoordde Alice. Dat zou ze zelf niet geweten hebben, maar ze zei het omdat Jane net had verteld dat het vrijdag was en dat ze dan altijd steples had. Wat dat ook mocht zijn.
‘Weet je nog wat je als ontbijt hebt gegeten?’ George bekeek voorzichtig de zijkant van haar hoofd terwijl hij met haar praatte. De andere ambulancebroeder bond ondertussen een bloeddrukmeter om haar bovenarm en begon die op te pompen.
‘Geroosterd brood met pindakaas?’
Dat at ze namelijk meestal als ontbijt, dus dat leek een goede gok.
‘Hij wéét natuurlijk niet wat jij als ontbijt hebt gegeten,’ zei Jane. ‘Hij wil alleen weten of jij je nog wel kunt herinneren wat je hebt gegeten.’
De bloeddrukmeter kneep Alice’ arm flink af.
George ging weer op zijn hurken zitten en vroeg: ‘Doe mij een lol en vertel eens even de naam van onze illustere ministerpresident.’
‘John Howard,’ antwoordde Alice gehoorzaam. Ze hoopte dat hij niet nog meer politieke vragen zou stellen, want daar was ze niet zo goed in. Het interesseerde haar gewoon niet zo.
Jane maakte een wonderlijk explosief geluid, dat het midden hield tussen spot en vreugde.
‘O. Aha. Maar hij is toch nog wel steeds premier?’ Alice schaamde zich dood. Mensen zouden haar hier nog jaren mee pesten. O, Alice, je weet niet eens wie onze minister-president is! Had ze soms een verkiezing gemist? ‘Nee, ik weet het zeker.’
‘Welk jaar is dit?’ George vond het zo te zien niet erg.
‘Het is 1998,’ antwoordde Alice meteen. Dat wist ze tenminste honderd procent zeker. De baby zou namelijk in 1999 worden geboren.
Jane sloeg haar hand voor haar mond. George wilde nog iets vragen, maar Jane was hem voor. Ze legde haar hand op Alice’ schouder en keek haar diep in de ogen. De opwinding straalde uit haar ogen. Piepkleine balletjes mascara balanceerden aan het uiteinde van haar wimpers. De combinatie van haar lavendeldeo en de knoflookwalm uit haar mond werd Alice nu toch echt te veel.
‘Hoe oud ben je, Alice?’
‘Ik ben negenentwintig, Jane.’ Janes dramatische toontje irriteerde Alice mateloos. Wat wilde ze nou? ‘Precies zo oud als jij.’ Jane ging rechtop zitten en keek George Clooney triomfantelijk aan.
‘Ik heb net een uitnodiging gekregen voor haar veertigste verjaardag.’
En dat was de dag waarop Alice Mary Love naar de sportschool ging en zomaar tien jaar van haar leven kwijtraakte.

Lees méér van Standaard Uitgeverij