leesfragment

‘Als je van mij bent’ van Michael Robotham

0

Philomena McCarthy heeft als dochter van een beruchte Londense gangster altijd moeten vechten om agent bij de Metropolitan Police te worden, ook al heeft ze alle banden met haar vader verbroken.
Op een dag wordt ze opgeroepen bij een melding van huiselijk geweld en weet ze daar een jonge vrouw in veiligheid te brengen. Tempe Brown blijkt de vriendin te zijn van een collegarechercheur die al met meerdere beschuldigingen van huiselijk geweld is weggekomen. Phil is vastbesloten om Tempe te helpen en er ontstaat een hechte vriendschap. Maar is Tempe wel wie ze zegt dat ze is? 

Lees hier de eerste pagina’s van Als je van mij bent van Michael Robotham.

1

Toen ik elf was, zag ik mijn toekomst voor me. Ik stond bij de middelste deuren van een dubbeldekker toen er op het bovendek een bom ontplofte, waardoor het dak er werd afgerukt, alsof een reus met een blikopener een blik perziken had opengemaakt. Het ene moment hield ik me aan een paal vast en het volgende vloog ik door de lucht, ik zag de hemel, toen de grond, toen de hemel. Er vloog een been langs me. Een buggy. Een miljoen glasscherven, die elk het zonlicht vingen.

Ik smakte op de stoep terwijl het om me heen puin en lichaamsdelen regende. Toen ik door het stof omhoogkeek, vroeg ik me af wat ik in een Londense toeristenbus deed. Daar leek hij namelijk op, nu hij geen dak meer had.

Er waren mensen gewond. Er waren stervenden. Doden. Ik spuugde gruis tussen mijn tanden door en probeerde me te herinneren wie er naast me had gestaan. Een getatoeëerd meisje met een koptelefoon op en slordig geknipt paars haar. Een moeder met een peuter in een buggy. Twee oudere dames zaten op de zijbank te ruziën over bioskoopkaartjes. Een man met een hipsterbaardje had een gitaarkoffer bij zich, beplakt met stickers van over de hele wereld.

Normaal gesproken zat ik om 09.47 uur op school, maar ik moest naar de kno-arts, die me zou vertellen waarom ik zo vaak een bijholteontsteking had. Ik heb blijkbaar smalle neusholtes, wat waarschijnlijk erfelijk is, maar ik weet nog niet wie ik daarvan de schuld moet geven.

Terwijl ik op straat lag, verscheen boven me het zwevende gezicht van een man. Hij praatte, maar maakte geen geluid. Ik las zijn lippen.

‘Bloed je?’

Ik keek naar mijn schooluniform. Mijn blauw-wit geblokte blouse zat onder het bloed. Ik wist niet of het van mij was.

‘Hoeveel vingers steek ik op?’

‘Drie.’

Hij ging weg.

Om me heen waren de etalages verbrijzeld, de stoep en de straat lagen vol glazen diamantjes. Vlak naast me lag een duif, die uit de lucht geblazen was, of misschien wel van angst was gestorven. Het stof was neergedaald en iedereen was overdekt met een fijn laagje grijs roet. Later, toen ik mezelf in de spiegel bekeek, zag ik dat ik witte strepen onder mijn ogen had, de sporen van mijn tranen.

Terwijl ik in de goot zat, zag ik een jonge agente tussen de gewonden door lopen. Ze stelde hen gerust. Troostte hen. Ze sloeg een arm om een kind heen dat zijn moeder had verloren. Dezelfde agente kwam glimlachend naar mij toe. Ze had een rond gezicht en stralend witte tanden, en haar haar was opgestoken onder haar pet.

Mijn oren tuitten niet meer. Er kwamen woorden uit haar mond.

‘Hoe heet je, lieverd?’

‘Philomena.’

‘En je achternaam?’

‘McCarthy.’

‘Ben je alleen, Philomena?’

‘Ik moet naar de dokter. Ik kom nog te laat.’

‘Dat vindt hij vast niet erg.’

De agente gaf me een flesje water zodat ik de viezigheid uit mijn mond kon spoelen. ‘Ik ben zo terug,’ zei ze, en ze liep verder naar andere gewonden. Ze was net zo’n personage uit een rampenfilm, van wie je op het moment dat ze op het scherm verschijnt weet dat het de held is. Ze straalde kalmte en zelfverzekerdheid uit, liet ons weten dat we dit zouden overleven. Dat de stad het zou overleven. Niet alles was verloren.

Nu ik zestien jaar later voor de spiegel sta, denk ik terug aan die agente. Had ik maar gevraagd hoe ze heette. Ik fantaseer vaak dat ik haar tegen het lijf loop en haar bedank voor wat ze toen deed. Door jou ben ik bij de politie gegaan, zou ik zeggen. Jij was mijn jeugdheldin.

Ik schiet in de lach bij die gedachte en kijk naar mijn spiegelbeeld. Dan trek ik een gezicht, wat de kans op rimpels zou moeten verkleinen, maar waardoor het alleen maar lijkt alsof ik heel nodig naar de wc moet. Mijn moeder zweert bij deze oefeningen en beveelt ze al haar klanten van de schoonheidssalon aan. Dat zijn vooral oudere vrouwen die wanhopig blijven hangen aan hun uiterlijk, terwijl hun man gracieus of minder gracieus ouder mag worden en onbezorgd aftakelt.

Ik buig me dichter naar de spiegel toe en bekijk mijn gezicht, dat hartvormig lijkt als ik mijn haar in een knotje doe. Ik heb grijze ogen, een rechte neus en een te grote onderlip, waarin Henry graag bijt tijdens het zoenen. Mijn wenkbrauwen zijn eerder zussen dan nichtjes van elkaar, want mijn moeder mag niet in de buurt komen met haar pincet en potloden.

Ik heb vandaag vroege dienst, die begint om zeven uur. Henry ligt nog in bed. Als hij slaapt lijkt hij wel een klein jongetje, met zijn donkere haar dat alle kanten op staat, en één arm over zijn ogen omdat hij niet gewekt wil worden door het licht uit de badkamer. Henry zou het klokje rond kunnen slapen. Je zou een kanon naast hem kunnen afschieten. En hij vindt het niet erg wanneer ik later naar bed ga en mijn koude voeten tegen zijn warme druk. Dat moet wel liefde zijn.

Ik werp een blik op mijn telefoon. Het is nog geen zes uur en ik heb al vier voicemailberichten, allemaal van mijn stiefmoeder, Constance. Normaal gesproken noem ik Constance niet mijn stiefmoeder omdat we zo weinig in leeftijd schelen, wat mij meer in verlegenheid brengt dan haar, en waar mijn vader zich helemaal niet voor schaamt. Wat bleek hij een cliché te zijn: ervandoor gaan met zijn secretaresse.

Ik speel het eerste bericht af.

Philomena, lieverd, heb je de uitnodiging gekregen? Je hebt nog niet gereageerd. Het feestje is zondag over twee weken. Kom je? Zeg alsjeblieft ja. Edward zou het heel fijn vinden. Je weet dat hij apetrots op je is… en dat hij wou… Ze maakt de zin niet af. Hij wordt zestig en hij wil dat jij erbij bent. Je bent nog steeds zijn lieveling, weet je, ondanks alles.

‘Ondanks alles,’ zeg ik spottend, en ik ga naar het volgende bericht.

Philomena, schat, kom alsjeblieft. Iedereen komt. Henry is natuurlijk ook uitgenodigd. Heet hij zo? Of is het Harry? Ik ben zo slecht in namen. Sorry. Wacht, ik zoek het even op. Ik heb het ergens… opgeschreven… ja, hier. Henry. Neem Henry mee. Geen cadeautjes. Zondag over twee weken, om vier uur.

Constance heeft een bekakte schelle stem, ze klinkt alsof ze een aardappel in haar keel heeft. Ze is de kleindochter van een hertog of een lord, die een generatie geleden het familiefortuin heeft vergokt en ‘geen nagel heeft om zijn kont te krabben’, volgens mijn ooms, die haar achter haar rug ‘de hertogin’ noemen.

Henry beweegt zich. Zijn hoofd komt onder de deken vandaan. ‘Hoe laat is het?’

‘Bijna zes uur.’

Hij tilt de lakens op en kijkt eronder. ‘Ik heb een verrassing voor je.’

‘Te laat.’

‘Kom alsjeblieft weer naar bed.’

‘Je hebt je kans gemist.’

Hij kreunt en trekt de lakens over zijn hoofd.

‘Ik hou ook van jou,’ zeg ik lachend.

Buiten begint een hond fel te keffen. Onze buurvrouw, mevrouw Ainsley, heeft een jack russell die Blaine heet en bij elk geluidje, elke hoest en elke voorbijrijdende auto blaft. We klagen er regelmatig over, maar dan verandert mevrouw Ainsley van gespreksonderwerp en begint over vernielingen of een of andere overtreding in de straat, wat weer bewijst dat de maatschappij in elkaar stort en we in ons bed niet veilig zijn.

Het is achttien minuten lopen van Marney Road naar metrostation Clapham Common, langs de noordzijde van het park, langs sportvelden en het skatepark. Ik ben ‘half in het blauw’, en heb mijn haar opgestoken in een knotje. Wanneer we van en naar het werk gaan, mogen we niet volledig in uniform zijn. Met enige regelmaat stelt een politicus voor om dat beleid te veranderen, met als reden dat politiemensen zichtbaarder zouden moeten zijn om misdadigers af te schrikken. Meer blauw op straat. Betere zichtbaarheid in de wijk.

Ik zie al voor me hoe ik ’s ochtends in mijn uniform naar mijn werk zou gaan. Onbekenden zouden tegen me klagen dat schoolkinderen met hun voeten op de bank zitten of dat hun muziek te hard staat. Ik zou moeten aanhoren dat hun buurman zijn afval niet goed scheidt of een hond heeft die in hun voortuin poept. Als het uit de hand zou lopen, hoe zou ik zonder mijn porto dan iemand kunnen oproepen voor back-up? En als ik iemand zou arresteren, waar zou ik hem dan naartoe brengen? Zou ik overuren betaald krijgen? Zou iemand me bedanken?

Ik pak de metro naar Borough, zes haltes verderop, moet nog twee minuten lopen naar politiebureau Southwark, en haal onderweg koffie bij de Starbucks aan de overkant. De magere barista heet Paolo, die tijdens het aandrukken van de koffie, het laten doorlopen van het water, het opschuimen en inschenken aan één stuk door kletst. Hij biedt de dames ‘extra room’, of een ‘lekker kadetje’ aan, wat als een oneerbaar voorstel klinkt. Zijn broer verzorgt de broodjes en draagt af en toe een steentje bij aan de vrolijkheid.

Terwijl ik op mijn bestelling wacht, denk ik aan mijn vader en het feest voor zijn zestigste verjaardag. Ik heb hem al zes jaar niet gesproken, en heb hem al negen jaar niet gezien. Ik kan me die laatste keer nog herinneren. Jamie Pike, de coolste jongen die ik kende, zat bij ons in de woonkamer in mijn broekje te voelen. Het ene moment zat zijn hand in mijn onderbroek, alsof hij naar een zoekgeraakt muntstuk tastte, het volgende vloog hij door de kamer en smakte tegen een antiek buffet aan. Een sierbord ter ere van het huwelijk van William en Kate wankelde en viel naast hem aan gruzelementen.

Mijn vader sleepte Jamie het huis uit en sprak hem zo streng toe dat hij me nooit meer een blik waardig keurde. Een paar jaar geleden liep ik hem in een bioscoop aan Leicester Square tegen het lijf; hij rende letterlijk weg. Misschien is hij nog steeds aan het rennen, zit hij nog altijd onder zijn bed verstopt of controleert hij of de deuren wel op slot zijn. Die reputatie heeft mijn vader. Hij wordt omringd door mythes en verhalen, veel ervan gewelddadig, hopelijk opgesmukt, maar stuk voor stuk fluisterend uitgesproken in een donker hoekje omdat niemand erachter wil komen of ze waar zijn.

Jamie Pike is niet de reden dat ik vervreemd ben van mijn vader. Toen mijn ouders uit elkaar gingen, scheidden onze wegen zich. Ik koos ervoor om bij mijn moeder te blijven wonen, en papa koos ervoor om daar niets om te geven, of in elk geval niet genoeg om voor me te vechten. Hij stuurt me dan wel cadeautjes voor mijn verjaardag en kerst en zoekt toenadering, maar van iemand die mijn hart heeft gebroken verwacht ik wel iets meer. Ik wil dat hij voor me door het stof gaat. Ik wil dat hij lijdt. Toen ik solliciteerde bij de Metropolitan Police moest ik mijn connecties met bekende criminelen aangeven. Ik zette mijn vader en drie ooms op de lijst. Ik zag dat de inspecteur van de sollicitatiecommissie mijn motivatiebrief las en had het gevoel dat de zuurstof uit de kamer werd gezogen. Hij moest lachen, dacht dat het een grapje was of zo. Hij keek langs me heen, op zoek naar een verborgen camera, of naar iemand die me hiertoe had aangezet. Toen hij besefte dat ik het meende, sloeg zijn stemming om en veranderde ik van een sollicitant met een prachtig cv en een eersteklas diploma in een vos die toestemming vroeg om naar het kippenhok te verhuizen en daar een kiprestaurant te beginnen.

Hij liep rood aan. ‘Witwassen. Afpersing. Chantage. Diefstal. Jouw familie is een schande voor deze stad. Denk je nou echt dat je bij de politie kunt gaan werken?’

‘Ik kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de dingen die mijn familieleden in het verleden hebben gedaan,’ citeerde ik uit het reglement.

‘Niet zo neerbuigend, meissie,’ zei de inspecteur.

‘Ik word liever geen “meissie” genoemd, meneer.’

‘Wat?’

‘Ik ben geen klein kind.’

Ik kon mijn mond weer eens niet houden.

Ik werd afgewezen. Ik solliciteerde weer. Weer afgewezen. Ik dreigde met juridische stappen. Pas na vier pogingen bemachtigde ik een plek op de politieopleiding, waar de instructeurs strenger tegen mij waren dan tegen de andere rekruten, vastbesloten me te laten zakken of weg te pesten. Mijn klasgenoten begrepen niet waar ik zo’n harteloze behandeling aan verdiende. Ik vertelde hun niet over mijn vader. McCarthy is een doodgewone achternaam. Er zijn achtentwintigduizend McCarthy’s in Engeland en bijna evenveel in Ierland. Je kunt je makkelijk verstoppen in zo’n grote menigte. Je kunt er zelfs in verdwijnen, als je vader je maar de kans geeft.

Op het politiebureau trek ik mijn volledige uniform aan: steekwerend vest, riem, schouderportofoon, bodycam, uitschuifbare wapenstok, pepperspray en twee sets handboeien. Ik stop mijn knotje netjes onder mijn bolhoed, zonder de rand zo ver naar beneden te kantelen dat mijn zicht belemmerd zou worden. Ik hou van dit uniform. Het geeft me het gevoel dat ik gerespecteerd word. Het geeft me het gevoel dat ik nuttig ben.

Hoewel ik maar één meter vijfenzestig ben, ga ik een confrontatie niet uit de weg. Ik geef twee avonden per week karateles aan de Chestnut Grove Academy in Wandsworth, en af en toe ook in het weekend. Ik kan een stoot pareren en weet hoe ik moet vallen, maar wat nog belangrijker is, ik kan een situatie inschatten en kalm blijven onder druk. Ik doe niet aan karate omdat ik mensen wantrouw of bang ben voor de wereld. Ik hou van de discipline en het feit dat ik er fitter van word, en dat mijn reactietijd sneller wordt.

Twintig agenten verzamelen zich voor de briefing in de teamkamer. De brigadier van ons district, Harry Connelly, heeft een quasimilitaire uitstraling en extra gewicht om zijn middel, dat druk uitoefent op zijn knopen. Bepaalde taken moeten van de nachtdienst worden overgenomen. Pd’s moeten worden bewaakt. Gevangenen naar de rechtbank begeleid. Extra bewaking in het ziekenhuis geregeld wegens een hoog suïciderisico. Aanhoudingsbevelen moeten worden uitgereikt. ‘We hadden vannacht een bevestigde zichtmelding van Terrence John Fryer, een gewelddadige ontsnapte gevangene, die wordt gezocht voor gebruik, productie en dealen van drugs. Hij heeft geprobeerd in te breken in het huis van zijn vriendin in Balham. Jullie hebben zijn foto. Hij is gevaarlijk. Vraag back-up wanneer je hem ziet.’

Het leven van een agent wordt zwaar belast door alle administratie en het natrekken van oproepen. Elke lullige melding door een burger vereist een verslag en een reactie. Formulieren in drievoud. Verklaringen. Updates. Kortsluiten met andere diensten.

‘Mogguh, partner,’ zegt agent Anisha Kohli, die naast me komt lopen.

Kohli wordt ‘Nish’ genoemd en is de bink van het bureau. Hij is lang en slank, met een melkchocoladekleurige huid. Hij is in East Ham geboren en nog nooit in India geweest, maar wordt toch doodgegooid met vragen over gemengde huwelijken, het kastenstelsel en cricket.

‘Waarom behandelen mensen me toch alsof ik net van de boot ben gestapt?’ vroeg hij me een keer.

‘Omdat je wel een Bollywoodster lijkt.’

‘Maar ik kan niet zingen, dansen of acteren.’

‘Nee, maar je hebt wel je uiterlijk mee, schat.’

We tekenen voor een politieauto, die niet naar pis of kots blijkt te ruiken. Daar ben ik blij om. Nish gaat achter het stuur zitten en ik neem contact op met de meldkamer. Onze eerste zaken zijn een inbraak in Brixton en een reeks vernielde auto’s bij station Peckham. Nish en ik vormen een goed team. We kiezen intuïtief wie de leiding neemt als er mensen verhoord moeten worden. Sommige meer ervaren politiemensen weten niet goed hoe ze vrouwelijke agenten moeten behandelen, maar er wordt vooruitgang geboekt. Een op de vier agenten is nu vrouw, en in het management is die verhouding nog beter.

De ochtend is een allegaartje van ongevallen, inbraken, een afgerukte tas door iemand op een Vespa en een dementerende patiënt die uit een verpleeghuis is ontsnapt. Niemand die patrouille rijdt zegt ooit: ‘Wat is het rustig’, omdat dat ongeluk zou brengen, net zoals een acteur de titel ‘Macbeth’ nooit uitspreekt. Na drie jaar kan ik wel een plattegrond van Zuid-Londen tekenen op basis van de plaatsen delict waar ik ben geweest. Doorrijden na een aanrijding op deze hoek. Een springer van dat gebouw. Auto’s die in brand zijn gestoken bij dat blok leegstaande huizen. Sommige inwoners zijn beroemder of beruchter dan andere, en sommige misdaden zijn zo schokkend dat de namen van de slachtoffers in de geschiedenis van een stad zijn gebrand: Damilola Taylor. Stephen Lawrence. Rachel Nickell. Jean Charles de Menezes. De meeste mensen zien historische monumenten als ze naar Londen kijken. Ik zie de verminkten, de gebrokenen en de verslaafden, de ooggetuigen, de onschuldige omstanders en de nabestaanden.

Tussen de middag haal ik koffie bij een stalletje bij de London Bridge wanneer we van de meldkamer een melding over huiselijk geweld krijgen. Een buurvrouw hoort een vrouw gillen. Het adres ligt in een van de nieuwere wijken bij Borough Market. Nish rijdt weg en zet de sirene even aan om een kruising vrij te krijgen. Hij kijkt op het dashboardklokje. ‘Die is vroeg begonnen.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief