leesfragment

‘Betty’ van Tiffany McDaniel

0

Geboren in 1954 als zesde kind van een Cherokee vader en een witte moeder, zal Betty Carpenter een wereld van armoede en geweld leren kennen. Een van haar zussen gelooft dat er een vloek op de familie rust, maar Betty’s nieuwsgierigheid, haar grote liefde voor haar zussen en haar vaders verhalen voeden haar veerkracht en verbeelding. Zo ontdekt ze hoe ze kan ontsnappen aan het harde leven: door te schrijven. Ze begraaft de verhalen heel diep, omdat ze die aan niemand kan vertellen. Tot nu.

Ontdek hier alvast de eerste pagina’s van Betty van Tiffany McDaniel.

1

Daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

– MATTHEÜS 8:12

Een meisje wordt volwassen tegen een mes. Ze moet het lemmet leren verdragen. De sneeën. Het bloeden. Littekens van top tot teen krijgen en toch, desondanks, mooi blijven en gezonde knieën houden om elke zaterdag de vloer te dweilen. Je raakt verloren of je wordt gevonden, een van de twee. Dit soort waarheden kunnen een eeuwigheid met elkaar in botsing zijn. En wat is eeuwigheid anders dan een verstrikte vloek. Een gebroken cirkel. Een fuchsiaroze hemel. Als we de eeuwigheid naar de aarde brengen, is ze een reeks gewelfde bergen. Een landschap in Ohio waar alle slangen in het hoge gras weten hoe engelen hun vleugels zijn verloren.

Ik herinner me de onstuimige liefde en toewijding zoals ik me het geweld herinner. Als ik mijn ogen sluit, zie ik de lichtgroene klaver die in de lente rondom de schuur groeide terwijl wilde honden ons geduld en onze tederheid verjoegen. Die tijden komen nooit meer terug, dus we geven de tijd een nieuwe mooie naam die makkelijker is te dragen terwijl we ons blijven herinneren waar we vandaan komen. Zo kom ik uit een gezin van acht kinderen. Meer dan een van ons zou in de glorieuze jaren van hun jeugd sterven. Sommigen namen God kwalijk dat hij er te weinig nam. Anderen namen de duivel kwalijk dat hij er te veel achterliet. Tussen God en de duivel groeide onze stamboom met verrotte wortelen, gebroken takken en schimmel op de bladeren.

‘Hij wordt bitter en knoestig,’ zei pap weleens over de grote moeraseik bij ons in de achtertuin, ‘omdat hij het licht betwijfelt.’

Mijn vader is op 7 april 1909 in Kentucky geboren, in een korenveld dat op de wind van een slachthuis lag. Hierdoor hing er een geur van bloed en dood. Ik stel me zo voor dat ze hem allemaal bekeken alsof hij uit die twee dingen geboren was.

‘Mijn jongen moet in de rivier ondergedompeld worden,’ zei zijn moeder bij de aanblik van zijn graaiende vingertjes.

Mijn vader stamde af van de Cherokee, zowel van zijn vaderskant als van zijn moeder. Toen ik nog klein was, dacht ik dat Cherokee betekende dat je verbonden was met de maan, als een lichtstraal die ervan was losgeraakt.

Tsa-la-gi. A-nv-da-di-s-di.

Volgens onze bloedlijn, die generaties teruggaat, behoorden we tot de Aniwodi.
Volgens onze bloedlijn, die generaties teruggaat, behoorden we tot de Aniwodi. Leden van deze Cherokee-stam hadden de taak de speciale rode verf te maken die bij heilige rituelen en in tijden van oorlog werd gebruikt.

‘Onze stam was de stam van de scheppers,’ zei mijn vader altijd. ‘En van de onderwijzers. Ze spraken over leven en dood, over het heilige vuur dat in ons allen brandt. Onze mensen zijn de bewakers van deze kennis. Prent dat in je geheugen, Betty. Ook hoe je rode verf moet maken, en hoe je over heilig vuur moet spreken.’

De Aniwodi-stam stond tevens bekend om zijn genezers en medicijnmannen, van wie werd gezegd dat ze hun medicijnen op de zieken hebben ‘geschilderd’. Mijn vader zou deze traditie, op eigen wijze, voortzetten.

‘Jouw vader is een medicijnman,’ zeiden de plaaggeesten op school, en dan wapperden ze met veren voor mijn gezicht. Ze dachten dat ik hierom minder van hem zou houden, maar het tegendeel was waar.

Tsa-la-gi. A-nv-da-di-s-di.

In mijn jeugd praatte pap vaak over onze voorouders, zodat we hen niet zouden vergeten.

‘Zoveel land hadden we vroeger,’ zei hij, en dan hield hij zijn handen ver uit elkaar terwijl hij vertelde over het oostelijk territorium dat de Cherokee toebehoorde voor ze naar Oklahoma werden verdreven.

Onze Cherokee-voorouders konden dat vreemde land genaamd Oklahoma vermijden door zich in de bossen te verstoppen. Maar ze kregen te horen dat ze de levenswijze van de witte kolonisten moesten overnemen als ze daar wilden blijven. De autoriteiten hadden wettelijk bepaald dat de Cherokee ‘beschaafd’ moesten worden, anders werden ze uit hun huis gehaald. Ze hadden weinig keus. Ze moesten voortaan het Engels van de witten aannemen en zich tot hun religie bekeren. Jezus was ook voor hen gestorven, kregen ze te horen.

Vóór het christendom kenden de Cherokee een matriarchale en matrilineaire samenleving. De vrouw zwaaide thuis de scepter, maar in het christendom werd de man boven haar gesteld. Na hun bekering werden de Cherokee-vrouwen van het land geplukt dat ze altijd hadden bezeten en bewerkt. Ze kregen een schort om en werden achter het aanrecht gezet, waar ze thuishoorden, zo werd hun verteld. De Cherokee-mannen, die altijd hadden gejaagd, moesten nu het land bewerken. De traditionele levensstijl van de Cherokee werd omgewoeld, tegelijk met de sekserollen die de vrouw altijd een gelijkwaardige plek naast de man hadden gegeven.

Mijn vader deed zijn best om het water uit ons bloed te houden.
Tussen het spinnewiel en de ploeg waren er Cherokee die voor het behoud van hun cultuur vochten, maar de tradities takelden af. Mijn vader deed zijn best om het water uit ons bloed te houden door de wijsheid in ere te houden die aan hem was doorgegeven, zoals hoe je een lepel van een pompoenblad kon maken of wat de beste tijd was om mais te planten.

‘Als de wildekruisbesstruiken blaadjes krijgen,’ zei hij dan, ‘want de wilde kruisbes is de eerste die na de winter de ogen opent en zegt: “De aarde is weer warm genoeg.” De natuur spreekt tot ons. We moeten onthouden hoe naar haar te luisteren.’

Mijn vader was een ziel uit een andere tijd. Een tijd waarin het land werd bevolkt door stammen die de aarde koesterden en respecteerden. Zijn eigen gevoel voor respect vulde hem vanbinnen op tot hij de beste man was die ik ooit heb gekend. Ik hield hierom van hem en om veel meer, zoals dat hij viooltjes plantte en nooit onthield dat ze paars waren. Ik hield van hem omdat hij op de Fourth of July altijd zijn haar liet knippen alsof hij een scheve hoed ophad en ik hield van hem om de lantaarn die hij altijd voor onze mond hield als we ziek waren en moesten hoesten.

‘Zie je de bacillen?’ zei hij dan, en hij liet de lantaarn tussen ons in schijnen. ‘Ze spelen allemaal viool. Die hoest is hun lied.’

Door zijn verhalen walste ik over de zon zonder mijn voetzolen te verschroeien.

Mijn vader was voorbestemd om vader te worden, dat zat in hem. En ondanks het geharrewar tussen hem en mijn moeder was hij ook een geboren echtgenoot. Mijn ouders hebben elkaar op een begraafplaats in Joyjug, Ohio, leren kennen, op een dag die aan de wolken was gegeven. Pa had geen overhemd aan. Hij had er een zak van gemaakt, die hij in zijn hand had. Er zaten paddenstoelen in die op stukjes van een rokerslong leken. Toen hij zijn omgeving afspeurde naar meer, zag hij haar. Ze zat op een lappendeken die duidelijk was gemaakt door een meisje dat de quiltkunst nog niet onder de knie had. De steken waren onregelmatig. De scheefgeknipte lapjes hadden twee verschillende tinten gebroken wit. Midden in de lappendeken was een grote boom gestikt van stukjes slecht bij elkaar passend katoen. Ze zat op de boom en at een appel terwijl ze de grafzerk bestudeerde van een onbekende soldaat die in de Burgeroorlog was omgekomen.

Wat een apart meisje, dacht pa.
Wat een apart meisje, dacht pa, dat ze op een begraafplaats, met al die dood onder haar, een appel zit te eten.

‘Pardon, Miss. Heb je deze misschien gezien?’ Hij hield de overhemdzak voor haar open. Ze wierp een blik op de paddenstoelen, keek hem aan en schudde haar hoofd.

‘Heb je ooit deze paddenstoelen geproefd, Miss?’ vroeg hij. ‘Gebakken in de boter? Verrukkelijk.’

Ze zei niets, dus hij concludeerde dat ze een meisje van weinig woorden moest zijn.

‘Je bent vast de bewaker van een verloren taal,’ zei hij. ‘Is die soldaat een van de jouwen?’ Hij wees naar het graf.

‘Wie zal het zeggen?’ Ze deed eindelijk haar mond open. ‘Niemand weet wie hij is.’ Ze maakte een snel handgebaar naar de zerk. ‘DE ONBEKENDE SOLDAAT, staat er. Je kunt toch wel lezen?’ Het kwam er stuurser uit dan ze had bedoeld.

Even overwoog hij zich om te draaien, maar ergens voelde hij zich beter bij haar, dus hij ging aan de rand van de lappendeken in het gras zitten. Hij leunde naar achteren, keek omhoog en zei dat er misschien regen op komst was. Toen pakte hij een paddenstoel en liet hem tussen zijn lange vingers rollen.

‘Lelijke dingen, hè?’ Ze fronste.

‘Mooi juist,’ zei pa, beledigd namens de paddenstoel. ‘Ze noemen het de doodstrompet. Daarom tieren ze welig bij begraafplaatsen.’

Hij hield er een bij zijn mond en deed een trompet na.

‘Toeterdetoet.’ Hij glimlachte. ‘Ze zijn niet alleen mooi. Het is ook een krachtig natuurmedicijn. Goed tegen allerlei kwalen. Misschien bak ik ook een portie voor jou. Misschien teel ik een heel veld voor je.’

‘Ik hoef geen paddenstoelen.’ Ze trok haar neus op. ‘Citroenen, die vind ik wel lekker. Daar kan ik karrenvrachten van op.’

‘O ja?’ vroeg hij.

Ze knikte.

‘Ze zijn zo mooi geel,’ zei ze. ‘Daar word je toch helemaal blij van, van al dat geel?’

Haar blik kruiste even de zijne en ze keek meteen opzij.
Haar blik kruiste even de zijne en ze keek meteen opzij. Hij kwam haar tegemoet door naar de paddenstoel in zijn hand te blijven turen en het rimpelige huidje te voelen. Ze liet haar blik langzaam weer in zijn richting dwalen. Hij was een lange man, met uitstekende botten die haar deden denken aan de wandelende tak die in de zomer altijd over de vensterbank in haar kamer kroop. Zijn bemodderde broek zat hem te ruim en werd om zijn smalle middel door een leren riem omhooggehouden.

Hij had geen borsthaar, wat haar verbaasde. Ze was gewend aan de stugge krulletjes op haar vaders brede borst, die als staalwol aanvoelden als ze hem daar vasthield. Ze verdrong de gedachte aan haar vader en hield haar aandacht bij de man naast haar. Zijn dikke zwarte haar was kort aan de zijkant maar lang bovenop, wel zo hoog als haar hand, en daar viel het in golven naar beneden.

Pap zou hem niet pruimen, dacht ze bij zichzelf.

Ze zag dat de boel bij hem thuis door vrouwen werd bestierd, door de manier waarop hij naast de lappendeken was gaan zitten in plaats van erop. Ze kon zowel zijn moeder als zijn grootmoeder zien. Hij hield hen allebei in zijn bruine ogen. Dat wekte haar vertrouwen, dat hij vrouwen zo dicht bij zich hield.

Wat ze niet kon negeren, was zijn huidskleur.

Niet zo donker als die van een neger, was haar gedachte toen in de jaren dertig, maar ook niet wit, en dat is net zo riskant.

Ze liet haar blik op zijn voeten vallen. Het waren de voeten van een man die door het bos had gelopen en zich in de rivier had gewassen.

‘Hij is vast verliefd op een boom,’ liet ze zich mompelend ontvallen.

Toen ze opkeek, zag ze dat hij naar haar staarde. Ze richtte haar aandacht weer op de appel, waar nog een paar hapjes van over waren.

‘Sorry voor die modder,’ zei hij, en hij klopte zijn broek af. ‘Maar als grafdelver ontkom je niet aan een beetje aarde op je broek. Het is geen slechte baan. Het is minder fijn voor de luitjes voor wie ik kuilen graaf.’

Hij zag de aanzet van haar glimlach achter de appel, maar ze herstelde zich snel. Hij vroeg zich af wat ze van hem vond. Hij was negenentwintig. Zij achttien. Haar schouderlange haar hing in een wit gehaakt net. De kleur en structuur van haar haren deden hem denken aan de zijige draadjes van een maiskolf in het zonlicht. Haar huid stak perzikkleurig af tegen de mintgroene jurk en haar middel was stevig ingesnoerd met een slordige witte ceintuur in dezelfde kleur als haar gehaakte, besmeurde handschoentjes. Van dichtbij zag je dat ze het niet breed had, maar van veraf leek ze heel wat.

Daar zijn die handschoentjes voor, dacht hij bij zichzelf. Om de indruk te wekken dat ze een dame is.
Daar zijn die handschoentjes voor, dacht hij bij zichzelf. Om de indruk te wekken dat ze een dame is en niet zomaar een of andere zwijgzame schoonheid die geacht wordt ergens weg te roesten als een kapotte tractor op een akker.

Ze was bijna bij het klokhuis, maar er zat nog een stukje herkenbare rode schil aan de appel. Toen ze een hapje nam, gleden er een paar druppels sap uit haar mondhoeken. Terwijl hij naar de losse plukjes haar keek boven haar fijne oorschelpen, voelde hij regendruppels op zijn blote schouders. Het verbaasde hem dat hij iets kon voelen wat zo zacht en licht was. De hardheid had hem toen nog niet in zijn greep. Hij keek op naar de betrokken lucht.

‘Je ziet nooit van die wolken, tenzij ze willen bewijzen dat ze noodweer vasthouden,’ zei hij. ‘We kunnen hier blijven zitten en wegspoelen of we zoeken ergens beschutting.’

Ze stond op en liet de rest van de appel op de grond vallen. Hij keek omlaag. Ze was op blote voeten. Als zij iets gemeen hadden, dan was het hoe ze over de aarde liepen. Hij wilde iets zeggen wat ze interessant zou vinden, toen het opeens begon te hozen. De regen gutste in sluiers over hen heen terwijl de lucht helwit oplichtte door een bliksemschicht. Het noodweer hield mijn ouders in een greep op manieren die zij niet eens konden bevatten.

‘We kunnen schuilen onder de witte bitternoot,’ zei pa.

Hij hield het overhemd met de paddenstoelen stevig vast en raapte de lappendeken op om boven hun hoofd te kunnen houden. Ze liet zich door hem naar de boom leiden.

‘Het duurt niet lang,’ zei hij toen ze onder de bladerkroon van de bitternoot redelijk droog bleven.

Hij schudde eerst de regendruppels van de lappendeken voor hij de grove schors van de boom aanraakte.

‘De Cherokee kookten dit,’ zei hij. ‘Soms om geneesmiddelen van te maken, soms om te eten. Hij is zoet, deze schors. Als je hem in melk kookt, heb je een drankje dat…’

Voor hij zijn zin kon afmaken, had ze haar lippen op de zijne gedrukt voor de tederste kus die hij ooit had gevoeld. Ze bracht haar hand onder haar jurk om haar rafelige onderbroek uit te trekken. Hij keek haar enigszins verbluft aan, maar hij was wel een man, dus hij legde de paddenstoelen opzij. Toen hij de lappendeken over de grond uitspreidde, deed hij dat zo langzaam mogelijk, voor het geval ze van gedachten wilde veranderen.

Zodra ze zich op de lappendeken had gevlijd, ging hij naast haar liggen.
Zodra ze zich op de lappendeken had gevlijd, ging hij naast haar liggen. In de velden om hen heen schoten de maiskolven als torpedo’s omhoog terwijl zij elkaars geur overnamen en niet verliefd werden. Er is ook geen liefde voor nodig om iets te laten ontstaan. Na een paar maanden kon ze niet langer verborgen houden wat er in haar groeide. Haar vader –  de man die ik later opa Lark zou noemen – zag de zwelling in haar buik en sloeg haar tot haar neus bloedde en ze sterretjes zag. Ze riep huilend om haar moeder, maar die stond erbij en keek zwijgend toe zonder iets te doen.

‘Je bent een hoer,’ zei haar vader terwijl hij zijn zware riem uit zijn broeksband trok. ‘Wat daar in jou groeit, is een zonde. Ik zou je levend door de duivel moeten laten opvreten. Dit is voor je eigen bestwil. Vergeet dat niet.’

Hij sloeg haar met de metalen gesp tegen haar maagstreek. Ze viel op de grond en probeerde haar buik te beschermen.

‘Niet doodgaan, niet doodgaan, niet doodgaan,’ fluisterde ze tegen het kind in haar terwijl haar vader bleef doorslaan tot hij tevreden was.

‘Gods werk is nu volbracht,’ zei hij, en hij duwde zijn riem weer door de lussen van zijn broeksband. ‘Dat is dan dat. En, wat eten we vandaag?’

Later die avond legde ze haar hand op haar buik en voelde dat het leven was doorgegaan. De volgende ochtend ging ze lopend op zoek naar haar paddenstoelenman. Het was de zomer van 1938 en een zwangere vrouw werd altijd geacht een echtgenoot te hebben.

Toen ze de begraafplaats bereikte, speurde ze de omgeving af tot ze iemand een kuil zag graven.

Daar is hij, dacht ze bij zichzelf, en ze liep tussen de zerken door naar hem toe.

‘Pardon?’

De man draaide zich om. Het was iemand anders.

‘O, sorry.’ Ze sloeg haar ogen neer. ‘Ik zag u voor een ander aan. Hij is hier ook in dienst als grafdelver.’

‘Hoe heet hij?’ vroeg de man zonder zijn werk neer te leggen.

‘Dat weet ik niet, maar hij is heel lang en dun. Zwart haar, donkerbruine ogen…’

‘Donkere huid ook?’ Hij stak zijn spade in de aarde. ‘Ik weet wie je bedoelt. Ik heb gehoord dat hij een betrekking heeft gekregen bij een wasknijperfabriek aan de rand van de stad.’

Ze liep naar de wasknijperfabriek en bleef bij de poort staan.
Ze liep naar de wasknijperfabriek en bleef bij de poort staan. Op het middaguur, toen het signaal klonk, zwermden de mannen met hun lunchpakketje het gebouw uit. Ze zocht naar hem in de menigte van blauwe overhemden en donkerblauwe broeken. Even dacht ze dat hij er niet bij was. Toen zag ze hem. In tegenstelling tot de rest had hij geen lunchtrommeltje bij zich. Hij rolde een sigaret en voedde zich met de rook terwijl zijn blik naar de toppen van de boomkruinen dwaalde.

Waar kijkt hij naar, vroeg ze zich af, en ze keek ook naar de bladeren die wiegden in de wind.

Toen ze weer voor zich keek, stond hij naar haar te staren.

Is dat hetzelfde meisje, dacht hij. Hij wist het niet zeker. Het was een poosje geleden. Bovendien kon hij haar gezicht niet goed zien door de blauwe plekken. En haar ogen waren flink gezwollen, dat hielp ook niet. Maar de wind blies nog steeds haar haar als zijden maisdraadjes over haar oren en hij wist dat zij het meisje van de regenbui was. Het meisje dat na afloop snel haar onderbroek weer aan had getrokken.

Hij zag dat ze haar hand lichtjes op haar buik hield, die niet zo vlak was als hij zich herinnerde. Hij blies een rookpluim uit die zijn gezicht verborg en liep de fabriek weer in. De geur van hout, het schurende lawaai van de zaag, het fijne stof dat als een sterrenstelsel de lucht vulde, voerden hem onherroepelijk terug naar dat moment op de begraafplaats. Hij dacht aan de regen, die tussen de takken door was gedruppeld op haar pupillen, de straaltjes water langs haar ogen, over haar wangen.

Toen het signaal ‘einde werkdag’ weerklonk, liep hij voor de andere mannen uit naar buiten. Hij zag dat ze niet was weggegaan. Ze zat naast de gietijzeren poort op de grond. Ze keek vermoeid, alsof ze net een miljoen begrafenissen had doorstaan waarbij zij de enige kistendrager was geweest. Ze stond op toen hij op haar afliep.

‘Ik moet je spreken.’ Haar stem beefde toen ze het stof van de achterkant van haar jurk klopte.

‘Van mij?’ Hij wees naar haar buik voor hij een nieuwe sigaret rolde.

‘Ja.’ Ze antwoordde direct

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief