leesfragment

‘Blonde Dolly’ van Tomas Ross

Al decennia zoeken politiemensen en journalisten naar de moordenaar Blonde Dolly. Haar moord is een raadsel, een mysterie, zoals Sebilla Niemans alias Blonde Dolly dat zelf ook was. Een prostituee aan de zelfkant van Den Haag, maar getrouwd met een violist van het gerenommeerde Residentie Orkest. 
De vragen rond haar raadselachtige dood op 31 oktober 1959 zijn nooit beantwoord. Waarom leidde de hoofdcommissaris van Den Haag zelf het onderzoek? Hoe kwam Dolly aan een fortuin aan geld en huizen? En waar is haar beruchte blauwe boekje gebleven waarin ze de namen van haar clientèle zou hebben genoteerd?

Tomas Ross dook in de zaak en schreef er Blonde Dolly over. De thriller verschijnt op 5 februari, maar hier lees je alvast het eerste hoofdstuk!

Scheveningen,
zaterdag 10 oktober 1959
HANNAH

Vanavond ga ik een man doden. Doden, niet vermoorden. Moord is een misdrijf en zo zie ik het niet. Ik zie het als gerechtigheid. Eigen recht waar justitie faalde. Alsnog een verzetsdaad, na vijftien jaar.

Ik zou erom kunnen lachen omdat de man een verzetsheld is. En omdat ik binnenkort aan God zal beloven het lijden van patiënten te verlichten en mijn uiterste best te doen hen in leven te houden.

God zelf deed dat niet in concentratiekamp Buchenwald, waar mijn vader vijftien jaar geleden stierf.

Mijn vader heette Leendert Fridman. Een communistische Jood met Russische voorouders. Veel slechter kon je het niet treffen in de oorlog en het is een wonder dat de Duitsers hem pas eind 1943 oppakten. Maar net zomin als God, bestaan wonderen niet. Anders zou mijn vader nog leven. Hij overleed, zesendertig jaar oud, op 2 februari 1944 om 20.02 uur aan vlektyfus. Hij was die dag niet de enige. De tyfusbacteriën werden geïnjecteerd door SS-kamparts Waldemar Hoven. Een medisch experiment waarvan de fatale afloop bij voorbaat vaststond. Ik weet dat zo precies omdat de Duitsers alles nauwkeurig registreerden, ‘gründlich’, zoals varkenshouders hun varkens voor de slacht. Tijdstip, datum, locatie, alles en iedereen.

Maar niet wie mijn vader hadden verraden.

 

De man die mijn vader had verraden.
Ik ben leerling-verpleegster in het ziekenhuis Nebo. Drie weken geleden werd er een gepensioneerde advocaat opgenomen. Hij had een hartaanval gehad in een telefooncel op de boulevard. Een man met het opgeblazen gezicht en de couperose van een stevige drinker. Vanaf zijn linkerslaap kleurt een grillige brandplek tot over zijn oor als een vlek van de rorschachtest. Hij heeft bleekblauwe ogen. Bijna doorschijnend, zoals vissen soms hebben. De man die mijn vader had verraden.

Kon ik me vergissen?

Ik ben die ogen sinds een vroege winterochtend in november ’43 nooit meer vergeten, al was ik toen pas zes jaar.

‘Hannah!’
Geschrokken deed ik mijn ogen open. Het was schemerdonker in mijn kamertje.
‘Ben je wakker?’
‘Ja.’
Mijn vader zat op mijn bed. Tot mijn verbazing had hij zijn hoed op en droeg hij zijn overjas.
‘Ik kom je een kusje geven. Ik ga een tijdje bij je weg.’
‘Waarom?’
‘Iemand heeft me verraden. Er was net een politieman, een kameraad die me kwam waarschuwen, hij komt me zo halen.’
Mijn hart klopte in mijn keel. ‘Waar ga je dan naartoe?’
‘Naar een boerderij, maar het is beter dat je dat niet weet.’
‘Weet tante Bep het wel?’
‘Nee. Maar je moet niet bang zijn, het komt allemaal goed. Ik heb je toch verteld dat de Russische troepen eraan komen. Ze zijn al bijna in Polen. Nog een paar maanden, schat. Vóór je zeven wordt, zijn we weer bij elkaar. Dan mag je weer een jurkje aan en eten we taart met slagroom.’ Hij lachte, maar ik zag de tranen in zijn ogen glinsteren.
‘Kan ik niet mee?’
‘Nee, schat, dat is veel te gevaarlijk. Je bent hier veilig. Als ik kan, laat ik wat horen via de kameraden.’ Zijn baardhaar prikte in mijn wang toen hij me een kus gaf. ‘Blijf lekker liggen, het is koud. Wees lief voor tante Bep en doe je best op school.’
Hij kwam overeind, pakte zijn koffertje op en liep naar de deur.
‘Dag schat, tot gauw.’
‘Dag pap,’ wilde ik zeggen, maar in plaats daarvan begon ik te huilen. Misschien hoorde hij het nog, misschien ook niet want buiten op de dijk klonk het geronk van een auto.
Rillend van angst en toch ook van de kou kwam ik uit bed, liep naar het raam en schoof het gordijntje wat opzij. Het was nog donker maar boven de dijk gloorde het ochtendlicht. Door mijn tranen heen zag ik hem met het koffertje de voordeur uit komen en achter een politieagent naar een auto lopen waarvan de lampen waren gedoofd. Net toen hij het achterportier opende, schreeuwde een Duitser: ‘Halt! Steh still!’
Ik gilde het uit. ‘Pappa! Pappa!’
Hij wilde wegrennen, maar de chauffeur sprong met een pistool uit de auto. Mijn vader sloeg met het koffertje naar hem, maar werd vastgegrepen door de politieagent. Tegelijkertijd kwam een overvalwagen de dijk op rijden.
‘Boris! Godverdomme! Vuile klootzak die je bent!’
Mijn vaders stem galmde in mijn oren. De politieagent lachte alleen maar. Zijn gezicht ging schuil onder de klep van zijn hoge pet, een bleek gezicht met een scheve neus.
In paniek zag ik Duitse soldaten uit de overvalwagen springen. Ik wilde het raam al openrukken toen tante Bep me vastpakte en me tegen zich aan drukte.
Nadat de overvalwagen wegreed en het weer stil werd, stapte een man uit de auto. Lachend liep hij naar de chauffeur en de politieman toe. Een man met bleekblauwe ogen. Zijn wang glom paarsrood tot over zijn oor, als een clown die zich slordig had geschminkt.
‘Wie zijn die mannen, tante Bep?’
Ze huilde net zo hard als ik en kon alleen maar haar hoofd schudden.

 

De Duitsers zochten mij niet, al was ook mijn moeder Joods en al eerder opgepakt.
De Duitsers zochten mij niet, al was ook mijn moeder Joods en al eerder opgepakt. Tante Bep had mijn haar blond geverfd en kortgeknipt als een jongen. Ze was geen echte tante van me maar een oude vriendin van mijn vader. Ik woonde al bij haar voor hij bij ons onderdook. Wanneer ik buiten speelde of buren tegenkwam moest ik zeggen dat ik Jantje heette en een neefje was dat uit Amsterdam kwam om aan te sterken. Dat gebeurde regelmatig, want al hadden ze in Velsen ook niet veel te eten, het was altijd meer dan in Amsterdam.

De volgende avond zat ik samen met een ouder Joods meisje op de nachtboot van Amsterdam naar Lemmer. Ze heette Naomi en had zich vermomd als schippersjongen. Ze was heel lief voor me en wist me zelfs aan het lachen te krijgen met gekke verhaaltjes en Jiddische mopjes. Maar ik huilde weer toen we van elkaar werden gescheiden in Lemmer, waar ik opgehaald werd door een jonge vrouw, die me naar het gezin van dominee Feenstra bracht.

Aanvankelijk huilde ik ook daar alleen maar. Ik had nachtmerries waarin een rood geschminkte clown me achternazat en een politieman met een enorme neus me tegenhield. Ik wilde niet eten en niet praten, ik verstond ook niets van het rare taaltje van al die vreemde mensen. Maar ze waren lief voor me en kleine kinderen wennen snel. Ik kreeg een eigen kamer, die had ik nog nooit gehad, ik speelde met hun zoon en dochter en de buurkinderen, het was er veilig en er was veel meer eten dan in Velsen. En ik mocht weer een meisje zijn, dat algauw Fries sprak en het gewoon vond om Heit en Mem tegen de dominee en zijn vrouw te zeggen. Hanneke Feenstra, hun aangenomen dochtertje, een weeskind van ouders die tijdens een Engels bombardement bij Leeuwarden waren omgekomen.

 

Later hoorde ik dat oud-militairen en politiemannen in Haarlem, de Zaanstreek, IJmuiden en Velsen communisten aan de Duitsers hadden verraden uit angst dat ze na de bevrijding de macht zouden overnemen. Dat stond toen tenminste in de kranten en werd de Velser-affaire genoemd. De regering liet het onderzoeken maar vond geen enkel bewijs. Het waren ook vooral linkse kranten zoals De Waarheid en Het Vrije Volk die dat beweerden. En na de oorlog waren er zoveel van dat soort geruchten.

Verder lezen? Het boek kan je bestellen via onderstaande link:

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief