leesfragment

‘Daglicht’ van David Baldacci

Jarenlang tastte FBI-agent Atlee Pine in het duister over het lot van haar tweelingzus Mercy, die op zesjarige leeftijd ontvoerd werd. Ze krijgt de opdracht van haar leidinggevende om het onderzoek los te laten, omdat het haar andere werk in de weg zit. In een laatste poging tijdens haar zoektocht, kruist haar pad dat van special agent John Puller, die met zijn eigen onderzoek naar drugssmokkel op een legerbasis bezig is. Tot hun beider verbazing blijkt er een connectie te zijn tussen de twee zaken.
Langzaam maar zeker ontmantelen ze een web van leugens, bedrog en doofpotaffaires, waaronder de waarheid over wat er al die jaren terug met Mercy is gebeurd diep begraven ligt…

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken van de nieuwste Atlee Pine-thriller, Daglicht, van David Baldacci.

1

Dit is het moment van de waarheid.

Special agent Atlee Pine van de FBI zat iets buiten Andersonville, Georgia, achter het stuur van haar huurauto en haar assistente Carol Blum zat naast haar.

Pine tikte op de naam in haar lijst met contactpersonen en hoorde de telefoon overgaan.

‘Pine, wat aardig dat je me belt,’ zei een stem die droop van sarcasme.

De stem was van de hoogste baas van de FBI in Arizona, Clint Dobbs. Hij had Pine toestemming gegeven voor een ‘sabbatical’ om uit te zoeken wat er was gebeurd met Mercy, haar tweelingzus, die dertig jaar geleden was ontvoerd uit hun ouderlijk huis in Andersonville, waarbij de zesjarige Pine zelf bijna was gedood.

‘Sorry, meneer, het is gewoon een beetje druk geweest.’

‘Ik hoorde dat je het inderdáád bijzonder druk hebt gehad. Je hebt daar een paar moorden opgelost en er een paar voorkomen, bent zelf bijna opgeblazen en hebt bovendien iets heel opmerkelijks over je verleden ontdekt. Verdomd, misschien zou het Bureau je een bonus moeten uitkeren.’

‘Ik neem aan dat u via andere kanalen op de hoogte bent gehouden?’

‘Dat kun je wel zeggen, aangezien jíj opvallend weinig communicatief was.’

‘Was uw bron misschien Eddie Laredo?’

Laredo was een special agent van de FBI die naar Georgia was gestuurd om mee te werken aan een moordonderzoek. Hij en Pine hadden een verleden samen, een ingewikkeld verleden, hoewel Pine dacht dat ze alles hadden uitgepraat.

‘Ik heb verschillende bronnen die me op de hoogte houden.’
‘Ik heb verschillende bronnen die me op de hoogte houden. Wat heb je ontdekt over de verdwijning van je zus?’

‘Toen mijn moeder nog een tiener was, in de jaren tachtig, fungeerde ze als mol bij de maffia tijdens een undercoveroperatie. Een van de mannen die als gevolg daarvan zijn opgepakt was ene Bruno Vincenzo, die, nadat hij in de gevangenis was gezet, werd vermoord. Bruno had een broer in Jersey, ene Ito. Ito ontdekte kennelijk wat er was gebeurd en gaf mijn moeder de schuld van de dood van zijn broer. Op de een of andere manier ontdekte hij waar wij woonden, ging naar Georgia en ontvoerde mijn zus.’

‘Weet je iets over deze Ito Vincenzo? Leeft die eigenlijk nog?’

‘Ik heb de officiële internetdatabase van de staat gecheckt. Daar staat niet in dat hij dood is, maar misschien is hij niet in New Jersey overleden. Ik weet inmiddels dat hij in Trenton woonde. Ik heb het adres wel, maar dat huis staat op naam van ene Teddy Vincenzo, zijn zoon.’

‘Kan goed zijn dat die zoon het huis heeft geërfd, dus misschien is zijn pa al overleden. Misschien is de man op hogere leeftijd naar Florida vertrokken en heeft hij daar zijn laatste adem uitgeblazen. Als dat zo is, is hij misschien buiten je bereik, Pine.’

‘Ik kan nog wel met zijn familieleden praten. Misschien weten zij iets nuttigs.’

‘Oké, als ze met je wíllen praten. En waar is deze Teddy Vincenzo?’

Pine slaakte een diepe zucht. ‘In de gevangenis, Fort Dix.’

‘Juist, een criminele familie dus. Maar hij is gelukkig in Jersey. Wil je nu naar Trenton? Heb je me daarom uiteindelijk toch gebeld?’ vroeg Dobbs met een scherpe klank in zijn stem die Pine niet beviel.

‘Ik zie geen andere mogelijkheid.’

‘O, is dat zo? Misschien verschillen jij en ik daarover van mening, Pine.’

‘Ik heb gewoon nog iets meer tijd nodig. Ik werd afgeleid door de moorden hier. Anders had ik veel meer vorderingen gemaakt.’

‘Eigenlijk zeg je dus dat je tijdens je verlof als agent hebt gewerkt.’

‘Dat zeg ik inderdaad.’

‘‘Ik ben het met je eens, Pine,’ zei Dobbs
‘Ik ben het met je eens, Pine,’ zei Dobbs, waarmee hij haar verbaasde. ‘Je hebt daar uitstekend werk verricht, zoals ik net al zei. Als ik het voor het zeggen had, zou ik tegen je zeggen dat je zoveel tijd moet nemen als je nodig hebt, maar hoewel ik in Arizona de hoogste baas ben, heb ik ook meerderen, Pine, een heleboel zelfs. En binnen het Bureau wordt gemopperd.’

‘Ik had niet het idee dat ik zo belangrijk was,’ zei Pine scherp. ‘Wie klaagt er dan?’

‘Ik zal het je uitleggen. Ik heb twee agenten die elkaar afwisselen om jou te vervangen in Shattered Rock, ook al hebben ze hun eigen taken. Daar zijn ze niet blij mee, want zíj hebben geen back-up: jij dus wel en zij dus niet. Bovendien moest ik er kantoorpersoneel naartoe sturen aangezien Carol bij jou is. Ik weet wel dat dit de eenentwintigste eeuw is, maar het feit dat je, nou ja, je weet wel…’

‘U bedoelt dat de jongens omdat ik een vrouw ben vinden dat ik niet voldoende bijdraag?’

‘Ze vinden dat jij een speciale behandeling krijgt, wat natuurlijk ook zo is. Verschillende jongens hebben zich al bij me beklaagd. Ze zeggen allemaal dat zij ook problemen hebben, maar toch elke dag naar hun werk moeten. Ze vragen zich dus af waarom jij een speciale behandeling krijgt.’

Pine riep: ‘U zei zelf dat ik dit moest uitzoeken als ik voor de FBI wilde blijven werken en dat kan ik verdomme alleen doen als ik mijn zus vind!’

Blum legde kalmerend een hand op Pine’s arm.

Dobbs zei: ‘Ik begrijp dat je kwaad bent, maar vergeet verdomme niet tegen wie je het hebt, Pine.’

Pine haalde diep adem. ‘Ik heb gewoon iets meer tijd nodig, meneer. Een paar dagen nog.’

Dobbs zweeg zo lang dat Pine bang was dat de man de verbinding had verbroken. ‘Trenton, New Jersey, hè?’

‘Ja,’ zei Pine zacht.

‘Grappig, Pine. Ik ben begonnen in Trenton, meer jaren geleden dan ik me kan herinneren. Toen maakte de stad een zware tijd door. Nu is het zelfs nog zwaarder.’ Hij zweeg even. ‘Oké, een paar dagen nog. Als je back-up of informatie nodig hebt, bel je de jongens daar en zeg je dat Clint Dobbs heeft gezegd dat dat oké is. Ze zullen je niet geloven, maar wel als ik hun vertel dat het waar is.’

Pine keek met grote ogen naar Blum. ‘Eh, dit had ik niet verwacht.’

‘Ik had ook niet verwacht dat ik dat zou zeggen, Pine. Dat aanbod kwam zomaar in me op. Maar over één ding wil ik heel duidelijk zijn: je móét dit afronden en terugkomen. Begrepen? Het Bureau betaalt je salaris omdat je voor ons werkt. Ik weet wel dat ik zei dat je dit moest uitzoeken zodat je weer ruimte in je hoofd kreeg, maar feitelijk is dat jouw probleem, niet het mijne. En jij bent niet de enige agent met wie ik moet dealen, oké? Ik heb honderden agenten en die hebben allemaal problemen. Begrepen?’

‘Ja, meneer. Begrepen.’
‘Ja, meneer. Begrepen. En ik ben u erg dankbaar. Dank u voor…’ Maar Dobbs had de verbinding al verbroken.

Langzaam legde Pine de telefoon neer. ‘New Jersey, we komen eraan!’

2

Twee dagen later reed Pine in haar huurauto door een arbeiderswijk aan de rand van de stad Trenton. Ze dacht na over wat ze zou zeggen tegen Anthony ‘Tony’ Vincenzo, die soms in het huis woonde dat zijn vader Teddy kennelijk van diens vader Ito Vincenzo had geërfd. Ze had geen zin in het bureaucratische gedoe dat een bezoek aan Teddy Vincenzo in de gevangenis met zich meebracht; Tony was veel beter benaderbaar. Maar gezien haar huidige gemoedsgesteldheid was de kans groot dat ze Tony, als deze weigerde haar te helpen, zou doodschieten.

Tony was de kleinzoon van Ito Vincenzo, zodat hij haar misschien iets kon vertellen over Ito; hopelijk waar de man nu was, áls hij nog leefde.

En iets wat haar naar Mercy kon leiden; daarom was ze hier immers. De weg naar Mercy was lang en gecompliceerd geweest, en soms had Pine het gevoel gehad dat het eindpunt even onbereikbaar was als de top van de Mount Everest. Maar nu ze eindelijk een opening had in deze zaak, ging ze er vol in. En als ze daar meer dan een paar dagen voor nodig had, dan was dat maar zo. Pine had per se op zoek willen gaan naar haar zus na een nare ontmoeting met een pedofiel die in Colorado een klein meisje had ontvoerd. Haar woede, gevoed door de herinneringen aan de ontvoering van haar zus, had ertoe geleid dat Pine de man bijna dood had geslagen en elke regel en elk voorschrift van de FBI had overtreden. Clint Dobbs had haar een ultimatum gesteld: óf je lost je persoonlijke problemen met je zus op óf je kunt op zoek naar een andere baan. Maar nu had ze geen aansporing van Dobbs of wie ook nodig, nu was ze bereid haar FBI-carrière op te geven in ruil voor het vinden van haar zus.

Het is niet alleen zo dat ik mijn werk niet kan doen als ik niet kan achterhalen wat er met Mercy is gebeurd.
Het is niet alleen zo dat ik mijn werk niet kan doen als ik niet kan achterhalen wat er met Mercy is gebeurd. Nee, dan kan ik mijn leven niet leiden.

Het was griezelig maar ook bevrijdend geweest toen ze dit aan zichzelf kon toegeven. Met een Glock als haar voornaamste wapen en een Beretta Nano in een enkelholster voor het geval alles in het honderd liep − wat vaak gebeurde in haar werk − stopte Pine drie huizen voor Vincenzo’s eenvoudige huis. Alle huizen waren eenvoudige salt boxes − huizen van anderhalve verdieping − van ruim honderd vierkante meter met geteerde dakspanen. De wijk bestond uit groepjes onopvallende naoorlogse woningen en was vrijwel identiek aan zo ongeveer elke buitenwijk van elke stad die was gebouwd tien jaar nadat ‘de jongens’ waren teruggekeerd van de oorlog tegen Hitler, Mussolini en Hirohito. Een maand of negen daarna waren in dit soort wijken miljoenen babyboomers geboren. Die namen nu hun gerechtvaardigde plaats in als de grootouders van millennials en de Z-generatie. Wat was overgebleven was een oude, uitgeleefde groep huizen die werden bewoond door ouderen en starters.

Hoewel de huizen identiek leken, verschilden ze toch. Sommige tuinen waren netjes en opgeruimd. De gevels en sierlijsten waren pas geverfd. Brievenbussen stonden op stevige metalen palen en gewassen auto’s stonden op goed onderhouden opritten.

Andere huizen hadden dat allemaal niet. De auto’s op de opritten stonden vaker wel dan niet op bakstenen in plaats van op banden. Uit het geluid van knallend luchtdrukgereedschap en zoemende generatoren bleek dat in sommige van deze huizen bedrijfsmatig werd gewerkt, al dan niet legaal. De gevelplaten hingen los en vaak ontbraken er een of meer ruitjes uit de voordeur. Brievenbussen stonden scheef of ontbraken. Opritten waren meer bedekt met onkruid dan met beton of grind.

Pine telde drie huizen met kogelgaten in de voorgevel en één huis waar politielint in de wind wapperde.

Tony Vincenzo’s huis hoorde bij de categorie ‘niet onderhouden’. Maar het kon haar niets schelen hoe zijn huis eruitzag. Het enige wat ze wilde was elke herinnering die hij nog had of zelfs fysieke bewijzen van zijn opa Ito en van eventuele anderen die misschien betrokken waren geweest bij de nachtmerrie die ze als kind had meegemaakt.

Ze stapte uit en keek naar het huis dat ooit eigendom was geweest van Ito Vincenzo. Hier had hij samen met zijn vrouw zijn kinderen grootgebracht. Pine had geen idee wat voor vader en echtgenoot hij was geweest. Maar als hij in staat was om één klein meisje bijna te vermoorden en een ander klein meisje te ontvoeren, schatte ze zijn opvoedkundige vaardigheden laag in.

Tony Vincenzo werkte op Fort Dix, de nabijgelegen militaire basis. De gevangenis waar zijn vader was opgesloten, maakte deel uit van dat complex. Misschien wilde de zoon dicht bij zijn vader zijn. Als dat zo was, ging Tony misschien regelmatig op bezoek bij Teddy en kon hij haar misschien iets vertellen over wat zijn vader hem had verteld.

Pine liep naar het trottoir, waarvan het beton golfde door tientallen jaren opvriezen en ontdooien en geen onderhoud. Ze dacht eraan dat Ito Vincenzo − de man die haar zus had ontvoerd en haar bijna had vermoord − tientallen jaren eerder over ditzelfde trottoir had gelopen. Deze gedachte benam haar de adem. Ze bleef staan, vermande zich en liep weer door.

Bij de voordeur bleef ze staan en keek door een van de ramen naast de deur naar binnen.
Bij de voordeur bleef ze staan en keek door een van de ramen naast de deur naar binnen. Ze zag geen enkele beweging. Als de man in zijn vaders voetsporen was getreden, zou de criminele activiteit niet zichtbaar zijn. Meestal voerden ze hun smerige werk uit in de kelder, onzichtbaar voor nieuwsgierige ogen. Maar de man werkte wél fulltime op Fort Dix, dus misschien hield hij zich wel aan de wet.

Pine klopte aan, zonder dat er iets gebeurde. Ze klopte weer, met hetzelfde resultaat. Ze keek naar links, naar de voorveranda van het buurhuis, waar een oude vrouw in een schommelstoel zat te breien. Het was zonnig, maar fris, en ze droeg een feloranje sjaal en had een bril op. Haar grijze haar leek pas gepermanent en door de stukjes roze schedel deed ze Pine denken aan de zon die door de wolken scheen. Ze keek niet naar Pine, maar concentreerde zich op haar breiwerk, één recht, twee averecht. Haar tuin was netjes onderhouden, en op haar veranda stonden chrysanten in potten, die de nodige kleur toevoegden aan de verder saaie en kille omgeving.

‘Tony is binnen,’ zei de vrouw zacht.

Pine liep naar de rand van Vincenzo’s voorveranda en legde haar hand op de houten balustrade. ‘Kent u hem?’

De vrouw, nog steeds met haar blik op haar breiwerk gericht, knikte bijna onzichtbaar. ‘Maar ik ken jou niet.’

‘Ik heet Atlee.’

‘Gekke naam voor een meisje.’

‘Ja, dat heb ik vaker gehoord. Hij is dus thuis?’

‘Zag hem een uur geleden naar binnen gaan en hij is niet weer vertrokken.’

‘Is hij alleen?’

‘Dat weet ik niet. Maar ik heb niemand anders gezien.’ De vrouw sprak zacht en hield haar blik op haar breiwerk gericht. Iedereen die niet zo dichtbij stond als Pine zou niet eens weten dat ze iets tegen haar zei.

‘Oké, bedankt voor de info.’

‘Ben je hier om hem te arresteren? Ben je een agent?’

‘Nee, en ja, dat ben ik,’ zei Pine.

‘Waarom klop je dan op zijn deur?’
‘Waarom klop je dan op zijn deur?’

‘Wil hem gewoon een paar vragen stellen.’

‘Hij werkt op Fort Dix.’

‘Ja, dat weet ik.’

‘Hij zal je vragen waarschijnlijk niet op prijs stellen.’

‘Waarschijnlijk niet. Woont hij hier fulltime? Dat heb ik niet kunnen achterhalen.’

‘Hij komt en gaat. Hij is niet aardig tegen me; hij scheldt me uit en pist op mijn bloemen. En zijn vrienden bevallen me ook niet. Dit was een leuke wijk, maar nu is het dat niet meer. Nu wil ik alleen maar in leven blijven.’

‘Goed, bedankt.’

‘Je hoeft me niet te bedanken. Die jongen is slecht. Pas op jezelf.’

‘Doe ik.’ Pine liep weer naar de voordeur en klopte nog een keer. ‘Anthony Vincenzo?’

Niets, één, twee, drie seconden. Toen wel iets, meer dan iets eigenlijk.

Een enorme knal weerklonk aan de achterkant van het huis. Dat geluid had Pine al heel vaak gehoord: een achterdeur die open werd getrapt. 15 Daarna een ander bekend geluid had Pine al heel vaak gehoord: een achterdeur die open werd getrapt.

Daarna een ander bekend geluid: rennende voetstappen. Mensen gingen altijd voor haar op de loop. Daar was een goede reden voor en om een even goede reden liet ze dat dus niet gebeuren.

Ze sprong over de balustrade van de veranda.
Ze sprong over de balustrade van de veranda.

De vrouw keek op van haar breiwerk. ‘Zorg dat je die kleine rotzak te pakken krijgt,’ zei ze met een glimlach op haar gerimpelde gezicht.

Pine’s schoenen landden op het plaveisel. Vijf stappen later was ze op volle snelheid.

Inademen door de neus, uitademen door de mond. Beweeg de armen snel, dan volgen de benen vanzelf.

Een vage schim van een blauw overhemd, een lichtere spijkerbroek en lompe witte sneakers rende voor haar uit; harder dan zijzelf.

Ze verdubbelde haar snelheid, maar boekte geen terreinwinst. Tony Vincenzo was ruim tien jaar jonger en ongetwijfeld sneller, zelfs ondanks Pine’s langere benen. En hij was extra gemotiveerd door zijn angst. Angst kon langzame mensen snel maken en zwakke mensen sterk.

En een lafaard veranderen in een moedige held, al was het alleen maar omdat hij geen keus had.

‘Tony, ik wil alleen met je praten, meer niet!’ riep ze, terwijl ze hijgend in- en uitademde.

Vincenzo liep nu zelfs nog sneller. De klojo was nu een olympisch atleet. Ze zou een auto nodig hebben om hem te pakken te krijgen.

Shit.

Pine keek om zich heen, op zoek naar een kortere weg zodat ze hem kon inhalen. Heel even overwoog ze haar wapen te trekken en een waarschuwingsschot te lossen, alleen maar om hem de stuipen op het lijf te jagen zodat hij nog harder ging lopen, over zijn eigen voeten struikelde en viel. Meer had ze niet nodig.

Ze zag het pas op het allerlaatste moment: beweging rechts van haar. Daarna werd ze van opzij aangevallen. Ze rolde voorover, rolde expres door en bleef op haar hurken zitten met haar Glock getrokken en gericht op de man die haar had aangevallen.

Alleen had ook hij zijn wapen getrokken dat hij op haar had gericht.

‘FBI!’ brulde ze, witheet van woede. ‘Laat je wapen zakken. Nu!’

‘CID!’ brulde de man terug. ‘Laat je wapen zakken. Nu!’

Ze keken elkaar roerloos lange tijd aan.

De man was ruim één meter negentig, stond kaarsrecht, woog ongeveer negentig kilo en had geen grammetje vet. Pine herkende hem meteen. Ze knipperde snel, alsof ze hoopte dat hij niet was wie ze dacht. Dat hielp niet.

Ze liet haar wapen zakken. ‘Puller?’
Ze liet haar wapen zakken. ‘Puller?’

John Puller stak zijn M11-dienstpistool in de holster, keek al even verbijsterd en schudde zijn hoofd. ‘Pine?’

Tony Vincenzo was allang verdwenen.

‘Wat doe jij hier verdomme?’ vroeg ze.

Hij keek langs haar heen, in de richting waarin Vincenzo was verdwenen. ‘Ik was hier om een arrestatie te verrichten.’

Ze verbleekte en keek achterom toen de waarheid tot haar doordrong. ‘Verdorie! Tony Vincenzo?’

Hij knikte fronsend. ‘Lang aan gewerkt, Atlee. En jij liep er helaas precies middenin.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief