leesfragment

‘De beste leugen’ van Tanen Jones

De beste leugen is een fascinerende psychologische thriller voor de fans van Ruth Ware en Lisa Gardner over de complexiteit van zusjesliefde. Lees hieronder alvast de eerste hoofdstukken van het debuut van Tanen Jones.

Na de dood van haar vader moet Leslie op zoek naar haar zus Robin, die ze al tien jaar niet meer heeft gezien. Alleen als ze samen naar de notaris gaan, hebben ze recht op het geld dat hun vader hun naliet. Maar als Leslie haar zus eindelijk heeft getraceerd, blijkt Robin net daarvoor gestorven aan een overdosis.
Wanhopig vertelt Leslie haar verhaal aan Mary, een huisgenote van Robin, en samen bedenken ze een plan om toch de erfenis te kunnen innen, waarbij Mary de rol van Robin speelt. De gelijkenis is goed genoeg, en wat kan er misgaan? Vanuit het perspectief van drie vrouwen wordt langzaam duidelijk dat niemand de waarheid spreekt. Maar wie vertelt de beste leugen?

PROLOOG
Robin

Net zoals de meeste doden wil ik dat mensen me zich herinneren.

De fortuinlijke doden laten overal schimmen van zichzelf achter: een kuil in een matras, een naam in iemands mond. Mijn naam is nu bijna verdwenen.

Robin Voigt – mijn vroegere baas zei hem dit jaar, toen hij de belastingmap van het fiscale jaar 2011-2012 doornam, om hem te kunnen weggooien. Mijn naam was er één op een lijst: Krista Ungert, Maria Villanueva, Robin Voigt. Mijn gezicht doemde even voor hem op, half herinnerd. Ik deed hem aan zijn dochter denken.

Robin Voigt, in achtpuntsletters onder mijn foto in het jaarboek geschreven. De jongste dochter van Kevin Borrego wreef met haar vinger over mijn gezicht. Wie is dat? vroeg ze. Ze is knap. Kevin zei: O, Robin. Ze zat een paar jaar onder me. Volgens mij is ze verhuisd.

Robin, in letters hoog aan de binnenkant van de bovenarm van mijn ex-vriendje, zodat ik tegen de dikke harige plooien van zijn oksel drukte, die onder de littekens zat van het eczeem.

Vluchtige rotschimmen. Ik vervaag.

De enige mensen die je in leven kunnen houden zijn de mensen die van je hielden. Niet de mensen die naar je smachtten, bloemen voor je kochten, je tepels beroerden met hun duimen. Ik bedoel de mensen die je walgelijke innerlijk zagen en toch van je hielden. De mensen die je echt kenden.

Ik had maar één zo iemand. Leslie, mijn zus.
Ik had maar één zo iemand. Leslie, mijn zus.

Mijn schim wordt ’s ochtends samen met haar wakker, kauwt op haar haar zoals ik deed als kind. Ze houdt ’s nachts haar hand vast. Ik zal haar nooit verlaten. Niemand heeft zoveel van me gehouden als Leslie. Ze hield zoveel van me dat ze mijn schim opwekte en haar adem inblies, haar weer door ons huis liet lopen, net zoals de levenden. Ze heeft zich heel lang geleden aan me verbonden, maar ze wil mijn naam niet meer hardop uitspreken.

Als ik jullie vertel hoe het is gebeurd, herinneren jullie je mij misschien ook.

Misschien zeggen jullie dan mijn naam tegen elkaar, een kleine psalmodie, als een klaagzang.

 

1
Leslie

Toen ik haar eindelijk vond, was ze dood.

Ik tastte rond naar een plekje om te kunnen zitten. De enige andere plek dan het bed, waar het lijk lag, was een houten eetkamerstoel die bijna helemaal bedolven was onder een stapel gekreukte kleren. Het kussen van de zitting, met een patroon van stripfiguurbijen, hing er half af en toen ik het recht wilde leggen rende een kakkerlak, geschrokken door die beweging, over een stoelpoot omhoog. Ik trok mijn hand terug en sloot mijn ogen. Toen deed ik ze weer open, hulpeloos.

Ik wilde niet naar het lichaam kijken. Het lichaam – Robin – Rachel. Ik had haar nooit gezien toen ze volwassen was, maar als tiener had ze een rond gezicht, weldoorvoed met bolle wangen. Nu was ze zo dun dat ik het niet kon aanzien. Mijn blik werd vanzelf wazig toen ik naar haar ribben keek, die te zien waren door zowel de stof van haar t-shirt van een basketbalteam als door het laken waarin het grootste deel van haar lichaam vanaf haar schouders naar beneden verstrikt zat. Ook haar heupbotten staken uit, als een kom voor haar lege, uitgemergelde onderbuik.

Er zaten spatjes opgedroogd braaksel in een mondhoek en op haar tong, met de kleur van iets verbrands. Ze was bewusteloos geweest toen ze erin was gestikt.

Iker raakte in paniek.
Iker raakte in paniek. ‘Zal ik de politie bellen?’ vroeg hij, met zijn blik op de claustrofobie opwekkende gele muren, het plafond met spackspuitwerk. ‘Wat vind ik dit vreselijk, het spijt me. Ik bel de politie. Ik ga bellen.’ Hij droeg een witte polo met het logo van het verhuurbedrijf. Er zaten halvemaanvormige zweetvlekken onder zijn slappe borstspieren, als een paar gesloten ogen. Ze bewogen toen hij in de zakken van zijn kaki broek naar zijn telefoon zocht.

‘Nee,’ zei ik, en ik probeerde snel na te denken. ‘Nee, ik bel wel. Ga maar naar buiten. Ik… wil even…’ Ik slikte. ‘Ik wil even alleen met haar zijn.’

‘Ja,’ zei Iker, die zijn bovenlip afveegde. ‘Oké. Oké. Ik wacht wel. Buiten. Ik ben…’ Hij wees. ‘Ik ben hier beneden als je me nodig hebt.’

Hij liep de trap af naar de woonkamer. Hij nam de reservesleutel die hij als beheerder had mee, maar liet de deur op een kiertje staan. Even later hoorde ik hem door de hor in het open raam heen schuifelen op de veranda.

Ze lag bewegingloos op het bed. Het feit dat ze daar lag was even verstikkend als de temperatuur in de kamer.

In mijn verbeelding pakte ik mijn telefoon. In een andere versie deed ik dat niet. Ik doorleefde deze twee fantasieën minutenlang, terwijl mijn hand boven mijn tas hing en niet tussen deze twee kon kiezen.

Als ik de politie belde, dan zou Robin dood zijn, definitief dood. Wettelijk, van overheidswege dood. Ik zou haar moeten identificeren en op de een of andere manier regelen dat haar lichaam naar Albuquerque werd overgebracht voor de begrafenis, die ik zou moeten organiseren. Dan wist iedereen dat ze dood was en was alles voorbij.

Ik zou het misschien kunnen aanvechten, maar dat zou zeker een jaar duren. Die tijd had ik niet. Als ik de politie niet belde, dan zou ze nog steeds dood zijn, maar…

Ik pakte haar portemonnee van de ladekast en bekeek haar id-kaart. ‘Rachel Vreeland’ keek me aan vanaf de foto, waarvan de kleuren te fel waren. Ze was knap geweest als volwassene, de bleke huid die ik me herinnerde uit onze jeugd was iets oranje getint door de zon of door de printer van de fotograaf.

‘1 meter 75’ stond er naast haar gezicht. ‘Ogen: bruin.’

Ik kon haar echte naam nergens in haar portemonnee vinden.
Ik kon haar echte naam nergens in haar portemonnee vinden, en ook niet in haar kamer. Ze had heel veel spullen, voornamelijk kleren, die over de vloer verspreid lagen of waren opgestapeld in de kast. Ik doorzocht de zakken van allerlei kledingstukken, op mijn hoede voor kakkerlakken, maar vond alleen oude filmkaartjes en bonnetjes van tankstations. De muren hingen vol filmposters en er hing een prikbord met foto’s van vrienden met plastic koffiebekertjes in hun hand, een sjofele oranje kat, een vriendje uit vervlogen tijden van toen ze nog genoeg gewicht had om zich tegen hem aan te drukken, terwijl hij de camera voor hen hield. In de laden lagen tientallen flesjes ingedroogde nagellak en bijna lege oogschaduwpaletten. Minstens vijftig onderbroeken, die ik met een kleerhanger opzijduwde en waarmee ik over de bodem van de la schraapte. Eronder lag niets.

Daarna schudde ik al haar schoenen uit – cowboylaarzen, Toms, gympen – waarbij ik eerst de linker en dan de rechter ondersteboven hield.

Er viel iets uit een rechterschoen. Ik had Robins echte id-kaart verwacht, of misschien een zakje wiet, dus ik schrok van de anticlimax: een paar pareloorbellen, zo licht dat ze bijna geluidloos op de vloer vielen. Heel even dacht ik dat het insecten waren, motten die in Robins schoenen leefden, en het korte gestuiter over de vloer werd door mijn ogen geïnterpreteerd als razend, koortsachtig geflapper. Toen knipperde ik en veranderden ze in levenloze voorwerpen.

Het duurde een paar seconden voordat ik besefte waarom ik ernaar staarde. Toen het tot me doordrong griste ik ze zo snel van de vloer dat mijn vingernagels over het tapijt schraapten. Mijn moeders oorbellen. Elke zaadparel werd omvat door een minuscule gouden klauw met vijf punten, als sterren. Die had ik voor het laatst gezien toen ik nog een klein meisje was. Ik zal er wel van uitgegaan zijn dat ze met haar begraven waren, of dat mijn vader ze had verkocht. Maar daar waren ze, in Robins benauwde huurkamertje in Las Vegas.

Had papa ze aan haar gegeven zonder het me te zeggen?

Nee, dat zou hij niet hebben gedaan. Zij verdiende ze niet. Ik was degene die afspraken maakte bij de dokter, hem hielp met eten, elke zondag met hem naar de film ging. Robin had, nadat ze op haar zestiende was verdwenen, niets anders gedaan dan af en toe bellen.

Hij had ze haar niet gegeven. Ze had ze waarschijnlijk gestolen op de avond dat ze wegging. Die avond had ze ook veertig dollar uit mijn portemonnee gepakt.

Ik wreef met mijn duim over het oppervlak van de parels en voelde een aantal oppervlakkige krassen op de kromming van een van de bolletjes, niet te zien, maar wel te voelen. Parels raakten makkelijk bekrast. Mijn oma had ons geleerd haar parels te poetsen met olijfolie en een lap zeemleer, waarbij we onze met de lap bedekte vingernagels in de spleetjes van de bevestigingspunten moesten duwen. Maar daar zou Robin zich niet druk om hebben gemaakt.

Ik sloot mijn vingers om de oorbellen.
Ik sloot mijn vingers om de oorbellen. De achterkantjes drukten als kindertandjes in mijn handpalm. Als ik de politie niet belde, kon Robin Voigt Rachel Vreeland blijven. Rachel Vreeland zou een armzalige begrafenis van de stad Las Vegas krijgen, als heroïneverslaafde zonder familie, degene die ze op haar zestiende had verkozen te zijn. Die gedachte bezorgde me een zwaar, morbide gevoel van plezier. Ik wilde dat ze in haar eentje in de grond lag.

Maar het zou niet uitmaken. Ik kon hoe dan ook niet krijgen wat ik van haar nodig had.

Daar zou ze van hebben genoten.

Ik was nu al bijna vijf minuten in de kamer met haar lichaam. Het geijsbeer op de veranda was opgehouden. Iker overwoog waarschijnlijk om weer naar boven te komen, naar mij toe.

Er klonk zacht, roestig gekraak toen iemand de tweede trap opkwam, die buitenlangs aan de achterkant van het huis liep en waarmee je vanuit de achtertuin op de bovenste verdieping kon komen. Wie er ook was binnengekomen liep de tweede slaapkamer in en sloeg de deur dicht.

Haar huisgenoot. Ja. Iker had gezegd dat er nog een huurder was.

Ik hoorde de gedempte geluiden van snelle bewegingen uit de tweede slaapkamer komen. De huisgenoot kon elk ogenblik de gang in komen en mij – en Robins lichaam – zien, zich afvragen waar de politie was, wie ik was, waarom Iker niet de po…

De voordeur ging open en Ikers stem zweefde de trap op. ‘Juffrouw… eh… Leslie? Heb je… Leslie?’

Ik pakte mijn telefoon niet. Ik stopte de oorbellen in mijn tas en liep snel naar de achterdeur. Ik was al buiten voordat iemand me zag, en maakte zo min mogelijk geluid op de metalen trap.

Toen Iker mijn auto hoorde starten kwam hij de veranda weer op gerend, zwaaiend met zijn armen om me tegen te houden. Terwijl ik wegreed riep hij iets naar me wat ik niet kon verstaan.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief